Statenvertaling.nl

sample header image

Jesaja 10 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Jesaja 10

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Een dreiging over de onrechtvaardige rechters en verkeerders van het recht, vs. 1, enz. Alsook tegen de Assyriërs, 5, 12, 15, 16, 17, 18. Die een ander oogmerk hebben in het verderven der Joden dan de Heere had, 7. Hun hoogmoed wordt beschreven, 8. En God belooft dat Hij het overblijfsel Zijner kerk zal redden, 21. En dat haastelijk, 25. De tocht van Sanherib, marcherende naar Jeruzalem, 28, enz. Dreigement van God over denzelven, 33.
 
1 WEE 1dengenen die ongerechte inzettingen 2inzetten, 3en den schrijvers die 4moeite voorschrijven;
1 Dat is, den rechtsgeleerden en wetgevers.
2 Of: ordineren, voorschrijven.
3 Die de wetten maken en voorschrijven zijn de regeerders des lands, over welke hier het wee uitgesproken wordt.
4 Of: arbeid, dat is, zulke wetten of ordinantiën die den onderzaten moeite en zwarigheid aanbrengen.
 
2 5Om de armen van het recht af te wenden en om het recht der ellendigen mijns volks te roven, 6opdat de weduwen hun buit worden en opdat zij de wezen mogen plunderen.
5 Dat is, opdat zij de arme lieden verhinderen dat hun zaak (hoe rechtvaardig die ook zij) in het gericht gehoord, of aangenomen, of bevorderd wordt.
6 Plat tegen de wet Gods, Ex. 22:22. verwijsteksten
 
3 Maar wat zult gijlieden doen 7ten dage der bezoeking, en 8der verwoesting die 9van verre komen zal? 10Tot wien zult gij vlieden om hulp en waar zult gij 11uw heerlijkheid laten?
7 Dat is, als Ik u in Mijn toorn kom bezoeken. Hier spreekt de Heere de onrechtvaardige wetgevers en regenten aan.
8 Te weten der verwoesting uws lands. Zie 2 Kon. 18:13. verwijsteksten
9 Te weten van den koning van Assyrië. Zie Jes. 9:10, 11. verwijsteksten
10 Alsof Hij zeide: Daar zullen geen mensen in de wereld zijn die u zullen kunnen helpen.
11 Dat is, uw rijkdom, uw staten en ambten, die u groot en aanzienlijk maken voor de wereld; waar wilt gij die brengen, dat zij uwe blijven en u niet afgenomen worden?
 
4 Dat elkeen zich 12niet zou buigen onder de gevangenen en vallen onder de gedoden? Om dit alles keert Zijn toorn niet af, maar Zijn hand is nog uitgestrekt.
12 Anders: Zonder Mij zullen zij zich buigen, enz., ontbloot zijnde van Mijn hulp. Hier spreekt God nog al de onrechtvaardige rechters aan. Anders: Zonder dien, of behalve dien die lager dan de gevangenen zich zal buigen, zullen er ook onder de verslagenen vallen; dat is, zij zullen niet alleen gevankelijk weggevoerd worden, maar behalve die, zullen er ook enigen doodgeslagen worden.
 
De ondergang van Assyrië voorzegd
5 aWee 13den Assyriër, die de 14roede Mijns toorns is, 15en Mijn grimmigheid is een stok in hun hand16.
a Jes. 36:1. Jer. 25:9. Ez. 21:9. verwijsteksten
13 Hebr. Assur. Welk woord somtijds de nakomelingen van Assur betekent, somtijds het land van Assyrië; hier betekent het den koning van Assyrië met zijn leger.
14 Dat is, die Ik in Mijn toorn wil gebruiken als een roede om Mijn volk te kastijden. Zie Job 9:34. verwijsteksten
15 Alsof God zeide: Ofschoon Ik in Mijn toorn den Assyriërs de macht geef om Mijn volk te slaan, zo zal Ik hen evenwel ook straffen.
16 Anders: O Assur, de roede Mijns toorns, en in welker hand Mijn grimmigheid een stok is.
 
