Statenvertaling.nl

sample header image

Jesaja 9 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jesaja 9

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Een profetie van de beroeping des volks tot Christus, vs. 1. En van de grote vreugd deszelven vanwege de verlossing door Christus, 2. Wiens geboorte, Persoon, ambt en eeuwig Rijk de profeet beschrijft, 5. Daarna komt hij wederom tot de dreigementen over Efraïm, 7. Vanwege den hoogmoed, 9. En hardnekkigheid des volks van Israël, 12. En hun goddeloosheid, 17.
 
1 HET 1avolk dat 2in duisternis wandelt, zal 3een groot licht zien; degenen die wonen 4in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal 5een licht schijnen.
1 Te weten het volk Gods, zo in Juda als in Israël.
a Matth. 4:15, 16. Ef. 5:14. verwijsteksten
2 Dat is, in onwetendheid, of in grote ellende.
3 Te weten de predicatie van het Heilig Evangelie, Matth. 4:13, 16, ten tijde van de verschijning van Christus in het vlees, als af te leiden is uit vers 5. verwijsteksten
4 Dat is, in het land waar het schrikkelijk duister is, dat is, in zeer grote ellende. Zie Job 3 op vers 5. verwijsteksten
5 Dat is, vreugd en blijdschap, vanwege de zaligmakende kennis Gods, haar oorsprong nemende uit de predicatie van het Heilig Evangelie. Zie Matth. 4:15. Zie ook Ps. 36 op vers 10. verwijsteksten
 
2 6Gij hebt dit volk vermenigvuldigd, 7maar Gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nochtans 8blijde wezen 9voor Uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is wanneer men den buit uitdeelt.
6 Dit wordt gesproken tot God, aangaande het volk der Joden of Israëlieten.
7 Anders: en Gij hebt hun de blijdschap groot gemaakt, of: hebt Gij niet de blijdschap groot gemaakt? Naar de eerste overzetting is dit de zin: De Israëlieten hebben zich wel meermaals verblijd vanwege de treffelijke weldaden en verlossingen die zij van Uw hand, o Heere, verkregen hebben, maar dat alles is klein ten aanzien van de overgrote, zo lichamelijke als geestelijke, weldaden die zij van U, Heere God, nog zijn verwachtende. Naar de andere overzetting is dit de zin: Heere, Gij hebt de blijdschap des volks groot gemaakt (sprekende van den stand van de kerk des Nieuwen Testaments) doordien zij (bestaande uit Israëlieten en heidenen) met elkander eenpariglijk U zullen loven vanwege de grote weldaden, hun in Christus bewezen.
8 Te weten als zij U zullen danken voor Uw genade en weldaden, namelijk als zij Christus zullen horen prediken en Zijn wonderwerken zien zullen.
9 Dit schijnt te betekenen de geestelijke blijdschap van het hart hetwelk alleen voor God openstaat. Of: voor Uw aangezicht, dat is, voor U nederbukkende, als zij U komen dankzeggen.
 
3 Want 10het juk van hun last en den stok hunner schouders en den staf 11desgenen die hen dreef, hebt Gij verbroken, bgelijk ten dage der Midianieten;
10 Dat is, het juk waarmede zij belast of bezwaard waren, en den stok waarmede men hen op de schouders sloeg. Doch dit alles is te verstaan van een geestelijk juk des duivels en der zonde, van dewelke Christus Zijn volk verlost. En deze geestelijke verlossing wordt hier vergeleken bij de lichamelijke die ten tijde van Midian geschied is, Richt. 7:22. Jes. 10:26. Want gelijk Gideon de Midianieten door het geklank der bazuinen verstrooid en verslagen heeft, alzo zou Christus door de bazuin van het Heilig Evangelie het rijk des duivels verstoren. verwijsteksten
11 Of: desgenen die daarmede dreef.
b Richt. 7:22. Jes. 10:26. verwijsteksten
 
4 Toen de ganse strijd dergenen die streden, 12met gedruis geschiedde, en 13de klederen 14in het bloed gewenteld en verbrand werden tot 15een voedsel des vuurs.
12 Te weten als die schrik over hen kwam en zij elkander ombrachten, Richt. 7:22. Anders: met verward gewoel. verwijsteksten
13 Anders: de mantels, te weten der Midianieten.
14 Anders: in het vergoten bloed, te weten der Midianieten.
15 Hebr. spijze.
 
