Statenvertaling.nl

sample header image

Jesaja 37 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jesaja 37

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Hizkia treurt, en laat den profeet Jesaja verzoeken dat hij God wil bidden, vs. 1, enz. Jesaja troost en sterkt den koning Hizkia met Gods woord, 6. Sanherib, horende dat de koning der Moren kwam om tegen hem te strijden, zendt weder boden tot Hizkia met godslasterlijke brieven, 9, enz. Waarop Hizkia in het huis des Heeren een zeer vurig gebed doet, 14. En ontvangt door Jesaja een zeer troostelijk antwoord van God, 21. Gods engel slaat de Assyriërs, 36. Sanherib wordt te Nineve van zijn eigen zonen omgebracht, 37, 38. Vgl. 2 Koningen 19.
 
Jeruzalems verlossing
1 EN het geschiedde als de koning Hizkía 1dat hoorde, zo 2scheurde hij zijn klederen, en bedekte zich met een zak en 3ging in het huis des HEEREN.
1 Te weten die woorden die Rabsake gesproken had.
2 Zie 2 Kon. 19:1. Jes. 36:22. verwijsteksten
3 Te weten om aldaar zijn gebed voor den Heere op te offeren.
 
2 Daarna zond hij Eljakim, den hofmeester, en Sebna, den schrijver, en de oudsten der priesters, met zakken bedekt, tot Jesaja, den profeet, den zoon van Amoz.
3 En zij zeiden tot hem: Alzo zegt Hizkía: 4Deze dag is 5een dag der benauwdheid en der schelding en 6der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot 7aan de geboorte en 8er is geen kracht om te baren.
4 Dat is, dit is de tijd in welken ik en mijn volk geraakt zijn in grote benauwdheid, vrezende de belegering en verwoesting dezer stad.
5 Te weten in welken de Assyriërs ons zeer benauwen en lelijk schelden.
6 In welken de Assyriërs den Heere lelijk lasteren en schelden.
7 Hebr. tot aan de breuk. Gelijke manier van spreken zie Hos. 13:13. verwijsteksten
8 Dat is, wij zijn in het uiterste gevaar, waaruit wij onszelven niet kunnen redden.
 
4 Misschien zal de HEERE uw God 9horen de woorden van Rabsaké, denwelken zijn heer, de koning van Assyrië, gezonden heeft om den levenden God te honen en te schelden met woorden, die de HEERE uw God gehoord heeft; hef dan een gebed op 10voor het overblijfsel dat gevonden wordt.
9 Dat is, in acht nemen, en derhalve staat het te hopen dat Hij de Assyriërs vanwege hun godslasterlijke woorden zal plagen en straffen.
10 Te weten van dit volk Gods. De tien stammen waren alreeds naar Assyrië gevoerd, ook waren er alreeds enige vaste steden in Juda van de Assyriërs ingenomen, daar waren er nog weinige overgebleven.
 
5 En de knechten van den koning Hizkía kwamen tot Jesaja.
6 En Jesaja zeide tot hen: Zo zult gijlieden tot uw heer zeggen: Zo zegt de HEERE: Vrees niet 11voor de woorden die gij gehoord hebt, waarmede Mij 12de dienaars des konings van Assyrië gelasterd hebben.
11 Hebr. voor het aanschijn der woorden.
12 Hebr. jongens, dat is, de knechten, de dienaars. Alzo wordt Jozua genoemd een jongen van Mozes, ofschoon hij al ver tot zijn jaren gekomen was. Zie Gen. 22:5. Ex. 33:11. verwijsteksten
 
7 Zie, Ik zal een geest in hem geven, dat hij een gerucht horen zal, en weder in zijn land keren; en Ik zal hem 13door het zwaard in zijn land vellen.
13 Te weten door het zwaard zijner zonen. Zie vers 38. verwijsteksten
 
8 Zo kwam Rabsaké weder, en hij vond den koning van Assyrië strijdende tegen 14Libna; want hij had gehoord dat hij van 15Lachis vertrokken was.
14 Zie van deze stad de aant. 2 Kon. 8 op vers 22. verwijsteksten
15 Waar Rabsake den koning gelaten had, en vanwaar deze hem naar Jeruzalem gezonden had. Zie Jes. 36:2. En zie van Lachis breder 2 Kon. 14:19. verwijsteksten
 
9 Als 16hij nu 17hoorde van Tirhaka, den koning van Cusch, zeggen: Hij is uitgetogen om tegen u te strijden; toen hij zulks hoorde, zo zond hij weder boden tot Hizkía, 18zeggende:
16 Te weten de koning van Assyrië.
17 Zie vers 7. verwijsteksten
18 En hun ook brieven medegevende van denzelfden inhoud. Zie vers 14. verwijsteksten
 
