Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
Jeremia vergadert, door Gods bevel, de Rechabieten, en nodigt hen tot wijn drinken, vs. 1, enz. Maar zij weigeren hetzelve, vanwege het verbod van hun vader Jonadab, 6. Met welk voorbeeld God Zijn ongehoorzaam en onboetvaardig volk beschaamt en hun het verderf voorzegt, 12. Maar den Rechabieten belooft Hij Zijn zegen, 18. |
De gehoorzaamheid der Rechabieten |
1 HET woord dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, in de dagen van 1Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, zeggende: |
| 1 Zie Jer. 1:3; 21:1; 25:1; 26:1; 27:1, 12; 28:1; 32:1. Uit welker vergelijking blijkt, dat in het bijeenbrengen dezer profetieën niet altijd gezien is op de orde des tijds. Vgl. Jer. 45 op vers 1. Ez. 30 op vers 20. |
| Jer. 1:3 Ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda, totdat voleind werd het elfde jaar van Zedekía, zoon van Josía, koning van Juda; totdat Jeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand. Jer. 21:1 HET woord dat van den HEERE geschied is tot Jeremía, als de koning Zedekía tot hem zond Pashur, den zoon van Malchía, en Zefánja, den zoon van Maäséja, den priester, zeggende: Jer. 25:1 HET woord dat tot Jeremía geschied is over het ganse volk van Juda, in het vierde jaar van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda (dat was het eerste jaar van Nebukadrézar, koning van Babel); Jer. 26:1 IN het begin des koninkrijks van Jójakim, den zoon van Josía, koning van Juda, geschiedde dit woord van den HEERE, zeggende: Jer. 27:1 IN het begin des koninkrijks van Jójakim, zoon van Josía, koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jeremía van den HEERE, zeggende: Jer. 27:12 Daarna sprak ik tot Zedekía, den koning van Juda, naar al deze woorden, zeggende: Brengt uw halzen onder het juk van den koning van Babel, en dient hem en zijn volk, zo zult gij leven. Jer. 28:1 VOORTS geschiedde het in hetzelve jaar, in het begin des koninkrijks van Zedekía, koning van Juda, in het vierde jaar, in de vijfde maand, dat
Hanánja, zoon van Azur, de profeet, die van Gíbeon was, tot mij sprak in het huis des HEEREN, voor de ogen der priesters en des gansen volks, zeggende: Jer. 32:1 HET woord dat tot Jeremía geschied is van den HEERE, in het tiende jaar van Zedekía, koning van Juda; dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadrézar. Jer. 45:1 (kt.) HET woord dat de profeet Jeremía gesproken heeft tot Baruch, den zoon van Neríja, als hij die woorden uit den mond van Jeremía in een boek schreef, in het vierde jaar van Jójakim, den zoon van Josía, den koning van Juda, zeggende: Ez. 30:20 (kt.) Ook gebeurde het in het elfde jaar, in de eerste maand, op den zevende der maand, dat het woord des HEEREN tot mij geschiedde, zeggende: |
|
2 Ga heen tot der Rechabieten 2huis, en spreek met hen, en breng hen in des HEEREN huis, in een der 3kamers, en 4geef hun wijn te drinken. |
| 2 Dat is, de familie of het geslacht der Rechabieten, alzo terstond vers 3. Zie van dezen 1 Kron. 2 op vers 55. |
| vers 3 Toen nam ik Jaäzánja, den zoon van Jeremía, den zoon van Habazinja, mitsgaders zijn broederen en al zijn zonen, en het ganse huis der Rechabieten, 1 Kron. 2:55 (kt.) En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabez woonden, de Tirathieten, de Simathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab. |
| 3 Die aan den tempel waren. Zie 1 Kon. 6 op vers 5. |
| 1 Kon. 6:5 (kt.) En rondom aan den wand van het huis bouwde hij kamers, aan de wanden van het huis rondom, beide
van den tempel en van de aanspraakplaats. Alzo maakte hij zijkamers rondom. |
| 4 Dat is, presenteer, bied, schenk hun, enz. |
|
3 Toen nam ik Jaäzánja, den zoon van Jeremía, den zoon van Habazinja, mitsgaders zijn broederen en al zijn zonen, en het ganse huis der Rechabieten, |
4 En bracht hen in des HEEREN huis, in de kamer der zonen van Hanan, den zoon van Jigdália, den 5man Gods; 6welke is bij de kamer der 7oversten, die daar is boven de kamer van Maäséja, den zoon van Sallum, den dorpelbewaarder. |