5 16Want 17een Kind 18is ons geboren, 19een Zoon is 20cons 21gegeven, en 22de heerschappij is op Zijn schouder; en men 23noemt Zijn Naam 24Wonderlijk, d25Raad, 26Sterke God, 27Vader der eeuwigheid, 28Vredevorst;
16 Hier geeft de profeet reden waarom hij gezegd heeft, dat het volk hetwelk in duisternis wandelde, vers 1, grotere vreugd en blijdschap genieten zou dan het eertijds gedaan heeft, en waarom hun lasten zouden verbroken worden, te weten omdat hun een Kind zou geboren worden, Hetwelk hun een eeuwige vreugd en zaligheid zou aanbrengen. Vgl. Jes. 10:27. verwijsteksten
17 Te weten Jezus Christus, den vaderen van den aanbeginne der wereld beloofd.
18 Dat is, zal ons in de volheid des tijds geboren worden. De profeet spreekt van de geboorte van Christus niet anders dan of het alreeds geschied was, vanwege de zekerheid dezer profetie. Zie Jesaja 53, in de beschrijving van het lijden van Christus. verwijsteksten
19 Te weten Jezus Christus, de Zone Gods, Ps. 2:7, en de Zoon van Maria, Jes. 7:14. verwijsteksten
20 Te weten het volk Gods; of ons, dat is, tot onze zaligheid, Luk. 2:10, 11. verwijsteksten
c Jes. 22:22. Luk. 2:10, 11. Joh. 4:10. verwijsteksten
21 Te weten van God, Joh. 4:10. verwijsteksten
22 Anders: op Wiens schouder de heerschappij zal zijn, dat is, Denwelken van den Vader alle heerschappij en inzonderheid der kerk, wordt opgelegd, en Die dezelve met ernst aanneemt. Zie Matth. 28:18. Ef. 1:21, 22. verwijsteksten
23 Christus Jezus heet niet alleen alzo met den bloten Naam, maar Hij is het ook inderdaad en Zijn kerk kent Hem voor zulks.
24 Christus is wonderlijk, zowel ten aanzien van Zijn Persoon, dewijl Hij God en Mens is in één Persoon, als ten aanzien van Zijn wonderlijke werken en daden.
d Jes. 11:2. Jer. 23:6. verwijsteksten
25 Of: Raadsman, Raadgever, Raadsheer. Versta dit alzo, dat Christus alleen den raad en het voornemen Zijns Vaders weet en aan Zijn kerk openbaart en mededeelt, Joh. 1:18, zoveel haar ter zaligheid te weten van node is, Hand. 20:27. Hij is het ook Die ons in allen angst en nood raad geeft en hulp doet. verwijsteksten
26 Die door de sterkte Zijner Godheid den onverdraaglijken last des toorns Gods over de zonden aller uitverkorenen aan Zijn mensheid heeft gedragen, en door Zijn eigen kracht van de doden is opgestaan, en de harten Zijner uitverkorenen wederbaart ten eeuwigen leven; alsook door de sterkte Zijner Godheid grote wonderen gedaan heeft, nog doet, en eindelijk alle doden opwekken zal.
27 Dat is, Die Zelf van eeuwigheid is, en ons het eeuwige leven geeft.
28 Dat is, Die ons met God verzoent. Zie Ef. 2:14, enz. verwijsteksten
 
6 Der grootheid 29dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op 30den troon van David en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen, en dat te sterken 31met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De 32eijver des HEEREN der heirscharen zal zulks doen.
29 Te weten die op den schouder van den Messias zal gelegd worden.
30 Als zijnde een rechte Erfgenaam deszelven, en denwelken Hij beloofd en toegezegd is, 2 Sam. 7:12. Luk. 1:32, 33. Hij heeft het tijdelijke koninkrijk veranderd in een geestelijk en eeuwig, Joh. 18:36. verwijsteksten
31 Want Hij straft alle ongerechtigheid, en Hij bemint en bewaart de vromen.
32 Dien Hij heeft over Zijn eer en over de zaligheid Zijner uitverkorenen. Zie de aant. 2 Kon. 19 op vers 31. verwijsteksten
e 2 Kon. 19:31. Jes. 37:32. verwijsteksten
 
Israël bedreigd
7 33De Heere heeft 34een woord gezonden in Jakob, en 35het is gevallen in Israël.
33 Hier komt de profeet wederom tot de dreigementen tegen de Israëlieten; alsof hij zeide: Zie, dit is de last dien de Heere bevolen heeft den Joden te verkondigen, want hij verstaat zo door het woord Jakob als door het woord Israël al de Joden. Alhoewel enigen menen dat dit alleen van de tien stammen te verstaan is.
34 Dat is, Zijn dreigementen door Zijn profeten laten verkondigen.
35 Dat is, het zal geschieden en vervuld worden.
 