10 Zo zult gijlieden spreken tot Hizkía, den koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op Welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de hand des konings van Assyrië niet gegeven worden.
11 Zie, gij hebt gehoord wat de koningen van Assyrië aan alle landen gedaan hebben, die 19verbannende; en zoudt gij gered worden?
19 Dat is, ten uiterste toe verdervende. Zie Deut. 2 op vers 34. verwijsteksten
 
12 Hebben de goden der volken die 20mijn vaders verdorven hebben, dezelve gered, als Gozan en Haran, en Rezef, en de kinderen van Eden die in Telassar waren?
20 Dat is, mijn voorouders of voorzaten.
 
13 Waar is de koning van 21Hamath, en de koning van Arpad, en de koning der stad Sefarváïm, Hena en 22Ivva?
21 Zie Num. 13:21. verwijsteksten
22 Zie de aant. 2 Kon. 17:24. verwijsteksten
 
14 Als nu Hizkía 23de brieven uit der boden hand ontvangen en die gelezen had, ging hij op in het huis des HEEREN, en Hizkía breidde die uit voor het aangezicht des HEEREN.
23 Welke de boden van den koning van Assyrië hem brachten, in dewelke geschreven stond hetzelfde dat zijn afgezondenen hem alreeds geboodschapt hadden.
 
15 En Hizkía bad tot den HEERE, zeggende:
16 O HEERE der heirscharen, Gij God Israëls, Die 24tussen de cherubs woont, Gij Zelf, Gij alleen zijt de God van alle koninkrijken der aarde, Gij hebt den hemel en de aarde gemaakt.
24 Zie Ex. 25:22. Num. 7:89. 2 Sam. 6:2. 2 Kon. 19:15. Ps. 80:2, en de aantt. aldaar. verwijsteksten
 
17 O HEERE, neig Uw oor en hoor; HEERE, doe Uw ogen open en zie; en hoor al de woorden van Sanherib, 25die gezonden heeft om den levenden God te honen.
25 Zo door Rabsake als door zijn brieven.
 
18 Waarlijk, HEERE, hebben de koningen van Assyrië 26al de landen, mitsgaders derzelver landerij verwoest,
26 2 Kon. 19:17 staat: de heidenen en hun land verwoest. verwijsteksten
 
19 En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.
20 Nu dan, HEERE onze God, verlos ons uit zijn hand, zo zullen alle koninkrijken der aarde weten dat Gij alleen de HEERE zijt.
21 Toen zond Jesaja, de zoon van Amoz, tot Hizkía, om te zeggen: Alzo zegt de HEERE, de God Israëls: Wat gij tot Mij gebeden hebt tegen Sanherib, den koning van Assyrië, 27heb Ik gehoord.
27 Dit is hier ingevoegd uit 2 Kon. 19:20. verwijsteksten
 
22 Dit is het woord dat de HEERE over hem gesproken heeft: De jonkvrouw, 28de dochter Sions, veracht u, zij bespot u, de dochter Jeruzalems 29schudt het hoofd achter u.
28 Dat is, de inwoners der stad van Jeruzalem, die de vreemden nog niet geschonden hadden. Zie 2 Kon. 19 op vers 21. verwijsteksten
29 Tot een teken van verachting. Zie Ps. 22:8. verwijsteksten
 
23 Wien hebt gij gehoond en gelasterd? En tegen Wien hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israëls.
24 Door middel 30uwer dienstknechten hebt gij den Heere gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagens beklommen de hoogte der bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennenbomen afhouwen, en zal komen tot zijn uiterste hoogte, in het woud zijns schonen velds.
30 2 Kon. 19:23 staat: uwer boden. verwijsteksten
 
25 Ik heb 31gegraven en 32de wateren gedronken; en ik heb met mijn voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd.
31 Te weten waterputten.
32 Daar staat 2 Kon. 19:24: vreemde wateren. Zie de aantt. aldaar. verwijsteksten
 
26 Hebt gij niet gehoord dat Ik 33zulks lang tevoren gedaan heb, en dat van oude dagen af 34geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, 35dat gij zoudt zijn om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.
33 Te weten de onderdrukking der volken, die gij nu uzelven toeschrijft.
34 Dat is, besloten heb te doen. Vgl. 2 Tim. 1:9, 10. verwijsteksten
35 Dat is, dat Ik u gebruiken zou om, enz.
 