| 5 Dat is, profeet. Zie Deut. 33 op vers 1. Richt. 13 op vers 6. Deze omstandigheden dienden om aan de zaak te meer aanzien en geloof te maken bij de hardnekkige Joden. |
| Deut. 33:1 (kt.) DIT nu is de zegen met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israëls gezegend heeft, voor zijn dood. Richt. 13:6 (kt.) Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haar man, zeggende: Er kwam een Man Gods tot mij, Wiens aanzicht was als het aanzicht van een Engel Gods, zeer vreselijk; en ik vraagde Hem niet vanwaar Hij was, en Zijn Naam gaf Hij mij niet te kennen. |
| 6 Te weten kamer. |
| 7 Of: prinsen, dat is, regeerders, versta des tempels of des heiligdoms (zie Jes. 43:28); als daar waren de hoofden der priesters en Levieten, en voornamelijk de hogepriester en de naaste aan hem. Zulke Hebreeuwse woorden worden gebruikt van kerkelijke en politieke diensten. Vgl. Jer. 20 op vers 1; 29:26. Insgelijks Gen. 41 op vers 45. Num. 3:32. 1 Kor. 12:28, enz. |
| Jes. 43:28 Daarom zal Ik de oversten des heiligdoms ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven en
Israël tot beschimpingen. Jer. 20:1 (kt.) ALS Pashur, de zoon van Immer, de priester (deze nu was bestelde voorganger in het huis des HEEREN), Jeremía hoorde, diezelve woorden profeterende, Jer. 29:26 De HEERE heeft u tot priester gesteld in plaats van den priester Jójada, dat gij opzieners zoudt zijn in des HEEREN huis over allen man die onzinnig is en zich voor een profeet uitgeeft, dat gij dien stelt in de gevangenis en in den stok. Gen. 41:45 (kt.) En Farao noemde Jozefs naam Zafnath Paänéah, en gaf hem Asnath, de dochter van Potiféra, overste van On, tot een vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte. Num. 3:32 De overste nu der oversten van Levi zal zijn Eleázar, de zoon van Aäron, de priester; zijn opzicht zal zijn over degenen die de wacht des heiligdoms waarnemen. 1 Kor. 12:28 En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der gezondmakingen, behulpsels, regeringen, menigerlei talen. |
|
5 En ik zette den kinderen van der Rechabieten huis 8koppen vol wijn en bekers 9voor; en ik zeide tot hen: Drinkt wijn. |
| 8 Of: schalen. Het Hebreeuwse woord komt zeer na overeen met een ander, dat een heuvel betekent, en kan derhalve hebben de betekenis van een verheven kop, schaal, of beker, enz. Zie Gen. 44 op vers 2. Het volgende woord betekent ook bekers, of diergelijke drinkvaten, welker onderscheid nu onzeker is. |
| Gen. 44:2 (kt.) En mijn beker, den zilveren beker, zult gij leggen in den mond van den zak des kleinsten, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk hij gesproken had. |
| 9 Hebr. voor het aangezicht der, enz., als Gen. 18:8, enz. |
| Gen. 18:8 En hij nam boter en melk, en het kalf dat hij toegemaakt had, en hij zette het hun voor, en stond bij hen onder dien boom, en zij aten. |
|
6 Maar zij zeiden: Wij 10zullen geen wijn drinken; want Jónadab, de zoon van Rechab, onze 11vader, heeft ons 12geboden, zeggende: Gijlieden zult geen wijn drinken, gij noch uw kinderen, tot in 13eeuwigheid. |
| 10 Dat is, mogen of moeten geen wijn drinken. |
| 11 Dat is, voorvader. Dewijl velen het daarvoor houden dat hij dezelfde is die 2 Kon. 10:15, 23 vermeld wordt; zijnde geweest een zeer godvruchtig, aanzienlijk en zeer vermogend personage, zodat ook Jehu zich in zijn ijver en nieuwen staat door deszelfs gezelschap en tegenwoordigheid heeft willen sterken. Deze Jonadab, naar sommiger gevoelen, wijselijk overdenkende zijn afkomst, en de verdorvenheid die al te dien tijde in zwang was, misschien ook door een profetischen geest voorziende de toekomstige straffen en verwoestingen, heeft zijn nakomelingen door deze particuliere of bijzondere bevelen willen inscherpen dat zij, tevreden zijnde met deze genade dat zij tot de gemeenschap Gods en Zijner kerk