Statenvertaling.nl

sample header image

Jesaja 8 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jesaja 8

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Profetie van den ondergang van Syrië en van Israël door de Assyriërs, vs. 1, enz. Die ook het land van Juda doortrekken en zwaarlijk plagen, maar niet ten enenmale overmeesteren zouden, 6, enz. Met een troostelijke vermaning aan de godzalige Joden, dat zij die koningen niet vrezen zouden, maar dat zij zich op God verlaten zouden, 12. Ofschoon Hij den goddelozen een Steen des aanstoots is, 14. Dat zij bij de duivelskunstenaars geen raad vragen zouden, 19. Den verachters van Gods Woord wordt hun ondergang gedreigd, 20.
 
Het huwelijk in uitzicht
1 VERDER zeide de HEERE tot mij: Neem u een grote 1rol; en schrijf daarop 2met eens mensen griffie: 3Haastende tot den roof, is hij 4spoedig tot den buit.
1 Van het woord rol zie de aant. Ezra 6:2. Zie ook Jes. 34:4, en vgl. Hab. 2:2. Openb. 5:1. verwijsteksten
2 Dat is, met een schrift hetwelk een ieder kan lezen; of: naar de wijze die in het gebruik is; of: naar den gemenen stijl of gewoonte.
3 Anders: Belangende MAHER SCHALAL CHAS BAZ, dat is, aangaande zulks als de naam dien gij uw jongen zoon, als hij zal geboren zijn, geven zult, betekent.
4 De zin is: De koning van Assyrië zal haast komen, en hij zal de Syriërs en de Israëlieten beroven. Zie de vervulling dezer profetie 2 Kon. 16:9. De zaak die de naam van den zoon van den profeet Jesaja beduidt, wordt hier gesteld. verwijsteksten
 
2 Toen nam ik mij 5getrouwe getuigen, Uría, den priester, en Zacharía, 6den zoon van Jeberechja.
5 Of: geloofwaardige getuigen. Hebr. ik deed mij betuigen getrouwe getuigen. Vgl. Jer. 32:10. Dat is, zodanige mannen die getuigen konden dat de profeet deze profetie gedaan had, opdat het hierna niemand zou kunnen loochenen of in twijfel trekken. verwijsteksten
6 Dit wordt hierbij gevoegd tot onderscheid van verscheidene andere personen van kwaliteit, die ook dezen naam gehad hebben, als te zien is 2 Kon. 14:29. 2 Kron. 24:20; 26:5. Ezra 5:1; 6:14. Luk. 1:5, 67. verwijsteksten
 
3 En ik was tot 7de profetes 8genaderd; die werd zwanger en baarde een zoon; en de HEERE zeide tot mij: Noem zijn naam 9MAHER SCHALAL CHAS BAZ.
7 Dat is, tot mijn huisvrouw, aldus genoemd vanwege het ambt haars mans, of omdat zij mede een profetes was.
8 Dat is, in de slaapkamer gegaan. Hiermede wordt eerbaarlijk te kennen gegeven de bijslaap van den profeet met zijn huisvrouw.
9 Zie vers 1. verwijsteksten
 
4 Want eer 10dat knechtje 11zal kunnen roepen: Mijn vader, of: Mijn moeder, zal men den rijkdom van 12Damascus en 13den buit van 14Samaría dragen 15voor het aangezicht van den koning van Assur.
10 Of: deze jongen, te weten des profeten jonge zoontje, vers 3. verwijsteksten
11 Dat is, in korten tijd, want als de kinderen een jaar of twee oud zijn, zo roepen zij met gebroken woorden hun vader en moeder. Samaria en Syrië zijn door de Assyriërs een jaar of twee na deze profetie overheerd en verwoest geweest.
12 Damascus was de hoofdstad van Syrië, Jes. 7:8. verwijsteksten
13 Merk wel dat de profeet hier zegt, dat de koning van Assyrië den buit van Samaria zou wegnemen, maar hij zegt niet dat hij de stad zou innemen. Zie 2 Kon. 15:29; 16:9. verwijsteksten
14 Samaria was de hoofdstad van het koninkrijk van Israël, Jes. 7:9. verwijsteksten
15 Dat is, in zijn tegenwoordigheid en tot zijn best.
 
