Statenvertaling.nl

sample header image

Ezechiël 14 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Ezechiël 14

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Sommige oudsten des volks komen tot den profeet om God kwansuis raad te vragen, vs. 1. God antwoordt hun door den profeet naar de verdienste hunner afgoderij en huichelarij, en dreigt al zulke vragers, ook de verleide profeten, die den vragers naar derzelver lust profeteerden, het verderf, met een belofte voor de boetvaardigen, 2, enz. God verklaart dat de voorbiddingen, zelfs van de allervroomsten (als daar waren Noach, Daniël en Job) Jeruzalem noch één volk dat Hij vastelijk besloten heeft te straffen, zouden kunnen helpen, maar alleenlijk hun eigen zielen redden, 12. Voorzegt dat enigen zullen overblijven, en tot de andere Joden in Babel ook gevoerd worden, hunlieden tot een voorbeeld en spiegel van Gods rechtvaardigheid, 22.
 
Profetie tegen de afgodendienaars
1 DAARNA kwamen tot mij mannen uit de 1oudsten van Israël, en a2zaten neder voor mijn aangezicht.
1 Dat is, regeerders en hoofden der gemeente, die in Chaldea woonden. Zie Ex. 3 op vers 16. Lev. 4 op vers 15. verwijsteksten
a Ez. 20:1. verwijsteksten
2 Te weten om door den profeet God raad te vragen van den toekomenden stand Zijns volks, zowel in Jeruzalem als daar in Chaldea. Zie het volgende 3de vers. Vgl. Ez. 8:1; 20:1. verwijsteksten
 
2 Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
3 Mensenkind, deze mannen hebben hun drekgoden in hun hart 3opgezet en hebben 4den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezichten gesteld; word Ik dan 5ernstiglijk van hen gevraagd?
3 Dat is, hebben zij in hun gemoed de hoogste plaats gegeven (gelijk zij ook buiten het hart op hoogten plegen opgericht te worden), zodat zij hen boven alle andere dingen, ja, ook boven Mij hoogachten en vereren. Alzo in het volgende.
4 Versta de afgoden. Want als zij deze voor hun aangezichten oprichtten tegen Gods bevel, zo zijn zij hun een oorzaak geweest van veelszins tegen God te zondigen en tot vele gruwelen te vervallen. Alzo in het volgende. Insgelijks alzo worden de afgoden een strik genaamd, Ex. 23:33. Deut. 7:16. Richt. 2:3. verwijsteksten
5 Hebr. gevraagd zijnde gevraagd, dat is, met ernst of oprechtelijk. Hij wil zeggen: Neen. Dit kan tezamen niet bestaan, dat men de afgoden zou aanhangen en evenwel den waren God om raad vragen. Anders: zou Ik enigszins van hen gevraagd worden? Dat is, Ik begeer van zulk volk niet gevraagd te zijn. De Heere werd om raad gevraagd gewoonlijk door den hogepriester met den efod bekleed zijnde. Zie Num. 27:21 en de aant. Richt. 1 op vers 1. Of door een profeet, 1 Sam. 23 op vss. 2, 6; 28:6. 2 Sam. 2:1. 2 Kron. 18:7. verwijsteksten
 
4 Daarom, spreek met hen, en zeg tot hen: Alzo zegt de Heere HEERE: 6Een ieder man uit het huis 7Israëls, die de drekgoden in zijn hart opzet en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt en 8komt tot den profeet, Ik, de HEERE, 9zal hem, 10als hij komt, antwoorden 11naar de menigte zijner drekgoden;
6 Hebr. Man man, dat is, een ieder. Zie Lev. 15 op vers 2. Alzo vers 7. verwijsteksten
7 Dat is, Juda. Zie Ez. 6 op vers 2. Versta de Joden die daar in Chaldea woonden. verwijsteksten
8 Te weten om door hem God raad te vragen.
9 Of: heb hem geantwoord.
10 Anders: in dien tijd.
11 Dat is, Ik zal hun antwoorden, niet wat zij gaarne horen zouden, maar gelijk hun grote en menigerlei afgoderij verdiend heeft. Anders: van de menigte zijner drekgoden, dat is, Ik zal hun anders niet antwoorden, dan wat aangaat eensdeels de menigvuldigheid hunner afgoderij, anderdeels de straffen die zij daardoor verdiend hebben.
 
