Statenvertaling.nl

sample header image

Jeremia 5 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jeremia 5

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Is er één die recht doet?
1 GAAT om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe en verneemt en zoekt op haar straten, of gij iemand vindt, of er één is die recht doet, die waarheid zoekt; zo zal Ik haar genadig zijn.
2 En of zij al zeggen: Zo waarachtig als de HEERE leeft; zo zweren zij toch valselijk.
3 O HEERE, zien Uw ogen niet naar waarheid? Gij hebt hen ageslagen, maar zij hebben geen pijn gevoeld; Gij hebt hen verteerd, maar zij hebben geweigerd de btucht aan te nemen; zij hebben hun aangezichten harder gemaakt dan een steenrots, zij hebben geweigerd zich te bekeren. a Jes. 1:5; 9:12. Jer. 2:30. b Jer. 2:30. verwijsteksten
4 Doch ik zeide: Zekerlijk, dezen zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij den weg des HEEREN, het recht huns Gods, niet weten.
5 Ik zal gaan tot de groten en met hen spreken, want die weten den weg des HEEREN, het recht huns Gods; maar zij hadden tezamen het juk verbroken en de banden verscheurd.
6 Daarom heeft hen een cleeuw uit het woud verslagen, een wolf der wildernissen zal hen verwoesten, een luipaard waakt tegen hun steden; al wie uit dezelve uitgaat, zal verscheurd worden; want hun overtredingen zijn vermenigvuldigd, hun afkeringen zijn machtig veel geworden. c Jer. 4:7. verwijsteksten
7 Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis.
8 Als welgevoederde hengsten dzijn zij vroeg op; zij hunkeren een iegelijk naar zijns naasten huisvrouw. d Ez. 22:11. verwijsteksten
9 eZou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt de HEERE. Of zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is? e vers 29. Jer. 9:9. verwijsteksten
10 Beklimt haar muren en verderft ze (doch maakt fgeen voleinding); doet haar spitsen weg, want zij zijn des HEEREN niet. f Jer. 4:27. verwijsteksten
11 Want het huis van Israël en het huis van Juda hebben gans gtrouwelooslijk tegen Mij gehandeld, spreekt de HEERE. g Jer. 3:20. verwijsteksten
12 Zij verloochenen den HEERE en zeggen: Hij is het niet, en ons hzal geen kwaad overkomen, wij zullen noch zwaard noch honger zien; h Jes. 28:15. verwijsteksten
13 Ja, die profeten zullen tot wind worden, want het woord is niet bij hen; hunzelven zal zo geschieden.
14 Daarom zegt de HEERE, de God der heirscharen, alzo: Omdat gijlieden dit woord spreekt, zie, Ik zal iMijn woorden in uw mond tot vuur maken en dit volk tot hout, en het zal hen verteren. i Jer. 1:9. verwijsteksten
15 Zie, Ik zal over ulieden een volk van kverre brengen, o huis Israëls, spreekt de HEERE; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk welks spraak gij niet zult kennen, en niet horen wat het spreken zal. k Deut. 28:49. Jer. 1:15; 6:22. verwijsteksten
16 Zijn pijlkoker is als een open graf; zij zijn altemaal helden.
17 En het zal uw loogst en uw brood opeten, dat uw zonen en uw dochters zouden eten; het zal uw schapen en uw runderen opeten; het zal uw wijnstok en uw vijgenboom opeten; uw vaste steden, op dewelke gij vertrouwt, zal het arm maken door het zwaard. l Lev. 26:16. Deut. 28:31, 33. verwijsteksten
18 Nochtans zal Ik ook in die dagen, spreekt de HEERE, mgeen voleinding met ulieden maken. m Jer. 4:27. verwijsteksten
19 En het zal geschieden wanneer gij zult zeggen: nWaarom heeft ons de HEERE onze God al deze dingen gedaan? dat gij tot hen zeggen zult: Gelijk als gijlieden Mij hebt verlaten en vreemde goden in uw land gediend, alzo zult gij de uitlandsen dienen, in een land dat uwe niet is. n Jer. 16:10. verwijsteksten
20 Verkondigt dit in het huis Jakobs, en laat het horen in Juda, zeggende:
21 oHoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk; die ogen hebben, maar zien niet, die oren hebben, maar horen niet. o Jes. 6:9. verwijsteksten
22 Zult gijlieden Mij niet vrezen? spreekt de HEERE; zult gij voor Mijn aangezicht niet beven? Ik, Die der zee het zand tot een ppaal gesteld heb met een eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan; ofschoon haar golven zich bewegen, zo zullen zij toch niet vermogen, ofschoon zij bruisen, zo zullen zij toch daarover niet gaan. p Job 38:10, 11. Ps. 33:7; 104:9. verwijsteksten
23 Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig hart; zij zijn afgevallen en heengegaan;
24 En zij zeggen niet in hun hart: Laat ons nu den HEERE onzen God vrezen, Die den regen geeft, qzo vroegen regen als spaden regen, op zijn tijd; Die ons de weken, de gezette tijden van den oogst bewaart. q Deut. 11:14. verwijsteksten
25 Uw ongerechtigheden wenden die dingen af, en uw zonden weren dat goede van ulieden.
26 Want onder Mijn volk worden goddelozen gevonden; een ieder van hen loert gelijk zich de vogelvangers schikken; zij zetten een verderfelijken strik, zij vangen de mensen.
27 Gelijk een kouw vol is van gevogelte, alzo zijn hun huizen vol van bedrog; daarom zijn zij groot en rijk geworden.
28 rZij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan zij te boven; de srechtszaak richten zij niet, zelfs de rechtszaak des wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht der nooddruftigen niet. r Deut. 32:15. s Jes. 1:23. Zach. 7:10. verwijsteksten
29 tZou Ik over die dingen geen bezoeking doen? spreekt de HEERE; zou Mijn ziel zich niet wreken aan zulk een volk als dit is? t vers 9. Jer. 9:9. verwijsteksten
30 Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land.
31 De profeten profeteren vvalselijk en de priesters heersen door hun handen, en Mijn volk heeft het gaarne alzo; maar wat zult gij ten einde van dien maken? v Jer. 14:18; 23:25, 26. Ez. 13:6. verwijsteksten

Einde Jeremia 5