5 En 16de HEERE sprak nog verder tot mij, zeggende:
16 Hebr. de Heere voer voort tot mij te spreken.
 
6 17Dewijl 18dit volk veracht 19de wateren van Silóah, 20die zachtkens gaan, en 21er vreugde is bij Rezin en den zoon van Remália,
17 Alsof hij zeide: Omdat dit volk veracht de belofte der Goddelijke hulp tegen die beide koningen (van dewelke Jesaja 7 gesproken is) en zich liever op de grote macht van Assyrië wil verlaten, zich inbeeldende dat de hulp die Ik hun beloofd heb, maar een klein beekje is, gelijk de beek Siloah, maar dat de hulp der Assyriërs is als een geweldige stroom; zo zal Ik hen door de Assyriërs plagen en verderven, gelijk vers 7 gezegd wordt. verwijsteksten
18 Te weten het Joodse volk, of immers een groot deel van hetzelve, te weten die die het woord Gods geen geloof geven. Want onder dit volk waren nog enige vromen en godzaligen, die de Heere Zijn leerjongeren noemt, vers 16. verwijsteksten
19 Dit was een waterbeek te Jeruzalem, waar een fontein uitsproot. Zie Ps. 46:5. Joh. 9:7. verwijsteksten
20 Zie de aant. Neh. 2:13. verwijsteksten
21 Dat is, middelerwijl dat deze beide koningen vrolijk zijn, die vaste hoop hebbende dat zij het Joodse land zullen overweldigen, zo zie, enz., als volgt vers 7. verwijsteksten
 
7 Daarom, zie, zo zal de Heere 22over hen doen opkomen 23die sterke en geweldige wateren der rivier, den koning van Assyrië en 24al zijn heerlijkheid; en 25hij zal opkomen over al 26zijn stromen en gaan over al 26zijn oevers,
22 Te weten over de ongelovige Joden. Zie vers 6. verwijsteksten
23 Te weten de wateren van de rivier Eufraat. Dit is een tegenstelling tegen de wateren van Siloah, vers 6. verwijsteksten
24 Dat is, al zijn treffelijke vorsten en krijgsoversten met hun onderhebbend volk, waarvan de koning van Assyrië roemt Jes. 10:8, 13. verwijsteksten
25 Dat is, hij zal zich verheffen, te weten Sanherib, de koning van Assyrië, van denwelken de profeet hier spreekt als van een grote rivier. Anders: zij zal opkomen, te weten de rivier.
26 . 26 Te weten des volks, of: hun, te weten volken.
 
8 En hij zal 27doortrekken 28in Juda, hij zal 29het 30overstromen en er doorgaan, hij zal 31tot aan den hals reiken; en 32de uitstrekkingen zijner vleugelen zullen vervullen de breedte Uws lands, 33o Immánuël.
27 Hebr. veranderen, te weten van plaats.
28 Dat is, door het Joodse land.
29 Te weten het Joodse land.
30 Dat is, hij zal alle vaste steden in Juda zo haastelijk overvallen en innemen alsof zijn leger een waterstroom was. Zie de volvoering door Sanherib ten tijde van Hizkia, 2 Koningen 18. verwijsteksten
31 Dat is, totdat hij de hoofdstad, te weten Jeruzalem, belegert en benauwt. Zie 2 Kon. 18:17. Doch men kan dit ook verstaan gesproken te zijn van den uitersten nood waarin de Joden vervallen zouden, alzo namelijk dat er weinig aan ontbreken zou of zij zouden altegader verloren gaan. verwijsteksten
32 Dat is, de verscheidene delen zijns legers. Men noemt nog heden ten dage vleugelen de delen der legers.
33 Of: o Gij God, Die met ons zijt. Aldus wordt Christus de Zone Gods genoemd, Die het Hoofd Zijner kerk is, die te dien tijde in het land van Juda was. Zie Jes. 7:14. verwijsteksten
 