waren aangenomen, voor de rest zich zo ingetogen, nederig en eenvoudig zouden gedragen, dat zij (als vreemdelingen in Israël, afkomstig van Jethro, Mozes’ schoonvader) den Israëlieten niet onaangenaam of aanstotelijk zouden kunnen worden, gelijk vreemdelingen het dan somtijds haast (als men zegt) plegen te bederven; insgelijks dat zij ook niet door gierigheid of wellust en weelde met anderen verdorven en gestraft zouden kunnen worden, of door bezit van huizen en erfenissen vervallen in vertrouwen op tijdelijk goed, en belet worden ten tijde van ballingschap, beroving van goederen, enz. Wat God wijders met dit voorbeeld der Rechabieten heeft voorgehad, blijkt uit dezen gansen handel, dien Jeremia door Zijn last met hen gehad heeft. |
| 2 Kon. 10:15 En vandaar gegaan zijnde, zo vond hij Jónadab, den zoon van Rechab, hem tegemoet, die hem groette; en hij zeide tot hem: Is uw hart recht, gelijk als mijn hart met uw hart is? En Jónadab zeide: Het is, ja, het is; geef uw hand. En hij gaf zijn hand en hij deed hem tot zich op den wagen klimmen. 2 Kon. 10:23 En Jehu kwam met Jónadab, den zoon van Rechab, in het huis van Baäl; en hij zeide tot de dienaren van Baäl: Onderzoekt en ziet toe, dat hier misschien bij u niemand zij van de dienaren des HEEREN, maar de dienaren van Baäl alleen. |
| 12 Of: heeft het ons verboden. Zie Lev. 4 op vers 2. |
| Lev. 4:2 (kt.) Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Als een ziel zal gezondigd hebben door afdwaling van enige geboden des HEEREN, dat niet zou gedaan worden, en tegen een van die zal gedaan hebben; |
| 13 Dat is, nimmermeer. Vgl. 1 Kor. 8:13. |
| 1 Kor. 8:13 Daarom, indien de spijze mijn broeder ergert, zo zal ik in eeuwigheid geen vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ergere. |
|
7 Ook zult gijlieden geen huis bouwen, noch zaad zaaien, noch wijngaard planten noch 14hebben; maar gij zult in tenten wonen al 15uw dagen; opdat gij 16vele dagen leeft 17in het land alwaar gij als vreemdelingen verkeert. |
| 14 Dat is, bezitten. |
| 15 Dat is, de dagen uws levens. Alzo in het volgende vers. |
| 16 Dat is, langen tijd. |
| 17 Hebr. op het aangezicht des lands. |
|
8 Zo hebben wij der stem van Jónadab, den zoon van Rechab, onzen vader, gehoorzaamd in alles wat hij ons geboden heeft; zodat wij geen wijn drinken al onze dagen, wij, onze vrouwen, onze zonen en onze dochters; |
9 En dat wij geen huizen bouwen tot 18onze woning; ook hebben wij geen wijngaard, noch veld, noch zaad; |
| 18 Of: tot ons verblijf. |
|
10 En wij hebben in tenten gewoond; alzo hebben wij gehoord en gedaan naar alles wat ons onze vader Jónadab geboden heeft. |
11 19Maar het is geschied als Nebukadrézar, de koning van Babel, naar dit land optoog, dat wij 20zeiden: Komt en laat ons naar Jeruzalem trekken 21vanwege het heir der Chaldeeën, en vanwege het heir der 22Syriërs; alzo zijn wij te Jeruzalem gebleven. |
| 19 Hier geven zij reden waarom zij in deze ene zaak (namelijk dat zij nu niet in hutten woonden, maar zich binnen Jeruzalem hadden begeven) het bevel van hun voorvader voor dezen tijd niet zijn nagekomen; tonende daarmede dat het een menselijke ordinantie was, die zij in den nood en naar gelegenheid der zaken, zonder tegen hun plicht te doen, wel mochten verlaten, om Gods wet niet te overtreden, zoals ook Jonadabs intentie en Gode aangenaam was. |
| 20 Te weten tot elkander. |
| 21 Hebr. van of voor het aangezicht, dat is, om hun te ontgaan, uit vrees voor hun overlast en tirannie. |
| 22 Hebr. Aram. Zie Gen. 10 op vers 22. |
| Gen. 10:22 (kt.) Sems zonen waren Elam, en Assur, en Arfachsad, en Lud en Aram. |
|
12 Toen geschiedde des HEEREN woord tot Jeremía, zeggende: |
13 Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Ga heen en zeg tot de 23mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem: Zult gijlieden geen tucht 24aannemen, dat gij hoort naar Mijn woorden? spreekt de HEERE. |
| 23 Hebr. man. Zie Jer. 4 op vers 3. |
