Statenvertaling.nl

sample header image

Jeremia 39 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jeremia 39

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Jeruzalem ingenomen
1 IN het anegende jaar van Zedekía, koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrézar, de koning van Babel, en al zijn heir tegen Jeruzalem, en zij belegerden haar. a 2 Kon. 25:1. Jer. 52:4. verwijsteksten
2 In het elfde jaar van Zedekía, in de vierde maand, op den negende der maand, werd de stad doorgebroken.
3 En alle vorsten des konings van Babel togen henen in en hielden stil bij de middelste poort; namelijk Nergal-Sarézer Samgar-Nebu, Sársechim Ráb-Sarîs, Nergal-Sarézer Rab-Mag, en al de overige vorsten des konings van Babel.
4 En het geschiedde als Zedekía, de koning van Juda, en al de krijgslieden hen zagen, zo vloden zij en togen bij nacht uit de stad, door den weg van des konings hof, door de poort tussen de twee muren; en hij toog uit door den weg des vlakken velds.
5 Doch het heir der Chaldeeën jaagde hen achterna; en zij achterhaalden Zedekía in de vlakke velden van Jericho, en vingen hem en brachten hem opwaarts tot Nebukadnézar, den koning van Babel, naar Ribla in het land van Hamath; die sprak oordelen tegen hem uit.
6 En de koning van Babel slachtte de zonen van Zedekía te Ribla voor zijn ogen; ook slachtte de koning van Babel alle edelen van Juda.
7 En hij verblindde de ogen van Zedekía, en bond hem met twee koperen ketenen om hem naar Babel te voeren.
8 En de Chaldeeën verbrandden het huis des konings en de huizen des volks met vuur, en zij braken de muren van Jeruzalem af.
9 Het overige nu des volks, die in de stad waren overgebleven, en de afvalligen, die tot hem gevallen waren, met het overige des volks, die overgebleven waren, voerde Nebuzáradan, de overste der trawanten, gevankelijk naar Babel.
10 Maar van het volk die arm waren, die niet met al hadden, liet Nebuzáradan, de overste der trawanten, enigen over in het land van Juda; en hij gaf hun te dien dage wijngaarden en akkers.
11 Maar van Jeremía had Nebukadrézar, de koning van Babel, bevel gegeven in de hand van Nebuzáradan, den overste der trawanten, zeggende:
12 Neem hem en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe alzo met hem.
13 Zo zond Nebuzáradan, de overste der trawanten, mitsgaders Nebuschazban Ráb-Sarîs en Nergal-Sarézer Rab-Mag, en al de oversten des konings van Babel;
14 Zij zonden dan heen en namen Jeremía uit het voorhof der bewaring, en gaven hem over aan Gedália, den zoon van Ahíkam, den zoon van Safan, dat hij hem henen uitbracht naar huis; alzo bleef hij in het midden des volks.
 
Belofte voor Ebed-Melech
15 Het woord des HEEREN was ook tot Jeremía geschied, als hij in het voorhof der bewaring besloten was, zeggende:
16 Ga heen en spreek tot Ebed-Melech, den Moorman, zeggende: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Zie, Ik zal Mijn woorden brengen over deze stad, ten kwade en niet ten goede; en zij zullen te dien dage voor uw aangezicht zijn.
17 Maar Ik zal u te dien dage redden, spreekt de HEERE; en gij zult niet overgegeven worden in de hand der mannen voor welker aangezicht gij vreest.
18 Want Ik zal u zekerlijk bevrijden en gij zult door het zwaard niet vallen; maar gij zult uw ziel tot een buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de HEERE.

Einde Jeremia 39