9 34Vergezelt u tezamen, gij volken, doch 35wordt verbroken; en neemt ter ore, 36allen gij die in verre landen zijt; 37omgordt u, 38doch wordt verbroken; omgordt u, doch wordt verbroken.
34 Dit is een aanspraak tot den koning van Assyrië en de andere natiën, die zich met hem tegen de Joden, of de kerke Gods, doch inzonderheid tegen de stad van Jeruzalem verbonden hadden. Tegelijk is het een voorzegging tot troost der vromen, dat de Assyriërs wel Jeruzalem zouden willen belegeren, maar dat zij die stad en het koninkrijk van Juda niet zouden overweldigen, gelijk zij voorgenomen hadden, maar dat zij met schande daarvan zouden moeten trekken. Het is een heilige ironie of bespotting, alsook in het volgende vers. Zie de vervulling dezer profetie 2 Kon. 19:35. verwijsteksten
35 Of: ternedergesmeten, of: verpletterd, en zo in het volgende. Zie Jes. 7:7. verwijsteksten
36 Hebr. alle verheden des lands, of der aarde.
37 Te weten met uw harnas en zwaard, dat is, bereidt u ten oorlog.
38 De zin is: Doet al wat gij kunt, het zal al tevergeefs zijn, gij zult niets uitrichten, aangezien Immanuël, dat is, God met ons is.
 
10 39Beraadslaagt een raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch 40het zal niet bestaan; want 41God is met ons.
39 Te weten hoe gij het Joodse land zult vermeesteren.
40 Als Jes. 7:7. verwijsteksten
41 De profeet ziet op den Naam van Immanuël, den Zone Gods gegeven, Jes. 7:14 en hier vers 8. En hij wil hier te kennen geven, dat Christus, Die de Beschutter en Beschermer Zijner kerk is, het koninkrijk van Juda beschermen zou, dewijl Hij besloten had uit dien stam Zijn menselijke natuur aan te nemen, eer dat al de regering ganselijk van Juda weg zou genomen zijn en blijven. Enigen zetten het over: Want hier is Immanuël. verwijsteksten
 
Tot de Wet en tot de Getuigenis
11 Want alzo heeft de HEERE tot mij gezegd, met 42een sterke hand, en Hij onderwees mij 43van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende:
42 Hebr. met sterking of aangrijping der hand; waardoor men kan verstaan de krachtige werking van den Geest Gods in den profeet en degenen die hem volgen zouden.
43 Dat is, dat ik en de godzalige Joden de zeden en manieren van doen dezes volks, te weten van het merendeel van het volk te Jeruzalem, dewijl het goddeloos is, niet zouden navolgen, mistrouwende de belofte Gods, en ons meer verlatende op menselijke dan op Goddelijke hulp, gelijk zij doen.
 
12 44Gijlieden zult niet zeggen: Een verbintenis, van alles waar 45dit volk van zegt: Het is 46een verbintenis; en 47vreest gijlieden 48hun vreze niet en 49verschrikt niet.
44 Te weten, gij Jesaja en gij allen die den Heere vreest, zult niet terstond zeggen, gelijk de meeste hoop dezes volks: Wij willen een verbond maken met den koning van Assyrië tegen die andere koningen, die ons dreigen en kwellen, zich daarop zozeer verlatende, dat zij de beloften Gods kleinachten, ja, versmaden.
45 Te weten deze boze ongelovige Joden, die de beloften Gods verachten.
46 Of, gelijk men nu spreekt, een ligue.
47 Dat is, vreest niet hetgeen waarmede zij u zoeken te verschrikken. Of: vreest niet gelijk dit volk doet.
48 Te weten van dit volk, hetwelk zeer bevreesd is voor die grote macht dier beide koningen. Zie Jes. 7:2. verwijsteksten
49 Anders: vervaart de anderen niet.
 