5 Opdat Ik het huis Israëls 12in hun hart grijpe, dewijl zij allen door hun drekgoden van Mij vervreemd zijn.
12 Dat is, Ik zal hun zo antwoorden, dat Ik in het licht brengen zal wat in hun hart verborgen was. Want zij willen zich als godvruchtigen uitgeven, als zij komen om Mij raad te vragen, maar Ik zal met Mijn antwoord ontdekken de goddeloosheid die in hun hart schuilt.
 
6 Daarom, zeg tot het huis Israëls: Alzo zegt de Heere HEERE: Bekeert u, en keert u af van uw drekgoden, en keert uw 13aangezichten af van 14al uw gruwelen.
13 Versta onder dit woord ook de harten, zonder welker afkering de aangezichten kwalijk afgekeerd kunnen worden. Dit is het tegendeel van den aanstoot recht voor zijn aangezicht te stellen, vers 3. verwijsteksten
14 Dat is, niet alleen van uw afgoderij en zonden begaan tegen de eerste tafel, maar ook van al uw schelmerijen bedreven tegen de tweede tafel der wet.
 
7 Want 15ieder man uit het huis Israëls, en uit 16den vreemdeling die in Israël verkeert, die zich van achter Mij afscheidt, en zet zijn drekgoden op in zijn hart, en 17stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid voor zijn aangezicht, en komt tot den profeet 18om Mij door hem te vragen: Ik ben de HEERE, hem zal geantwoord worden 19door Mij;
15 Hebr. man man, als vers 4. verwijsteksten
16 Dat is, den Jodengenoot, die zodanig geworden was, óf tevoren in Judea, óf daarna in Chaldea, hebbende aangenomen de religie der Joden, met de onderhouding van haar ceremoniën. Zie van zulke vreemdelingen Lev. 17:8; 25:35. verwijsteksten
17 Zie op vers 4. verwijsteksten
18 Anders: om aan of van hem Mij aangaande te vragen.
19 Dat is, niet alleen door den profeet dien hij vraagt, maar door of van Mijzelven, Die hem antwoorden zal, niet zozeer met woorden, als met slagen en straffen, gelijk de volgende woorden uitwijzen.
 
8 En Ik 20zal Mijn aangezicht tegen dienzelven man zetten, en zal hem stellen tot 21een bteken en 22tot spreekwoorden, en zal hem 23uitroeien uit het midden Mijns volks; en gijlieden zult weten dat Ik de HEERE ben.
20 Zie Lev. 17 op vers 10. verwijsteksten
21 Te weten van Mijn rechtvaardige wraak tegen de huichelaars. Want Ik zal met die in het straffen zo vreselijk en zeldzamelijk omgaan, dat een ieder daarover verschrikt zal zijn, als over een openbaar teken Mijner wraak, een ieder van Mij voorgesteld tot zijn waarschuwing. Vgl. Deut. 28:46. Anders: zal hem verwoesten tot een teken, dat is, dat hij tot een teken zij, enz. verwijsteksten
b Deut. 28:37. Ez. 5:15. verwijsteksten
22 Zie Deut. 28 op vers 37. Insgelijks Job 17 op vers 6. Zie ook 1 Kon. 9:7, 8. 2 Kron. 7:20, 21. Ps. 44:14, 15; 69:12. Jer. 24:9. Hab. 2:6. verwijsteksten
23 Zie Lev. 20 op vers 3. verwijsteksten
 