6 Ik zal 17hem zenden 18tegen een huichelachtig volk en 19Ik zal hem bevel geven 20tegen het volk Mijner verbolgenheid, opdat hij 21den roof rove, en plundere de plundering, en stelle 22het ter vertreding bgelijk het slijk der straten.
17 Te weten den koning van Assyrië met zijn heirleger.
18 Te weten tegen de tien stammen Israëls en tegen het volk van Juda, die zich wel voor Mijn volk uitgeven en den uiterlijken godsdienst enigermate oefenen, maar inderdaad zijn zij huichelaars en spotters. Zie de aant. Job 8:13. verwijsteksten
19 Dat is, Ik zal hem door een heimelijke inwendige beweging (volgens Mijn rechtvaardig oordeel) alzo stieren en regeren. Zie de aant. 2 Sam. 16:10. verwijsteksten
20 Dat is, tegen het volk over hetwelk Ik zeer vergramd en verbolgen ben; of over het volk over hetwelk Ik Mijn verbolgenheid zal uitstorten.
21 Of: een buit buite en een roof rove.
22 Te weten het huichelachtige volk.
b Jes. 5:25. verwijsteksten
 
7 Hoewel hij het 23zo niet meent en zijn hart alzo niet denkt, 24maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen en uit te roeien niet weinige volken.
23 Hebr. zich zo niet inbeeldt, te weten dat Ik hem zend om een huichelachtig volk te straffen; hij heeft een veel ander oogmerk in dezen krijg dien hij den Joden aandoet, dan Ik heb; maar Ik zal het alles regeren naar Mijn heiligen wil en heimelijken raad.
24 Hebr. maar verdelgen is in zijn hart.
 
8 Want hij zegt: 25Zijn niet mijn vorsten altezamen koningen?
25 Alsof hij zeide: Ben ik niet die grootmachtige potentaat, dien zelfs de koningen onderworpen zijn en ten dienste staan moeten? Zodat ik ben een koning der koningen. Zie dergelijk pochen 2 Kon. 18:24, 33, enz.; 19:10, enz. verwijsteksten
 
9 26Is niet 27Kalno gelijk 28Kárchemis? Is 29Hamath niet gelijk 30Arpad? Is niet Samaría gelijk Damascus?
26 Alsof hij zeide: Hebben niet ik en mijn vader Salmaneser en mijn andere voorzaten al deze machtige steden, zowel de ene als de andere, onder onze heerschappij en gebied gebracht? Zie 2 Kon. 18:34. verwijsteksten
27 Anders: Kalne, Gen. 10:10. Amos 6:2. Enigen menen dat dit Seleucia is. verwijsteksten
28 Een stad gelegen aan de rivier Eufraat, 2 Kron. 35:20. Jer. 46:2. verwijsteksten
29 Zie Gen. 10:18. verwijsteksten
30 Zie 2 Kon. 18:34. verwijsteksten
 
10 Gelijk als mijn hand 31gevonden heeft de koninkrijken 32der afgoden, 33ofschoon hun gesneden beelden 34beter 35zijn dan 36die van Jeruzalem en dan die van Samaría;
31 Dat is, overweldigd, verkregen, als Job 31. Zie aldaar de aant. op vers 25. verwijsteksten
32 Dat is, dergenen die de afgoden eren. Zie van het Hebreeuwse woord elilim Lev. 19 op vers 4. verwijsteksten
33 Of: en nochtans, of: daar toch.
34 Dat is, treffelijker.
35 Of: waren.
36 Te weten afgoden. Zie vers 11. verwijsteksten
 
11 Gelijk als ik gedaan heb aan Samaría en aan haar afgoden, zou ik alzo 37niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan 38haar afgoden?
37 Alsof hij zeide: Ja, ik zal het aan Jeruzalem nog veel lichter en beter kunnen doen.
38 Zie 1 Sam. 31 op vers 9. De koning van Assyrië spreekt hier op zijn heidens, alsof het te Jeruzalem met den godsdienst zo gelegen geweest was als met der heidenen afgoden. verwijsteksten
 