13 Den HEERE der heirscharen, Dien zult 50gijlieden 51heiligen, en 52Hij zij uw Vreze en Hij zij uw Verschrikking.
50 Te weten, gijlieden die gelovig zijt en u ganselijk op Gods beloften verlaat.
51 Dat is, dienen, gelijk men schuldig is zulken heiligen God te dienen, te weten met kinderlijke vreze en vertrouwen, niet twijfelende aan Zijn beloften. Dit is te verstaan van den Heere Christus, Die hier genoemd wordt de HEERE der heirscharen, van Denwelken wijders in het volgende gesproken wordt.
52 Dat is, Hij is het Dien gij vrezen moet en voor Denwelken gij te verschrikken hebt, als gij Hem vertoornd hebt.
 
14 53Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn, maar atot een Steen des aanstoots en tot een Rotssteen der struikeling 54den twee huizen 55Israëls, tot een Strik en tot een Net den inwoners te Jeruzalem.
53 De Heere Christus zal ulieden ook heiligen door Zijn bloed en Geest, en voorts ulieder Eer en Troost, Toevlucht en Bescherming zijn, waarvan het uiterlijke heiligdom een teken was.
a Jes. 28:16. Luk. 2:34. Rom. 9:33. 1 Petr. 2:7. verwijsteksten
54 Dat is, den twee koninkrijken, te weten van Juda en van de tien stammen. Doch versta dit alzo, dat de gelovigen dier beide koninkrijken hieronder niet begrepen zijn.
55 Dat is, des volks van Israël.
 
15 En 56velen 57onder hen zullen struikelen, en 58vallen ben verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.
56 Te weten der Israëlieten.
57 Anders: velen zullen aan dezelve, of tegen dezelve, te weten Steen en Rotssteen, of Net en Strik. Of: velen derzelve zullen sneuvelen.
58 Te weten aanlopende en zich stotende aan dien Steen. Want dewijl zij de aangeboden genade des Heeren door ongeloof zouden verwerpen, zo zou hun dezelve tot grotere verdoemenis strekken.
b Matth. 21:44. Luk. 20:18. verwijsteksten
 
16 59Bind de getuigenis toe, verzegel 60de wet 61onder Mijn leerlingen.
59 Dit is een vervolg of aanhang der woorden Gods vers 11, en wat hier staat, dat beveelt God, te weten Christus, de Zone Gods, den profeet Jesaja. De zin is, dat de getuigenis en de leer die God liet verkondigen, aangaande Zijn genade en met name van den Messias, voor alle goddelozen en ongelovigen als een toegebonden, verzegeld en gesloten boek of brief zou zijn, en alleen van die zou verstaan en aangenomen worden, die als Zijn ware discipelen van Hem inwendig geleerd en verlicht zouden zijn door de kracht des Heiligen Geestes. Zie Jes. 29:11; 54:13. Jer. 31:34. Joh. 6:45. verwijsteksten
60 Of: de leer.
61 Anders: onder degenen die van Mij geleerd zijn.
 
17 62Daarom zal ik den HEERE verbeiden, 63Die Zijn aangezicht verbergt voor het huis Jakobs, en ik zal Hem verwachten.
62 Te weten omdat de Heere tot mij gesproken heeft, enz., vers 11. Alsof hij zeide: Ik wil vast op den Heere staan, en mij op Zijn beloften zekerlijk verlaten. verwijsteksten
63 Dat is, Die rechtvaardiglijk vertoornd zijnde, Zijn weldadigheid den goddelozen Joden onttogen heeft, dewijl Hij hen straffen wil.
 