9 Als nu een profeet c24overreed zal zijn en 25iets gesproken zal hebben, Ik, de HEERE, heb dienzelven profeet 26overreed, en Ik zal 27Mijn dhand tegen hem uitstrekken en zal hem verdelgen uit het midden van Mijn volk Israël.
c Ez. 13:1, 2, enz. verwijsteksten
24 Te weten van de hypocrieten, die hun raad vragen en begeren dat hun wat goeds geprofeteerd wordt. Zie van het Hebreeuwse woord Richt. 14 op vers 15. verwijsteksten
25 Te weten dat de vrager gaarne hoort, maar vals is.
26 Te weten niet met den profeet enig kwaad in te geven, maar met de hypocrisie des vragers door des profeten lichtvaardigheid en gierigheid, die van den profeet en den satan komen, rechtvaardiglijk te straffen. Vgl. 2 Sam. 12:12. 1 Kon. 12:15; 22:22. Jer. 4:10 met de aantt. Insgelijks 2 Thess. 2:11, 12. verwijsteksten
27 Te weten tegen dien profeet, om hem te straffen. Alzo vers 13. Ex. 7:5. Jes. 5:25. Jer. 15:6. Ez. 25:7, enz. verwijsteksten
d Ez. 13:9. verwijsteksten
 
10 En zij zullen 28hun ongerechtigheid dragen; gelijk de ongerechtigheid des vragers zal zijn, alzo zal zijn de ongerechtigheid des profeten;
28 Het Hebreeuwse woord betekent hier de straf, die door de ongerechtigheid en misdaad verdiend is. Zie Lev. 5 op vers 1. verwijsteksten
 
11 Opdat het huis Israëls niet meer van achter Mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen met al hun 29overtredingen; alsdan zullen zij Mij 30tot een volk zijn, en Ik zal hun 31tot een God zijn, spreekt de Heere HEERE.
29 Dewelke meermaals onreinheden in de Heilige Schrift genaamd worden, als Ezra 9:11. Ez. 24:13; 36:17; 39:24. 1 Thess. 4:7. Jak. 1:21. verwijsteksten
30 Zie Lev. 26:12. verwijsteksten
31 Zie Gen. 17 op vers 7. verwijsteksten
 
Het oordeel onafwendbaar
12 Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
13 Mensenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, 32zwaarlijk overtredende, zo zal Ik Mijn hand daartegen uitstrekken en zal hetzelve 33den estaf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit mensen en beesten uitroeie;
32 Hebr. overtreding overtredende, dat is, overtreding begaande.
33 Zie Lev. 26 op vers 26. verwijsteksten
e Lev. 26:26. Ez. 4:16; 5:16. verwijsteksten
 
14 Ofschoon deze drie mannen, 34Noach, Daniël en Job, in het midden van hetzelve waren, zij zouden door 35hun gerechtigheid 36alleen hun 37ziel bevrijden, spreekt de Heere HEERE.
34 Hij noemt deze drie personen, omdat zij Hem onder anderen aangenaam geweest waren en grote weldaden van Hem ontvangen hadden. Vgl. Jer. 15:1. verwijsteksten
35 Te weten aangezien en gewaardeerd in den Middelaar Christus, Wiens volmaakte gerechtigheid de onvolmaaktheid, die in aller vromen gerechtigheid is, wegneemt of toedekt, zodat zij met zegening uit genade beloond wordt.
36 Dat dit woord hier ingevoegd moet zijn, is af te leiden uit de volgende vss. 16, 18. verwijsteksten
37 Dat is, hun leven uit het gemene verderf des lands vrijhouden.
 
15 Zo Ik 38het boos gedierte maak door het land door te gaan, hetwelk dat van kinderen berove, zodat het woest worde, 39dat er niemand doorga, vanwege het gedierte;
38 Deze plaag wordt het zondige volk gedreigd, Lev. 26:22. Ez. 5:17, en dadelijk toegezonden, 2 Kon. 17:25. verwijsteksten
39 Hebr. zonder doorganger.
 
16 Die drie mannen in het midden van hetzelve zijnde, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij zonen en zo zij dochteren 40bevrijden zouden! 41Zij zelven alleen zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden.
40 Versta dat zij hen niet redden zouden; gelijk de volgende woorden uitwijzen; en vgl. het volgende 18de vers.
41 Hier wordt gesproken van een onwederroepelijk vonnis Gods over de gruwelijke hardnekkigheid en ondankbaarheid des volks, en dat naar Zijn rechtvaardig oordeel. Zie vers 23. verwijsteksten
 