12 39Want het zal geschieden 40als de Heere een einde zal gemaakt hebben van al Zijn werk op den berg Sion en te Jeruzalem, dan zal 41Ik 42tehuiszoeken 43de vrucht van de grootsheid des harten 44van den koning van Assyrië, en de pracht 45van de hoogheid zijner ogen.
39 Dit past op het wee, vers 5 over de Assyriërs uitgesproken. Want van vers 6 tot hiertoe heeft de profeet verhaald de trotse woorden van den koning van Assyrië en zijn inval in der Israëlieten land. verwijsteksten
40 Dat is, als de Heere Zijn volk genoegzaam door de Assyriërs zal getuchtigd hebben.
41 De Heere.
42 Dat is, straffen. Zie de aant. Gen. 21:1. verwijsteksten
43 Dat is, zijn godslasterlijk en vermetellijk roemen en pochen, hetwelk als een kwade vrucht uit zijn hovaardig gemoed spruit.
44 Te weten van Sanherib.
45 Dat is, van zijn hovaardige ogen.
 
13 46Omdat hij gezegd heeft: Door de kracht mijner hand heb ik het gedaan en door mijn wijsheid, 47want ik ben verstandig; en 48ik heb de landpalen der volken weggenomen en heb 49hun voorraad geroofd, en 50heb als een geweldige 51de inwoners doen nederdalen;
46 Of: Omdat hij zal gezegd hebben.
47 Of: dewijl ik kloekheid gebruikt heb.
48 Alsof hij zeide: De koninkrijken die tevoren ieder hun palen hadden, die heb ik alle ineengesmolten en mij onderdanig gemaakt.
49 Of: hun gerede schatten, dat is, hun dierbaarste schatten.
50 Dat is, ik heb de koningen en andere machtige heren van hun staten gezet en vernederd.
51 Of: de bezitters.
 
14 En mijn hand heeft gevonden het 52vermogen der volken, 53als een nest, en 54ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest 55die een vleugel verroerde, of 56den bek opendeed, of 57piepte.
52 Of: de macht, dat is, den rijkdom.
53 Dat is, als vogels op de eieren in hun nest.
54 Alsof hij zeide: Ik heb al hun goederen en rijkdommen in mijn schatkamers gebracht.
55 Te weten om te vluchten, of om mij tegenstand te doen. Alsof hij zeide: Zij zijn voor mij zo verschrikt geweest, dat zij zich tegen mij niet repten noch roerden.
56 Of: den mond opende.
57 Of: kirde, schaterde, kikte, te weten om ergens hulp te gaan zoeken, of om aan iemand over mij te klagen.
 
15 58Zal 59een bijl zich beroemen tegen dien die daarmede houwt? Zal 59een zaag 60pochen tegen dien 61die ze trekt? Alsof een staf 62bewoog degenen die hem opheffen? 63Als men een stok opheft, is het geen hout?
58 Tot hiertoe zijn beschreven de woorden van den koning van Assyrië; nu spreekt de profeet wederom, en het is zoveel alsof hij zeide: Is het billijk dat zich een bijl beroemt tegen, enz. Hij wil zeggen: Geenszins. Versta hierbij: alzo heeft de koning van Assyrië geen reden tegen den Heere te pochen, Die hem gebruikt heeft als een bijl, zaag, enz.
59 . 59 Aldus worden de Assyriërs genoemd, omdat God hen als instrumenten gebruikt heeft om de Joden te tuchtigen en te kastijden. Tegelijk verwijt hier God de Heere den Assyriër zijn vermetelheid en zijn grootspreken, waarvan vss. 13, 14 te lezen is. verwijsteksten
60 Of: zich verheffen. Hebr. groot maken.
61 Of: die ze beweegt?
62 Versta hierbij: alzo ongerijmd zou het zijn indien zulks geschiedde.
63 Alsof God zeide: Zou een stok zich beroemen omdat iemand hem opheft, daar het toch een stuk hout is en blijft?
 