8 En al dit volk zal het gewaarworden, 36Efraïm en de inwoner van 37Samaría, 38in hoogmoed en grootsheid des harten zeggende:
36 Dat is, de Israëlieten, te weten de tien stammen, waarvan de stam van Efraïm te dezen tijde de voornaamste was.
37 De hoofdstad der tien stammen.
38 Alsof hij zeide: Die zo stout en overmoedig zijn dat zij in plaats van zich te beteren door de plagen Gods, den Heere trotseren, sprekende gelijk er volgt vers 9. verwijsteksten
 
9 39De tichelstenen 40zijn gevallen, maar met 41uitgehouwen stenen zullen wij wederom bouwen; 42de wilde vijgenbomen zijn afgehouwen, maar 43wij zullen ze in ceders veranderen.
39 Dat is, de gebouwen van gebakken stenen, die zo heel sterk niet zijn, ook zo heel veel niet kosten. Alsof zij zeiden: Ofschoon wij van de Assyriërs grote schade geleden hebben en onze huizen en goederen zeer verdorven en verwoest zijn (zie 2 Kon. 15:29), zo vragen wij daar niet naar; wij willen alles beter en sterker opbouwen dan het tevoren geweest is. verwijsteksten
40 Dat is, vergaan.
41 Anders: gesneden, geslepen, gepolijste stenen, die sterker zijn en meer kosten dan de bakstenen, ook bestendiger zijn.
42 Zie 1 Kon. 10:27. De zin is: De huizen die van wilde-vijgenbomenhout getimmerd waren. verwijsteksten
43 Dat is, wij willen nu huizen gaan bouwen van cederhout, hetwelk veel beter en duurachtiger is dan het wilde-vijgenbomenhout. Want het cederhout vergaat en verrot niet, maar het is zeer durabel, vanwege zijn droogte. Zie dergelijk grootspreken der trotse booswichten Mal. 1:4. verwijsteksten
 
10 44Want de HEERE zal 45Rezins tegenpartijders tegen hem verheffen, en Hij zal 46zijn vijanden 47tezamen vermengen:
44 Hier verklaart de profeet hoe des Heeren woord op de tien stammen vallen zou, en hoe zij het zouden gewaarworden, waarvan vss. 7, 8 gesproken wordt. verwijsteksten
45 Dat is, de Assyriërs, die de Joden tegen Rezin verwekt en op de been gebracht hadden om hem den krijg aan te doen, 2 Kon. 16:7, 8, 9. verwijsteksten
46 Te weten van Efraïm, dat is, van de tien stammen der Israëlieten. En versta hier door de vijanden der Israëlieten zijn oude vijanden, die vers 11 genoemd staan. De profeet wil zeggen, dat allerlei natiën tezamen onder elkander zullen lopen tot Assur om Efraïm te verderven, nadat God Rezin en zijn koninkrijk door den koning van Assyrië zou onderdrukt hebben. verwijsteksten
47 Dat is, Hij zal hen van alle hoeken en kanten vergaderen en hiertoe doen aanvliegen.
 
11 De Syriërs van voren en de Filistijnen van achteren, dat zij 48Israël 49opeten 50met vollen mond. f51Om dit alles keert 52Zijn toorn niet af, maar Zijn hand 53is nog uitgestrekt.
48 Dat is, de Israëlieten, de tien stammen.
49 Hebr. eten met gansen mond.
50 Gelijk de leeuwen, beren, tijgers en andere wilde wrede beesten doen.
f Jes. 5:25; 10:4. verwijsteksten
51 Zie Jes. 5, de aantt. op vers 25. verwijsteksten
52 Te weten des Heeren toorn.
53 Te weten om nog meer te slaan en te verderven.
 
12 Want 54dit volk 55keert zich niet 56tot Dien Die het slaat, en den HEERE der heirscharen 57zoeken zij niet.
54 Te weten de Israëlieten.
55 Te weten met berouw en leedwezen zijner zonden en met gelovig gebed.
56 Te weten tot den waren God.
57 Te weten door hun gebed, als Ps. 34:5. Of door onderhouding Zijner geboden, als 2 Kron. 14:4. verwijsteksten
 
13 Daarom zal de HEERE 58afhouwen uit Israël 59den kop en den staart, 59den tak en de bieze, 60op één dag.
58 Te weten door Salmaneser, den koning van Assyrië. Zie 2 Kon. 17:3. verwijsteksten
59 . 59 Dat is, de sterken en geweldigen met de kleinen en geringen. Daarom stelt hier de profeet den tak, niet den boom, omdat de wortel en stam of stronk van het Israëlitische volk in wezen gebleven en weder uitgewassen is, maar de takken zijn afgehouwen.
60 Dat is, tegelijk en haastelijk.
 