27 Daarom waren haar inwoners 36handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras des velds en de groene grasscheutjes, als het hooi 37der daken, en 38het brandkoren, eer het overeind staat.
36 Hebr. korthandig, dat is, zij hebben geen macht gehad om u tegenstand te doen, zijnde alsof hun de handen waren afgehouwen geweest.
37 Dat is, dat op de daken wast.
38 Hetwelk dor en verbrand is, eer het in de aar schiet. Hebr. brand.
 
28 Maar 39Ik weet uw zitten, en uw uitgaan en uw inkomen, en uw woeden tegen Mij.
39 Dat is, o Sanherib, Ik weet al uw aanslagen.
 
29 Om uw woeden tegen Mij en dat uw woeling voor Mijn oren opgekomen is, zo zal Ik 40Mijn haak in uw neus leggen en Mijn gebit in uw lippen, en Ik zal u doen wederkeren door dien weg door denwelken gij gekomen zijt.
40 Een verbloemde rede, genomen van de vissers; te kennen gevende dat God de allerkwaadste en ongebondenste vijanden Zijner Kerk in den toom houden, stieren en bedwingen kan, dat zij hun boze voornemen niet kunnen uitvoeren.
 
30 En dat zij u 41een teken, dat men in dit jaar wat vanzelf 42gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar 43wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar en maait, en plant wijngaarden en eet hun vruchten.
41 Te weten van hetgeen dat Ik straks gezegd heb.
42 Omdat zij hun land niet hadden kunnen bouwen, vanwege de inlegeringen en doortochten der Assyriërs in het Joodse land.
43 Dat is, de vruchten die in dit jaar weder vanzelf wassen zullen. Hieruit leiden sommigen af dat dit een sabbat of rustjaar geweest is, in hetwelk de Israëlieten het land niet bouwden. Zie Lev. 25:5, 20. verwijsteksten
 
31 Want het ontkomene, dat overgebleven is van het huis van Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en het zal opwaarts vrucht dragen.
32 Want van Jeruzalem zal 44het overblijfsel uitgaan en het ontkomene van den berg Sion; ade ijver des HEEREN der heirscharen zal dit doen.
44 Het overblijfsel der Joden zal uitgaan naar zijn land en andere plaatsen, hetwelk zij tevoren niet gedaan hadden uit vrees der Assyriërs.
a 2 Kon. 19:31. Jes. 9:6. verwijsteksten
 
33 Daarom, zo zegt de HEERE van den koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten; 45ook zal hij met geen schild daarvoor komen en zal geen wal daartegen opwerpen.
45 Hieruit is af te leiden dat Sanherib voor Jeruzalem niet gekomen is, om die stad te belegeren.
 
34 Door den weg dien hij gekomen is, door dien zal hij wederkeren; maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de HEERE.
35 Want bIk zal deze stad beschermen om die te verlossen, om Mijnentwil en 46om Davids, Mijns knechts wil.
b 2 Kon. 20:6. verwijsteksten
46 Dat is, vanwege de belofte die Ik David gedaan heb. Zie 1 Kon. 11 op vss. 12, 13. verwijsteksten
 
36 cToen voer de engel des HEEREN 47uit en sloeg in 48het leger van Assyrië honderd vijf en tachtig duizend. En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, zie, die allen waren 49dode lichamen.
c 2 Kon. 19:35. verwijsteksten
47 Te weten uit den hemel.
48 Zie 2 Kon. 19:35 met de aantt. verwijsteksten
49 Hebr. dode dode lichamen. Want het Hebr. peger betekent alleen een dood lichaam, en daar wordt nog dode bijgevoegd. Het is alsof men zeide: een dood aas.
 
37 Zo vertrok Sanherib, de koning van Assyrië, en toog heen en keerde weder; en hij bleef te 50Ninevé.
50 Dit was in die tijden de hofstad of residentieplaats der koningen van Assyrië.
 
38 Het geschiedde nu als hij in het huis van Nisroch, zijn god, zich nederboog, dat Adrammélech en Sarézer, zijn zonen, 51hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen 52in het land van Ararát; en 53Esar-Haddon, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
51 Te weten eer er vijf en vijftig dagen vervloten waren nadat zijn leger van den engel geslagen was, als enigen afleiden uit Tobias 1:24.
52 Dat is, in Groot-Armenië. Zie Gen. 8:4. verwijsteksten
53 Anders genoemd: Asnappar, Ezra 4:10. Anders ook: Sardanapalus, zo sommigen menen, maar is onzeker. verwijsteksten

Einde Jesaja 37