16 Daarom zal de Heere Heere der heirscharen onder 64zijn 65vetten een 66magerheid zenden, en 67onder 68zijn heerlijkheid czal Hij 69een brand doen branden, als den brand des vuurs.
64 Te weten des konings van Assyrië.
65 Versta hier door de vetten de vorsten en treffelijkste oversten van den koning van Assyrië, waarop hij zo hoog pochte.
66 Dat is, een uitterende ziekte. Zie Ps. 106, de aant. op vers 15. Of hij wil zeggen, dat hen de Heere zal verdelgen en tenietmaken. Zie 2 Kon. 19:35. verwijsteksten
67 Anders: in plaats zijner heerlijkheid zal Hij, enz.
68 Aldus wordt hier genoemd het leger van den koning van Assyrië, omdat hij daarop zeer pochte.
c Jes. 24:6. verwijsteksten
69 Te weten als zij door een engel met pestilentie zullen verslagen worden. Vergelijk hiermede de historie 2 Sam. 24:16. verwijsteksten
 
17 Want 70het Licht Israëls 71zal tot een Vuur zijn en 72zijn 73Heilige 74tot een Vlam, Welke in brand steken en verteren zal 75zijn 76doornen en 75zijn 76distelen 77op één dag.
70 Dat is, de Heere, Die Zijn volk verlicht door Zijn Woord en Geest, als het in duistere ellenden en ook in geestelijke dwalingen vervallen zal wezen. Zie Ps. 36 op vers 10; 84:12. verwijsteksten
71 Dat is, de Heere zal de Assyriërs verteren, gelijk als vuur en vlam het hout of stro verslindt.
72 Te weten des volks Israëls Heilige.
73 Dat is, God, Dien het volk van Israël heiligt en eert, en Die Zichzelven betuigt heilig te zijn. Zie Jes. 1 op vers 4. verwijsteksten
74 Te weten om de Assyriërs te verbranden en te verdelgen.
75 . 75 Te weten des konings van Assyrië.
76 . 76 Dat is, zijn krijgsvolk, groot en klein, heer en knecht, die de Joden gestoken, gekrabd en geplaagd hebben. Zie Jes. 9:17; 37:36. verwijsteksten
77 Dat is, op een korten tijd. Onder den dag wordt hier ook de nacht verstaan, want hetgeen dat hier gedreigd wordt, is in den nacht geschied, 2 Kon. 19:35. Jes. 37:36. verwijsteksten
 
18 Ook zal 78Hij verteren de heerlijkheid 79zijns 80wouds en 81zijns vruchtbaren velds, 82van de ziel af tot het vlees toe; en 83hij 84zal zijn gelijk als wanneer een vaandrager 85versmelt.
78 Te weten de Heere.
79 Te weten van Sanherib, den koning van Assyrië.
80 Dat is, legers, hetwelk schijnt een dor woud te zijn, vanwege de menigte der spiesen en speren zijner soldaten. Anderen verstaan hier door het woud de prinsen en vorsten van den koning van Assyrië, die als sterke bomen geacht werden.
81 Dat is, zijner vette, geweldige, rijke vorsten. Anders: zijns Karmels, dat is, zijns lands, dat zo schoon en vruchtbaar is als Karmel. Zie 2 Kon. 19:23. verwijsteksten
82 Dat is, hij zal hun niet alleen de ziel, dat is, het leven benemen, maar hij zal ook hun lichamen vernielen. Of versta door ziel de mensen, door vlees het vee.
83 Te weten de koning van Assyrië.
84 Dat is, het zal hem gaan.
85 Of: bezwijmt, versaagd wordt, of bezwijkt, dat is, als hem het hart in het lijf van angst en vrees versmelt. Zie de vervulling 2 Kon. 19:36, enz. Anders: wanneer een vluchtende versmelt. verwijsteksten
 
19 En 86de overgebleven bomen zijns wouds zullen 87weinige in getal zijn, 88ja, een jongen zou hen opschrijven.
86 Dat is, de overige soldaten zijns legers, als vers 18, inzonderheid de oversten, die ontkomen zullen uit het leger van Sanherib. Zie vers 33. verwijsteksten
87 Zie de aant. Gen. 34 op vers 30. verwijsteksten
88 Alsof hij zeide: Men zal er geen kloeken man, die in het rekenen geoefend is, toe behoeven, een kind zal hen lichtelijk kunnen tellen, want hunner zullen weinig zijn.
 