17 Of als Ik 42het zwaard breng over datzelve land, en zeg: 43Zwaard, ga door, door dat land, zodat Ik daarvan uitroeie mensen en beesten;
42 Dat is, de oorlog. Zie Lev. 26 op vers 6. verwijsteksten
43 God spreekt de levenloze en onvernuftige schepselen toe alsof zij leefden en verstand hadden, om te tonen Zijn almogendheid en de heerschappij die Hij over alle dingen heeft, en dat er niets geschiedt in enige dingen, hoe groot of klein zij mogen zijn, bijgeval, maar alles door Zijn overaltegenwoordige voorzienigheid. Vgl. Deut. 4 op vers 26. verwijsteksten
 
18 Ofschoon die drie mannen in het midden van hetzelve waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zelven alleen zouden bevrijd worden.
19 Of als Ik de pestilentie in datzelve land zend, en Mijn grimmigheid daarover 44met bloed 45uitgiet, om daarvan mensen en beesten uit te roeien;
44 Dat is, met het doden en ombrengen van vele mensen en beesten. Want bloed wordt voor doding, doodslag, moord dikwijls genomen. Zie Gen. 37 op vers 26. Zie van de slachting die God door Zijn engel gedaan heeft, 2 Sam. 24:15, 16. verwijsteksten
45 Zie Ez. 7 op vers 8. verwijsteksten
 
20 Ofschoon Noach, Daniël en Job in het midden van hetzelve waren, zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE, zo zij een zoon of zo zij een dochter 46zouden bevrijden! Zij zouden alleen hun ziel 47door hun gerechtigheid bevrijden.
46 Hij wil zeggen: Neen zij. Zie op vers 16. verwijsteksten
47 Zie vers 14. verwijsteksten
 
21 Want alzo zegt de Heere HEERE: 48Hoeveel te meer als Ik Mijn vier 49boze gerichten, het zwaard en den honger en het boze gedierte en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit mensen en beesten uit te roeien!
48 De zin is: Indien de voorgenoemde mannen in het leven zijnde, als Ik een land maar met één plaag straf, zichzelven alleen van de straf zouden kunnen vrijhouden, hoeveel te meer zouden zij voor zichzelven alleen dat kunnen doen, als God vier plagen over Jeruzalem tegelijk zenden zou. Anders: Hoeveel te min, te weten zouden zij het volk kunnen bevrijden, wanneer God vier plagen over hen zendt.
49 Of: oordelen, dat is, straffen of plagen. Zie Ex. 6:5; 7:4, en de aantt. Vgl. 2 Kron. 20:12. Boos of kwaad worden zij genaamd, omdat zij den mens zwaar, pijnlijk en zeer schadelijk vallen. Zie ook van vier soorten der plagen, genaamd geslachten, hoewel van deze ten dele onderscheiden, Jer. 15:3. verwijsteksten
 
22 Doch zie, 50daarin zullen 51ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; zie, zij zullen tot 52ulieden 53uitkomen, en gij zult hun 54weg zien en hun handelingen; en gij zult 55vertroost worden over het kwaad dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.
50 Dat is, in Jeruzalem.
51 Hebr. een ontkoming, dat is, die het verderf van de vier voorgemelde plagen ontkomen zullen. Ontkoming voor ontkomenen, als 2 Kon. 19:30. 1 Kron. 4:43. Alzo het overblijfsel voor overgeblevenen, 2 Kron. 36:20, gevangenis voor gevangenen, Num. 31:12. verwijsteksten
52 Die hier in Chaldea woont.
53 Te weten uit Jeruzalem en Judea, herwaarts naar Babel gevankelijk gevoerd zijnde.
54 Dat is, manier van doen, zeden, leven en wandel; waaruit gij zult kunnen bemerken wat het voor een volk is, namelijk gans verkeerd en verdorven.
55 Te weten niet met woorden die gij van hen horen zult, maar met de ellende, boosheid en smaadheid, die gij aanzien zult. Want gij zult daaruit merken dat God meer dan reden heeft gehad om hen aldus te straffen, zodat gij u over Zijn oordelen tevreden zult houden.
 
23 Zo zullen zij u vertroosten, als gij hun weg en hun handelingen zien zult; en gij zult weten dat Ik niet zonder oorzaak gedaan heb, al wat Ik 56in haar gedaan heb, spreekt de Heere HEERE.
56 Of: aan, met, of tegen haar, te weten Jeruzalem.

Einde Ezechiël 14