18 64cZie, Ik en de 65kinderen die Mij 66de HEERE 67gegeven heeft, 68zijn tot tekenen en tot wonderen 69in Israël, van den HEERE der heirscharen, Die op den berg Sion woont.
64 Dit zijn de woorden van Christus (als klaarlijk blijkt uit Hebr. 2:13), Die hier den profeet troost en versterkt tegen den haat der boze mensen, met Zijn eigen voorbeeld, alsof Hij zeide: Wedervaart Mij zelfs die schande in Mijn Persoon, in de bediening van Mijn leerambt, zo laat het u, o Jesaja, geen wonder geven, dat u smaad en spijt wordt aangedaan. verwijsteksten
c Hebr. 2:13. verwijsteksten
65 Te weten die uit God geboren zijn, die naarstiglijk Mijn woord horen en betrachten.
66 Dat is, God de Vader, verwekkende in hen door Mijn predicatie en de werking des Heiligen Geestes het geloof en gehoorzaamheid.
67 Te weten om te onderwijzen en te verlossen, Joh. 6:37; 17:12. Want hier spreekt Christus. verwijsteksten
68 Dat is, velen hebben een afkeer van Ons en haten Ons, omdat hun goddeloosheid van Ons gestraft wordt.
69 Dat is, onder de Israëlieten.
 
19 70Wanneer 71zij dan 72tot ulieden zeggen zullen: 73Vraagt den waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar 74piepen en 75binnensmonds mompelen, zo zegt: Zal niet een volk zijn God vragen? 76dZal men voor de levenden den doden vragen?
70 Dit zijn nog de woorden Gods, tot Jesaja en tot de godvrezende Joden.
71 Te weten de ongelovige Joden of Jeruzalemieten.
72 Te weten tot u, Jesaja, en tot andere godzaligen, die in den waren God geloven.
73 Te weten hoe gij en wij van de vijanden zullen verlost worden. Zie van deze waarzeggers Lev. 19 op vers 31; 20 op vers 6. verwijsteksten
74 Of: kirren.
75 Of: prevelen, dat is, die hun voorzeggingen met een duistere, onverstandige stem voortbrengen.
76 De zin is: Zullen die die leven, voor zichzelven den doden vragen? Gelijk Saul gedaan heeft, 1 Sam. 28:11. Hij wil zeggen, dat zulks den kinderen Gods geenszins betaamt. Anders aldus: Vraagt niet een volk zijn goden? voor de levenden den doden? verstaande dat het is een bestraffing van de ongerijmdheid der afgodendienaars, die den doden afgoden vragen tot profijt van de levenden. verwijsteksten
d Deut. 18:11. verwijsteksten
 
20 77Tot de Wet en tot 78de Getuigenis; 79zo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn dat zij 80geen dageraad 81zullen hebben.
77 Dat is, tot de boeken van Mozes. Zie Luk. 16:29. verwijsteksten
78 Dat is, tot de openbaringen die God den profeten gedaan heeft, te weten, zal men gaan om te vragen.
79 Dat is, indien zij Mozes en de ware profeten niet willen horen en zich naar hun leer schikken.
80 Of: geen licht. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk den dageraad, dat is, het aanbrekende licht, als de zon begint op te gaan, hetwelk meer een schemering dan dag is. Dat is, zij zullen het hemelse licht, en het rechte verstand der verborgenheden Gods, alsook Zijn genade, niet deelachtig worden; maar met allerlei geestelijke en lichamelijke ellenden gestraft worden. Zie Job 18 op vers 18. Ps. 84 op vers 12. Anders: zo is het omdat er geen dageraad bij hen is. Anders: zo niet, laat hen naar dat woord spreken dat geen dageraad heeft, dat is, die het woord der profeten verachten en alzo doen blijken dat zij geen hemelse verlichting hebben, laat die spreken naar het woord der waarzeggers of der duivelskunstenaars. verwijsteksten
81 Hebr. bij hem, of in hem, dat is, bij geen van hen allen. Hij spreekt van al de goddeloze Israëlieten als van één. Alzo ook vss. 21, 22. verwijsteksten
 