Israëls overblijfsel
20 89En het zal geschieden te dien dage, dat 90het overblijfsel van Israël en 91de ontkomenen van het huis van Jakob 92niet meer steunen zullen 93op dien die hen geslagen heeft, maar zij zullen steunen op den HEERE, 94den Heilige Israëls, 95oprechtelijk.
89 In dit vers wijst de profeet het overblijfsel de vrucht en nuttigheid aan, ontstaande uit de bovenverhaalde tuchtiging van het volk van Juda door Sanherib, alsook der verlossing uit zijn macht en geweld.
90 Te weten die door de Assyriërs niet zullen omgebracht zijn.
91 Hebr. de ontkoming van het huis van Jakob.
92 Dat is, zich voortaan niet meer verlaten op, enz.
93 Te weten op den koning van Assyrië, dewijl hij hen bedrogen heeft. Zie 2 Kon. 16:7. 2 Kron. 28:20. Jes. 7:20. verwijsteksten
94 Zie vers 17. Jes. 1:4; 5:19, 24, enz. verwijsteksten
95 Hebr. in der waarheid, dat is, zonder huichelarij.
 
21 96Het overblijfsel 97zal wederkeren, 98het overblijfsel Jakobs, tot den sterken God.
96 Dat is, de overgeblevenen. Hebr. schear jaschub, ziende op den naam dien den profeet zijn zoon gegeven heeft, uit het bevel Gods, Jes. 7:3. Zie de aant. aldaar. En versta hier door de overgeblevenen de uitverkorenen Gods onder de Joden, die God uit den algemenen ondergang gered had, en die met waar geloof op God vertrouwden en standvastig bleven. verwijsteksten
97 Of: bekeerd worden, namelijk tot den sterken God.
98 Als straks.
 
22 99Want dofschoon uw volk, o Israël, is 100gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het overblijfsel 1daarvan wederkeren; 2de 3verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid.
99 Alsof hij zeide: Ofschoon des volks van Israël veel is, zo zullen zij niet allen bekeerd noch zalig worden; maar alleen enigen, die God in Christus heeft uitverkoren. Zie Rom. 9:27. Evengelijk het toegegaan is ten tijde als de Assyriërs de Israëlieten hebben overvallen en geslagen; verre het grootste deel is gevangen en omgekomen. verwijsteksten
d Rom. 9:27, 28. verwijsteksten
100 Te weten in groten getale.
1 Of: deszelven.
2 Of: de precieze verdelging, en alzo vers 23. Dat is, het verderf in den heimelijken raad Gods bestemd, in denwelken Hij besloten heeft hoevelen van de Israëlieten er zouden verdelgd worden, en welke. verwijsteksten
3 Te weten der ongehoorzame Joden, zo uiterlijke en lichamelijke, alsook inwendige en geestelijke. Gelijk af te leiden is uit den zin der woorden van den apostel Paulus Rom. 9:27, 28, waar de apostel deze woorden bijbrengt. verwijsteksten
 
23 Want eeen verdelging die vastelijk besloten is, zal de Heere HEERE der heirscharen doen in het midden van dit ganse land.
e Jes. 28:22. verwijsteksten
 
24 Daarom zegt de Heere HEERE der heirscharen alzo: Vrees niet, gij Mijn volk dat te Sion woont, voor Assur, als hij u met de roede zal slaan 4en hij zijn staf tegen u zal opheffen 5naar de wijze der Egyptenaars;
4 Anders: want Hij (te weten God) zal Zijn staf voor u (dat is, tot uw bescherming) opheffen.
5 Verstaat men door hij in het voorgaande lid den koning van Assyrië, zo is dit te zeggen: gelijk de Egyptenaars eertijds gedaan hebben. Maar verstaat men door Hij God den Heere, zo is dit de zin: gelijk God de Egyptenaars eertijds geplaagd heeft. Alzo ook vers 26. verwijsteksten
 
25 6Want nog 7een klein weinig, zo zal volbracht worden de gramschap, en Mijn toorn tot 8hun 9vernieling.
6 Anders: Maar nog een weinig, een luttel, zo zal de gramschap over u een einde nemen, maar Mijn toorn zal ontsteken tot hun vernieling.
7 Dat is, in heel korten tijd, te weten spoedig nadat de koning van Assyrië met zijn leger in het Joodse land zal gekomen zijn.
8 Te weten der Assyriërs.
9 Of: uitroeiing, verderving of verdelging.
 
