Statenvertaling.nl

sample header image

Jeremia 51 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jeremia 51

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Babels eeuwige ondergang
1 ZO zegt de HEERE: Zie, Ik zal een verdervenden awind opwekken tegen Babel, en tegen degenen die daar wonen in het hart van degenen die tegen Mij opstaan. a Jer. 4:11. verwijsteksten
2 En Ik zal Babel bwanners toeschikken, die haar wannen en haar land uitledigen zullen; want zij zullen ten dage des kwaads van rondom tegen haar zijn. b Jer. 4:11; 15:7. verwijsteksten
3 De schutter spanne zijn boog tegen dien die spant, en tegen dien die zich verheft in zijn pantsier; en verschoont haar jongelingen niet, verbant al haar heir;
4 Dat de verslagenen liggen in het land der Chaldeeën, en de doorstokenen op haar cstraten. c Jer. 49:26. verwijsteksten
5 Want Israël noch Juda zal in weduwschap gelaten worden van zijn God, van den HEERE der heirscharen (hoewel hunlieder land vol van schuld is), van den Heilige Israëls.
6 dVliedt uit het midden van Babel en redt een iegelijk zijn ziel; wordt niet uitgeroeid in haar ongerechtigheid; want dit is de tijd der ewrake des HEEREN, Die haar de verdienste betaalt. d Jer. 50:8. Openb. 18:4. e Jer. 50:15, 28. verwijsteksten
7 Babel was een gouden beker in de hand des HEEREN, die de ganse aarde dronken maakte; de volken hebben van haar wijn gedronken, daarom zijn de volken dol geworden.
8 Schielijk is Babel fgevallen en verbroken; huilt over haar, neemt gbalsem tot haar pijn, misschien zal zij genezen worden. f Jes. 21:9. Openb. 14:8; 18:2. g Jer. 8:22. verwijsteksten
9 Wij hebben Babel gemeesterd, maar zij is niet genezen; hverlaat haar dan, en laat ons een iegelijk in zijn land trekken; want haar oordeel reikt tot aan den hemel en is verheven tot aan de bovenste wolken. h Jer. 46:11. verwijsteksten
10 De HEERE heeft onze gerechtigheden hervoorgebracht; komt en laat ons te Sion het werk des HEEREN onzes Gods vertellen.
11 iZuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; de HEERE heeft den geest der koningen van Medië opgewekt; want Zijn voornemen is tegen Babel, dat Hij haar verderve; want dit is de wraak des HEEREN, de kwraak Zijns tempels. i Jer. 46:4. k Jer. 50:28. verwijsteksten
12 Verheft de banier op de muren van Babel, versterkt de wacht, stelt wachters, bereidt de lagen; want gelijk de HEERE heeft voorgenomen, alzo heeft Hij gedaan wat Hij over de inwoners van Babel gesproken heeft.
13 Gij die aan vele wateren woont, die machtig zijt van schatten: uw einde is gekomen, de maat uwer gierigheid.
14 lDe HEERE der heirscharen heeft gezworen bij Zijn ziel: Ofschoon Ik u met mensen als met kevers vervuld heb, nochtans zullen zij elkander een vreugdegeschrei over u toeroepen. l Amos 6:8. verwijsteksten
15 Die de maarde gemaakt heeft door Zijn kracht, Die de wereld bereid heeft door Zijn wijsheid, en den hemel nuitgebreid door Zijn verstand; m Gen. 1:1. Jer. 10:12, enz. n Job 9:8. Ps. 104:2. Jes. 40:22; 44:24; 51:13. Jer. 10:12. verwijsteksten
16 Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.
17 Een ieder mens is onvernuftig geworden, zodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en er is geen geest in hen.
