Statenvertaling.nl

sample header image

Jeremia 24 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jeremia 24

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

God toont Jeremia twee vijgenkorven, den enen met zeer goede, en den anderen met zeer kwade vijgen, vs. 1, enz. Onderwijst hem daardoor van de genade die Hij sommigen gevangenen wilde bewijzen, en de straffen die Hij wilde laten gaan over de rest, 4, 5, enz.
 
De twee vijgenkorven
1 DE HEERE deed mij 1zien, en zie, er waren twee vijgenkorven, gezet voor den tempel des HEEREN; nadat aNebukadrézar, koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd 2Jechónia, den zoon van Jójakim, den koning van Juda, mitsgaders de vorsten van Juda, en de 3timmerlieden en de smeden, van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.
1 Te weten een gezicht, of in een gezicht, zulks als volgt. Vgl. Jer. 11:18, en zie Gen. 15 op vers 1; 46 op vers 2. Amos 7:1, 4, 7; 8:1. verwijsteksten
a 2 Kon. 24:15. 2 Kron. 36:10. verwijsteksten
2 Zie Jer. 22:24. verwijsteksten
3 Hebr. den timmerman of werkmeester (betekenende beide timmerlieden en smeden), en den smid of eigenlijk den slotenmaker. Anders: portier, insgelijks rijken koopman, als die vele koopwaren opsluit of opgesloten te koop houdt. Alzo 2 Kon. 24:16. Jer. 29:2. verwijsteksten
 
2 In den enen korf waren zeer goede vijgen, als de 4eerste rijpe vijgen zijn; maar in den anderen korf waren zeer boze vijgen, die vanwege de boosheid niet konden gegeten worden.
4 Vgl. Micha 7:1 met de aantt. verwijsteksten
 
3 En de HEERE zeide tot mij: Wat ziet gij, Jeremía? En ik zeide: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de boze zeer boos, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden.
4 Toen geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
5 Zo zegt de HEERE, de God Israëls: 5Gelijk die goede vijgen, alzo zal Ik 6kennen de 7gevankelijk weggevoerden van Juda, die Ik uit deze plaats naar het land der Chaldeeën heb weggeschikt, 8ten goede.
5 Sommigen vullen deze woorden aldus aan: Gelijk deze vijgen goed zijn; of: Gelijk gij deze goede vijgen kent, enz. Alzo vers 8. verwijsteksten
6 Voor aangenaam houden, zorg voor hen dragen. Zie Ps. 1 op vers 6. verwijsteksten
7 Hebr. gevankelijke wegvoering, vervoering, overbrenging. Als elders dikwijls.
8 Deze woorden kunnen in een goeden zin gevoegd worden bij het woord kennen, of bij het woord weggeschikt; want God kent de Zijnen ten goede, en Hij had de Zijnen (die Hij onder de gevangenen had) tot hun best verzonden en gekastijd, zullende daaruit Zijn kerk nog wederoprichten en bouwen, als volgt.
 
6 En Ik zal Mijn 9ogen op hen stellen ten goede en zal hen bwederbrengen in dit land; en Ik zal hen 10bouwen en niet afbreken, en zal hen planten en niet uitrukken.
9 Vgl. 1 Kon. 8 op vers 29. Ps. 32 op vers 8. Insgelijks Jer. 39:12; 40:4. Gelijk daarentegen het oog tegen iemand te zetten of te stellen, ten kwade genomen wordt. Zie Amos 9:4. De manier van spreken is in het Hebreeuws enerlei, maar wordt door het bijgevoegde verklaard, en het Hebreeuwse woordje betekent op, over, en ook tegen, naar gelegenheid van zaken. verwijsteksten
b Jer. 16:15. verwijsteksten
10 Vgl. Ps. 28 op vers 5. verwijsteksten
 
7 cEn Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben; den zij zullen Mij 11tot een volk zijn en Ik zal hun 12tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij met hun ganse hart bekeren.
c Deut. 30:6. Jer. 32:39. Ez. 11:19; 36:26, 27. verwijsteksten
d Jer. 30:22; 31:33; 32:38. verwijsteksten
11 Zie Lev. 26 op vers 12. verwijsteksten
12 Zie Gen. 17 op vers 7. verwijsteksten
 
8 eEn gelijk de boze vijgen, die vanwege de boosheid niet kunnen gegeten worden (13want aldus zegt de HEERE), alzo zal Ik 14maken Zedekía, den koning van Juda, mitsgaders zijn vorsten en het overblijfsel van Jeruzalem, die in dit land zijn overgebleven en die in Egypteland 15wonen;
e Jer. 29:17. verwijsteksten
13 Of: zekerlijk.
14 Of: stellen, toerichten; anders: overgeven, en het volgende vers aldus begonnen: Ik zal hen, zeg Ik, overgeven, enz. Vgl. Jer. 29:17. verwijsteksten
15 Dat is, alsdan zullen wonen. Zie 2 Kon. 25:26. Jeremia 43; 44. verwijsteksten
 
9 fEn Ik zal hen 16overgeven tot een beroering ten kwade, allen koninkrijken der aarde; tot smaadheid en tot een spreekwoord, tot een spotrede en tot een vloek, in al de plaatsen waarheen Ik hen gedreven zal hebben.
f Deut. 28:25, 37. 1 Kon. 9:7. 2 Kron. 7:20. Jer. 15:4; 29:18; 34:17; 42:18. verwijsteksten
16 Of: stellen, enz. Zie Deut. 28 op vers 25. Jer. 15:4. verwijsteksten
 
10 En Ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land dat Ik hun en hun vaderen gegeven had.

Einde Jeremia 24