21 82En een ieder van hen zal 83daar doorgaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden wanneer hem hongert en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij 84vloeken op zijn koning en 85op zijn God, 86als hij opwaarts zal zien;
82 Te weten omdat zij den raad Gods niet willen volgen.
83 Te weten door het land van Juda en Israël hulp en troost zoekende. Het schijnt dat dit moet gepast zijn op de tijden van den koning Zedekia, toen de stad Jeruzalem van de Chaldeeën is ingenomen. Zie 2 Kon. 25:6, 7. verwijsteksten
84 Te weten omdat hij hen niet beschut noch beschermd heeft.
85 Te weten omdat Hij hen niet verhoord heeft, als zij Hem, op hun wijze, aangeroepen hebben, namelijk door offeranden en beelden-ering. Anders: op zijn goden.
86 Anders: en opwaarts zien, te weten of hun enige hulp van God zou komen. Doch dit omhoogzien zou niet komen uit geloof, maar uit ongeduld, en door den uitersten nood daartoe gedrongen zijnde, als 2 Sam. 22:42. verwijsteksten
 
22 e87Als hij de aarde aanschouwen zal, zie, er zal benauwdheid en duisternis zijn; 88hij zal verduisterd zijn door angst en voortgedreven door donkerheid.
e Jes. 5:30. verwijsteksten
87 Anders: Ook zal hij de aarde aanschouwen, en zie, enz.
88 De zin is: Waar hij zich keert of wendt, hij zal noch hulp noch troost vinden.
 
De geboorte van den Messías
23 89Maar het land dat beangstigd was, zal niet gans verduisterd worden; gelijk als 90Hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft naar het land van 91Zebulon aan, en naar het land van Naftali aan, alzo heeft Hij het 92in het laatste heerlijk gemaakt naar den weg 93zeewaarts aan, gelegen 94over de Jordaan, aan fGaliléa 95der heidenen.
89 Hier beginnen sommigen het negende hoofdstuk. Immers begint hier de profeet het volk te troosten, nadat hij het in de naastvoorgaande verzen door zware dreigementen verschrikt had; alsof hij zeide: Alhoewel God de Heere Zijn land, dat is, het land van Israël, zwaarlijk heeft aangetast, toen Hij hetzelve eerst door Tiglath-Pileser (2 Kon. 15:29) heeft laten bederven en daarna nog zwaarder het ganse land aan de zee, en hetgeen dat over de Jordaan ligt, ja, ook Galilea, dat aan de grenzen der heidenen strekt, door Salmaneser gestraft heeft, zo zal Hij nochtans niet toelaten dat het in de uiterste duisternis en ellende verblijft, maar het volk dat in duisternis zit, of wandelt, zal ten tijde van Christus heerlijk gemaakt worden, gelijk hier in het gemeen gezegd wordt, en daarna bijzonderlijk in het volgende hoofdstuk. verwijsteksten
90 Te weten God de Heere.
91 Versta hier door het land van Zebulon en Naftali het land der tien stammen, die de profeet hier noemt omdat de verlossing eerst in dezelve begonnen is, te weten door de predicatie van Christus, Matth. 4:12, 13, 14, 15. verwijsteksten
92 Of: ten laatste, in de laatste tijden.
93 Versta hier de Galilese Zee, anders de Zee Gennesaret of van Tiberias genoemd.
94 Anders: aan deze zijde der Jordaan. Het Hebreeuwse woord betekent zo het een als het ander. Anders: omtrent de Jordaan.
f Matth. 4:15. verwijsteksten
95 Aldus genoemd omdat die van Tyrus, Sidon en andere heidense natiën westwaarts, en andere oostwaarts daaraan paalden. Anders: aan het volkrijke Galilea, hetwelk is Neder-Galilea, bij de Zee Gennesaret of van Tiberias gelegen, hetwelk volkrijk was, omdat het vruchtbaar was, als te zien is Deut. 33:23. Zie van Onder- en Boven-Galilea 1 Kon. 9 op vers 11. Ez. 47 op vers 8. verwijsteksten

Einde Jesaja 8