Statenvertaling.nl

sample header image

Jeremia 42 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jeremia 42

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

In Egypte wacht ondergang
1 TOEN traden toe alle oversten der heiren, Jóhanan, de zoon van Karéah, en Jezánja, de zoon van Hosája, en al het volk, van den kleinste tot den grootste toe,
2 En zeiden tot den profeet Jeremía: Laat toch onze smeking voor uw aangezicht nedervallen, en bid voor ons tot den HEERE uw God, voor dit ganse overblijfsel; want wij zijn weinigen van velen overgelaten, gelijk als uw ogen ons zien;
3 Dat ons de HEERE uw God bekendmake den weg dien wij zullen ingaan, en de zaak die wij zullen doen.
4 En de profeet Jeremía zeide tot hen: Ik heb het gehoord; zie, ik zal tot den HEERE uw God bidden naar uw woorden; en het zal geschieden, het ganse woord dat de HEERE u zal antwoorden, zal ik u bekendmaken, ik zal u niet één woord onthouden.
5 Toen zeiden zij tot Jeremía: De HEERE zij tussen ons tot een waarachtig en gewis Getuige: indien wij niet naar alle woord met hetwelk u de HEERE uw God tot ons zal zenden, alzo zullen doen!
6 Hetzij dan goed of kwaad, wij zullen der stem des HEEREN onzes Gods, tot Welken wij u zenden, gehoorzaam zijn; aopdat het ons welga, wanneer wij der stem des HEEREN onzes Gods zullen gehoorzaam zijn. a Jer. 7:23. verwijsteksten
7 En het gebeurde ten einde van tien dagen, dat des HEEREN woord tot Jeremía geschiedde.
8 Toen riep hij Jóhanan, den zoon van Karéah, en alle oversten der heiren, die met hem waren, en al het volk, van den kleinste af tot den grootste toe.
9 En hij zeide tot hen: Zo zegt de HEERE, de God Israëls, tot Welken gij mij gezonden hebt om uw smeking voor Zijn aangezicht neder te werpen:
10 Indien gijlieden in dit land zult blijven wonen, zo zal Ik u bbouwen en niet afbreken, en u planten en niet uitrukken; want Ik heb berouw over het kwaad dat Ik u aangedaan heb. b Jer. 24:6; 31:4; 33:7. verwijsteksten
11 Vreest niet voor het aangezicht des konings van Babel, voor wiens aangezicht gij vreest; vreest niet voor hem, spreekt de HEERE; want Ik zal met u zijn om u te behouden en u van zijn hand te redden.
12 En Ik zal ulieden barmhartigheid geven, dat hij zich uwer erbarme, en u weder in uw land brenge.
13 Maar zo gijlieden zult zeggen: Wij zullen in dit land niet blijven; opdat gij der stem des HEEREN uws Gods niet gehoorzaam zijt,
14 Zeggende: Neen, maar wij zullen gaan in Egypteland, alwaar wij geen krijg zullen zien, noch het geluid der bazuin horen, noch naar brood hongeren, en daar zullen wij blijven;
15 Nu dan, daarom, hoort des HEEREN woord, gij overblijfsel van Juda. Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Indien gij ganselijk uw aangezichten zult stellen om in Egypte te gaan, en zult henen ingaan om aldaar als vreemdelingen te verkeren,
16 Zo zal het geschieden dat het zwaard waar gij voor vreest, u aldaar in Egypteland zal achterhalen; en de honger waar gij voor zorgt, zal u aldaar in Egypte achteraankleven, en gij zult aldaar sterven.
17 Zo zullen al de mannen zijn die hun aangezichten stellen om in Egypte te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren; zij zullen sterven door het zwaard, door den honger en door de pestilentie; en zij zullen niemand hebben die overblijve of ontkome van het kwaad dat Ik over hen zal brengen.
18 Want zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Gelijk als Mijn toorn en Mijn grimmigheid is cuitgestort over de inwoners van Jeruzalem, alzo zal Mijn grimmigheid over ulieden uitgestort worden, als gij in Egypte zult gekomen zijn; en gij zult wezen dtot een vervloeking, en tot een eontzetting, en tot een fvloek, en tot gsmaadheid, en zult deze plaats niet meer zien. c Jer. 7:20. d Jes. 65:15. e Jer. 18:16; 19:8; 25:9; 29:18. f Jer. 24:9; 25:18; 26:6; 29:18. g Jer. 24:9; 29:18. verwijsteksten
19 De HEERE heeft tegen ulieden gesproken, gij overblijfsel van Juda; gaat niet in Egypte; weet zekerlijk dat ik heden tegen u betuigd heb.
20 Gewisselijk, gij hebt uw zielen verleid, want gij hebt mij tot den HEERE uw God gezonden, zeggende: Bid voor ons tot den HEERE onzen God, en naar alles wat de HEERE onze God zal zeggen, alzo maak het ons bekend, en wij zullen het doen.
21 Nu heb ik het u heden bekendgemaakt; maar gij hebt niet gehoord naar de stem des HEEREN uws Gods, noch naar al hetgeen met hetwelk Hij mij tot u gezonden heeft.
22 Zo weet nu zekerlijk dat gij door het zwaard, door den honger en door de pestilentie sterven zult, ter plaatse waar het u gelust heeft heen te gaan om aldaar als vreemdelingen te verkeren.

Einde Jeremia 42