| Jer. 4:3 (kt.) Want zo zegt de HEERE tot de mannen van Juda en tot Jeruzalem: Braakt ulieden een braakland, en zaait niet onder de doornen. |
| 24 Als Jer. 32:33. |
| Jer. 32:33 Die Mij den nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet om tucht aan te nemen; |
|
14 De woorden van Jónadab, den zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken, 25zijn bevestigd; want zij hebben geen gedronken tot op dezen dag, maar het gebod huns vaders 26gehoord; en Ik heb tot ulieden gesproken, a27vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt naar Mij niet gehoord. |
| 25 Hebr. is bevestigd, dat is, elkeen zijner woorden is volbracht of gehouden, niettegenstaande dat zij door nood in een enig stuk nu anders hadden gedaan, waarin zij geëxcuseerd zijn. Alzo vers 16. Vgl. wijders vers 18. Deut. 27:26 met de aant. Insgelijks Jer. 34:18; 44:25. |
| vers 16 Dewijl dan de kinderen van Jónadab, den zoon van Rechab, het gebod huns vaders, dat hij hun geboden heeft, bevestigd hebben, maar dit volk naar Mij niet hoort; vers 18 Tot het huis nu der Rechabieten zeide Jeremía: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Omdat gijlieden het gebod van uw vader Jónadab zijt gehoorzaam geweest, en hebt al zijn geboden bewaard, en gedaan naar alles wat hij ulieden geboden heeft, Deut. 27:26 Vervloekt zij, die de woorden dezer wet niet zal bevestigen, doende dezelve. En al het volk zal zeggen: Amen. Jer. 34:18 En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan: Jer. 44:25 Zo spreekt de HEERE der heirscharen, de God Israëls, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken en gij hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melécheth des hemels en haar drankoffers offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden. |
| 26 Dat is, gehoorzaamd. |
| a Jer. 11:7; 25:3; 26:5; 29:19; 32:33. |
| Jer. 11:7 Want Ik heb uw vaderen ernstiglijk betuigd, ten dage als Ik hen uit Egypteland opvoerde tot op dezen dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar Mijn stem. Jer. 25:3 Van het dertiende jaar van Josía, den zoon van Amon, den koning van Juda, tot op dezen dag toe (dit is het drie en twintigste jaar) is het woord des HEEREN tot mij geschied; en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord. Jer. 26:5 Horende naar de woorden van Mijn knechten, de profeten, die Ik tot u zend, zelfs vroeg op zijnde en zendende; doch gij niet gehoord hebt; Jer. 29:19 Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de HEERE, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de HEERE. Jer. 32:33 Die Mij den nek hebben toegekeerd en niet het aangezicht; hoewel Ik hen leerde, vroeg op zijnde en lerende, evenwel hoorden zij niet om tucht aan te nemen; |
| 27 Zie 2 Kron. 36 op vers 15. Jer. 7 op vers 13. |
| 2 Kron. 36:15 (kt.) En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning. Jer. 7:13 (kt.) En nu, omdat gijlieden al deze werken doet, spreekt de HEERE, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar gij niet geantwoord hebt; |
|
15 En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: bBekeert u toch een iegelijk van zijn bozen 28weg en 29maakt uw handelingen goed, en wandelt andere goden niet na om hen te dienen, 30zo zult gij in het land blijven dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar gij hebt uw oor niet geneigd, noch naar Mij gehoord. |
| b Jer. 18:11; 25:5. |
| Jer. 18:11 Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik formeer een kwaad tegen ulieden en denk tegen ulieden een gedachte; zo
bekeert u nu een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed. Jer. 25:5 Zeggende: Bekeert u toch een iegelijk van zijn bozen weg en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land dat de HEERE u en uw vaderen gegeven heeft, van eeuw tot in eeuw; |
| 28 Zie Gen. 6 op vers 12. |
| Gen. 6:12 (kt.) Toen zag God de aarde, en zie, zij was verdorven; want al het vlees had zijn weg verdorven op de aarde. |