18 IJdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
19 Jakobs oDeel is niet gelijk die; want Hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede Zijner erfenis; HEERE der heirscharen is Zijn Naam. o Jer. 10:16. verwijsteksten
20 Gij zijt Mij peen voorhamer en krijgswapenen; en door u zal Ik volken in stukken slaan, en door u zal Ik koninkrijken verderven. p Jer. 50:23. verwijsteksten
21 En door u zal Ik in stukken slaan het paard en zijn ruiter; en door u zal Ik in stukken slaan den wagen en zijn ruiter.
22 En door u zal Ik in stukken slaan den man en de vrouw; en door u zal Ik in stukken slaan den oude en den jonge; en door u zal Ik in stukken slaan den jongeling en de jonkvrouw.
23 En door u zal Ik in stukken slaan den herder en zijn kudde; en door u zal Ik in stukken slaan den akkerman en zijn juk ossen; en door u zal Ik in stukken slaan landvoogden en overheden.
24 Maar Ik zal Babel en allen inwoners van Chaldéa vergelden al hun boosheid die zij gedaan hebben aan Sion, voor ulieder ogen, spreekt de HEERE.
25 Zie, Ik wil aan u, gij verdervende berg (spreekt de HEERE), gij die de ganse aarde verderft; en Ik zal Mijn hand tegen u uitstrekken en u van de steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot een berg des brands.
26 En zij zullen uit u geen steen nemen tot een hoek, ook geen steen tot fundamenten; want gij zult tot eeuwige woestheden zijn, spreekt de HEERE.
27 Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligt de heidenen tegen haar, roept tegen haar bijeen de koninkrijken van Ararát, Minni en Askenaz; bestelt een krijgsoverste tegen haar, brengt paarden opwaarts als ruige kevers.
28 Heiligt tegen haar de heidenen, de koningen van Medië, haar landvoogden en al haar overheden, ja, het ganse land harer heerschappij.
29 Dan zal het land beven en pijn lijden; want elkeen van des HEEREN gedachten staat vast tegen Babel, om Babels land te stellen tot een verwoesting, dat er geen inwoner zij.
30 Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hun macht is bezweken, zij zijn tot qvrouwen geworden. Zij hebben haar woningen aangestoken, haar grendels zijn verbroken. q Jer. 50:37. verwijsteksten
31 De loper zal den loper tegemoet lopen en de kondschapper den kondschapper tegemoet, om den koning van Babel bekend te maken dat zijn stad van het einde is ingenomen;
32 En dat de veren ingenomen en de rietpoelen met vuur verbrand zijn, en dat de krijgslieden verbaasd zijn.
33 Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: De dochter van Babel is als een dorsvloer, het is tijd dat men ze trede; nog een weinig, dan zal haar de tijd des oogstes overkomen.
34 Nebukadrézar, de koning van Babel, heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij heeft mij gesteld als een ledig vat, hij heeft mij verslonden als een draak, hij heeft zijn balg gevuld van mijn lekkernijen; hij heeft mij verdreven.
35 Het geweld dat mij en mijn vlees is aangedaan, zij op Babel, zegge de inwoneres van Sion; en mijn bloed zij op de inwoners van Chaldéa, zegge Jeruzalem.
36 Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik zal uw twist twisten en uw wraak wreken, en Ik zal haar rzee droogmaken en haar springader opdrogen. r Jer. 50:38. verwijsteksten
37 En Babel zal worden tot steenhopen, een woning der draken, een ontzetting en aanfluiting, dat er geen inwoner zij.
38 Zij zullen tezamen brullen als jonge leeuwen, briesen als leeuwenwelpen.
39 Als zij verhit zijn, zal Ik hun drank opzetten en zal hen dronken maken, opdat zij opspringen; maar zij zullen een eeuwigen slaap slapen en niet opwaken, spreekt de HEERE.
40 Ik zal hen afvoeren als lammeren om te slachten, als rammen met bokken.
41 Hoe is sSesach zo veroverd, en de troem der ganse aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot een ontzetting onder de heidenen! s Jer. 25:26. t Jes. 13:19. verwijsteksten
42 Een zee is over Babel gerezen, door de veelheid harer golven is zij bedekt.
43 Haar steden zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis; een land waarin niemand woont, en waar geen mensenkind doorgaat.