14 (De oude en 61aanzienlijke, die is de kop, maar de profeet die 62valsheid leert, die 63is de staart.)
61 Hebr. de verhevene van aangezicht. Zie Jes. 3:3. verwijsteksten
62 Dat is, een valse leer of religie.
63 Dat is, betekent.
 
15 64Want 65de leiders dezes volks 66zijn verleiders, en die van hen geleid worden, 67worden ingeslokt.
64 Deze woorden hangen aan het 13de vers.
65 Dat is, de regenten, zo kerkelijke als politieke. Zie Jes. 3, de aantt. op vers 12. verwijsteksten
66 Omdat zij het volk, behalve allerlei andere verleidingen, wijsmaakten dat hetgeen hetwelk God dreigt, niet geschieden zou, maar dat alles in goeden welstand blijven zou.
67 Of: verslonden, te weten van hun verleiders. Vgl. Jes. 3:12. Anders: zijn bedekt, dat is, hun hart is overdekt met onwetendheid en valsen waan. verwijsteksten
 
16 Daarom zal Zich de Heere 68niet verblijden over hun 69jongelingen, en hunner wezen en hunner weduwen zal Hij Zich niet ontfermen, want zij zijn altezamen 70ghuichelaars en boosdoeners, en 71alle mond spreekt 72dwaasheid. 73Om dit alles keert Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
68 Versta hierbij: maar Hij zal hen gevankelijk laten wegvoeren, of ombrengen, dewijl zij boos en verdorven zijn.
69 Hebr. uitgelezenen, uitverkorenen.
70 Of: hypocrieten, geveinsden. Zie Job 8 op vers 13. verwijsteksten
g Jes. 10:6. verwijsteksten
71 Te weten der Israëlieten.
72 Zie Gen. 34, de aant. op vers 7. verwijsteksten
73 Zie Jes. 5 op vers 25, en boven, op vers 11. verwijsteksten
 
17 Want h74de goddeloosheid brandt als vuur, 75doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken 76de verwarde struiken des wouds, die zich verheven hebben als 77de verheffing des rooks.
h Jes. 5:24; 24:6. verwijsteksten
74 Dat is, de goddelozen zullen vanwege hun boosheid en onboetvaardigheid als met vuur verteerd en verdelgd worden.
75 Dat is, de een met den ander, groot en klein.
76 Dat is, de aanzienlijken en geweldigen, die zich tezamen verbinden. Hebr. de verwarring des wouds. Zie Jes. 10:34. Of: zal aangestoken worden in of onder de verwarde struiken des wouds, die omhoogvaren zullen als een verheffing des rooks, dat is, door den brand in rook opgaan. verwijsteksten
77 Of: optrekking, opstijging, verhoging.
 
18 Vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen 78zal 79het land verduisterd worden, en het volk zal zijn als 80een voedsel 81des vuurs; 82de een zal den ander niet verschonen.
78 Dat is, het land zal aan alle kanten vol ellende zijn.
79 Te weten het land der Israëlieten.
80 Hebr. een spijze.
81 Zie Job 15 op vers 34. verwijsteksten
82 Of: niemand zal zijn broeder verschonen. De zin is: Die het gemene landverderf ontkomen, die zullen elkander vervolgen, bederven, ja, ook doden.
 
19 Zo hij ter rechterhand 83snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; een iegelijk zal het vlees 84zijns arms eten,
83 Te weten spijze of voeder. Anders: houwt, of afhouwt. De zin is: Daar zal zulk gebrek en hongersnood zijn, dat een ieder zal toegrijpen en toetasten, houwen en snijden, waar hij enigszins bij kan komen, en nog zal het hem niet helpen.
84 Dat is, zijns naasten, op denwelken hij zich tevoren verlaten had. De zin is: De inwoners van het land van Israël zullen tegen elkander opstaan en zij zullen elkander vernielen; gelijk straks vers 20 breder gezegd wordt. verwijsteksten
 
20 85Manasse 86Efraïm, en Efraïm Manasse, en zij zullen tezamen 87tegen Juda zijn. 88Om dit alles keert Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
85 Dat is, de Manassieten.
86 Dat is, de Efraïmieten.
87 Dat is, tegen den stam van Juda.
88 Zie vers 11. verwijsteksten

Einde Jesaja 9