| 29 Zie Jer. 7 op vers 3. |
| Jer. 7:3 (kt.) Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Maakt uw wegen en uw handelingen goed, zo zal Ik ulieden doen wonen in deze plaats. |
| 30 Hebr. en blijft of woont in het land, dat is, zo zult gij zekerlijk daarin blijven wonen. Zie Ps. 37 op vers 3. |
| Ps. 37:3 (kt.) Beth. Vertrouw op den HEERE en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met getrouwheid. |
|
16 Dewijl dan de kinderen van Jónadab, den zoon van Rechab, het gebod huns vaders, dat hij hun geboden heeft, 31bevestigd hebben, maar dit volk naar Mij niet hoort; |
| 31 Zie vers 14. |
| vers 14 De woorden van Jónadab, den zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn zouden drinken, zijn bevestigd; want zij hebben geen gedronken tot op dezen dag, maar het gebod huns vaders gehoord; en Ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt naar Mij niet gehoord. |
|
17 Daarom, alzo zegt de HEERE, de God der heirscharen, de God Israëls: Zie, Ik zal over Juda en over alle inwoners van Jeruzalem brengen al het 32kwaad dat Ik tegen hen gesproken heb; omdat Ik tot hen gesproken heb, maar zij niet gehoord hebben, en Ik tot hen geroepen heb, maar zij niet hebben geantwoord. |
| 32 Der straf. |
|
18 Tot het huis nu der Rechabieten zeide Jeremía: Zo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Omdat gijlieden het gebod van uw vader Jónadab zijt gehoorzaam geweest, en hebt al zijn geboden bewaard, en gedaan naar alles wat hij ulieden geboden heeft, |
19 Daarom, alzo zegt de HEERE der heirscharen, de God Israëls: Er zal Jónadab, den zoon van Rechab, niet worden 33afgesneden een man die voor Mijn aangezicht 34sta, 35al de dagen. |
| 33 Vergelijk de manier van spreken met Jer. 33:17. |
| Jer. 33:17 Want zo zegt de HEERE: Aan David zal niet worden afgesneden een Man Die op den troon van het huis Israëls zitte. |
| 34 Dat is, dien Ik deze genade doe, dat hij in Mijn huis, dat is, onder Mijn volk, of in Mijn kerk, plaats hebbe en Mij naar Mijn Woord diene. De manier van spreken schijnt genomen te zijn van de priesters en Levieten, die in den tabernakel en tempel voor den Heere stonden te dienen, en voorts in het gemeen van dienaars en dienaressen, die steeds omtrent en onder de ogen hunner heren moesten zijn en oppassen. Zie Deut. 1 op vers 38; 10 op vers 8. 1 Kon. 1 op vers 2. Sommigen verstaan dit slechts van de onderhouding en continuatie van dit geslacht der Rechabieten onder Israël, zolang als de Joodse regering zou duren, uit vergelijking van vers 7. Van den priesterlijken of Levitischen stand kan het niet worden verstaan, dewijl zij uit den stam van Levi niet waren, zelfs geen Israëlieten, maar vreemdelingen, als boven verhaald is, en heidenen van afkomst, waarom zij ook bij sommigen aangemerkt worden als een voorteken van de beroeping der heidenen, en als een geestelijk priesterdom door het geloof. |
| Deut. 1:38 (kt.) Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen; sterk denzelven, want hij zal het Israël doen erven. Deut. 10:8 (kt.) Terzelfder tijd scheidde de HEERE den stam van Levi uit om de ark des verbonds des HEEREN te dragen, om voor het aangezicht des HEEREN te staan om Hem te dienen en om in Zijn Naam te zegenen, tot op dezen dag. 1 Kon. 1:2 (kt.) Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat hen mijn heer den koning een jongedochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht des konings sta en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde. vers 7 Ook zult gijlieden geen huis bouwen, noch zaad zaaien, noch wijngaard planten noch hebben; maar gij zult in tenten wonen al uw dagen; opdat gij vele dagen leeft in het land alwaar gij als vreemdelingen verkeert. |
| 35 Als Jer. 33:18. |
| Jer. 33:18 Ook zal den Levitischen priesters van voor Mijn aangezicht niet worden afgesneden een Man Die brandoffer offere en spijsoffer aansteke en slachtoffer bereide, al de dagen. |