44 En Ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen wat hij verslonden heeft, en de heidenen zullen niet meer tot hem toevloeien; want ook Babels muur is gevallen.
45 Gaat uit, Mijn volk, uit het midden van haar, en redt een iegelijk zijn ziel, vanwege de hittigheid van den toorn des HEEREN,
46 En opdat ulieder hart misschien niet week worde, en gij vreest van het gerucht dat gehoord zal worden in het land; want er zal een gerucht komen in het ene jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar; en er zal geweld zijn in het land, heer over heer.
47 Daarom, zie, de dagen komen, dat Ik bezoeking zal doen over de gesneden beelden van Babel, en haar ganse land zal beschaamd worden; en al haar verslagenen zullen in het midden van haar liggen.
48 En de hemel en de aarde, mitsgaders al wat daarin is, zullen juichen over Babel; want van het noorden zullen haar de verstoorders aankomen, spreekt de HEERE.
49 Gelijk Babel geweest is tot een val der verslagenen van Israël, alzo zullen te Babel de verslagenen des gansen lands vallen.
50 Gij ontkomenen van het zwaard, gaat weg, blijft niet staan; gedenkt des HEEREN van verre, en laat Jeruzalem in ulieder hart opkomen.
51 Gij mocht zeggen: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben versmaadheid gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezicht bedekt; omdat uitlandsen over de heiligdommen van des HEEREN huis gekomen zijn;
52 Daarom, zie, de dagen komen, spreekt de HEERE, dat Ik bezoeking doen zal over haar gesneden beelden; en de dodelijk verwonde zal kermen in haar ganse land.
53 Al klom Babel ten hemel op, en al maakte zij vast de hoogte harer sterkte, zo zullen haar toch verstoorders van Mij overkomen, spreekt de HEERE.
54 Er is een stem des gekrijts uit Babel, en een grote breuk uit het land der Chaldeeën.
55 Want de HEERE verstoort Babel en zal de grootse stem uit haar doen vergaan; want hunlieder golven zullen bruisen als grote wateren, het geruis van hunlieder geluid zal zich verheffen.
56 Want de verstoorder komt over haar, over Babel, en haar helden zullen gevangen worden; hunlieder bogen zijn verbroken; want de HEERE, de God der vergelding, zal haar zekerlijk betalen.
57 En Ik zal haar vorsten en haar wijzen, haar landvoogden en haar overheden, en haar helden dronken maken; en zij zullen een eeuwigen slaap slapen en niet opwaken, spreekt de Koning, Wiens Naam is HEERE der heirscharen.
58 Zo zegt de HEERE der heirscharen: De brede muur van Babel zal ten enenmale ontbloot worden, en haar hoge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zodat de volken tevergeefs, en de natiën ten vure zullen gearbeid hebben, dat zij mat werden.
59 Het woord dat de profeet Jeremía beval aan Serája, den zoon van Neríja, den zoon van Machséja, als hij van Zedekía, den koning van Juda, naar Babel toog, in het vierde jaar zijner regering; en Serája was een vreedzaam vorst.
60 Jeremía nu schreef al het kwaad dat over Babel komen zou, in een boek, te weten al deze woorden die tegen Babel geschreven zijn.
61 En Jeremía zeide tot Serája: Als gij te Babel komt, zo zult gij zien en lezen al deze woorden,
62 En zult zeggen: O HEERE, Gij hebt over deze plaats gesproken dat Gij ze zult uitroeien, zodat er geen inwoner in zij, van den mens tot op het beest, maar dat zij worden zal tot eeuwige woestheden.
63 En het zal geschieden als gij geëindigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult gij een steen daaraan binden en werpen het in het midden van den Frath,
64 En zult zeggen: Alzo zal Babel zinken en niet weder opkomen, vanwege het kwaad dat Ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden.
Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremía.

Einde Jeremia 51