26 Want de HEERE der heirscharen zal 10tegen hem 11een gesel verwekken, 12gelijk de slachting van Midian was aan 13de rots van Oreb, en 14gelijk fZijn staf over de zee was, denwelken Hij verheffen zal 15naar de wijze der Egyptenaars.
10 Te weten tegen den koning van Assyrië.
11 Te weten vooreerst den slaanden engel; en terstond daarna de eigen zonen van den koning van Assyrië. Zie 2 Kon. 19:35, 37. verwijsteksten
12 Dat is, gelijk eertijds de Midianieten van Gideon plotseling zijn overvallen geweest, Richt. 7:19, enz. Jes. 9:3, 4. verwijsteksten
13 Gelegen bij Beth-Bara aan de Jordaan; die de rots van Oreb genoemd wordt, omdat Oreb, een van de vorsten der Midianieten, aldaar van Gideon is verslagen. Zie Richt. 7:24, 25. verwijsteksten
14 De zin is: Gelijk Farao met zijn leger in de Rode Zee is omgekomen, als Mozes zijn staf ophief, alzo zullen ook de Assyriërs in het verderf vervallen en omkomen.
f Exodus 14. verwijsteksten
15 Zie de aant. vers 24. verwijsteksten
 
27 En het zal geschieden ten zelven dage, dat 16zijn last zal afwijken van uw schouder en zijn juk van uw hals; en het juk zal 17verdorven worden 18om des Gezalfden wil.
16 Te weten de last dien de koning van Assyrië ulieden heeft opgelegd.
17 Of: in stukken gehouwen of verscheurd worden, dat is, te schande of tenietgemaakt worden.
18 Hebr. om of vanwege de olie, te weten waarmede de Gezalfde des Heeren zou gezalfd worden, dat is, om Christus’ wil, Denwelken God tot een Koning over Zijn volk gezalfd en gesteld heeft. Vgl. Jes. 9:3, 5. verwijsteksten
 
De HEERE zal Sanherib verslaan
28 19Hij komt te 20Ajath, hij trekt door 21Migron; te 22Michmas 23legt hij zijn gereedschap af.
19 Te weten Sanherib, de koning van Assyrië, met zijn leger. Hier beschrijft verder de profeet den tocht van Sanherib, als hij trekken zou om Jeruzalem te gaan belegeren; mitsgaders wat steden hij onderweg zou innemen en plunderen.
20 Of: Ai; zie van deze stad Joz. 7 op vers 2; Jozua 8. verwijsteksten
21 Zie 1 Sam. 14:2. verwijsteksten
22 Zie 1 Sam. 13:2; 14:5. verwijsteksten
23 Hebr. Michmas beveelt hij zijn vaten, of bagage. Anders: te Michmas monstert hij zijn gereedschap, te weten den trein van oorlog.
 
29 Zij trekken door 24den doorgang, te 25Geba houden zij hun vernachting; 26Rama beeft, 27Gíbea Sauls vlucht.
24 Dat is, de engten der bergen bij Michmas, door dewelke men passeren moest als men uit Efraïm naar den stam van Benjamin reisde. Zie 1 Sam. 13:23. Anders: in de rustplaats, of in de herberg te Geba vernachten zij. verwijsteksten
25 Van Geba zie 1 Sam. 14:5. verwijsteksten
26 Dat is, de burgers te Rama beven, te weten vanwege de aankomst der Assyriërs. Zie van Rama Joz. 18:25. verwijsteksten
27 Dat is, de burgers te Gibea Sauls. Van deze stad wordt ook gesproken 1 Sam. 11:4. Aldus genoemd omdat de koning Saul daar geboren was. Zie 1 Sam. 10:26. verwijsteksten
 
30 28Roep luide met uw stem, 29gij dochter van Gallim; 30laat ze horen tot 31Laïs toe, o ellendig 32Anathoth.
28 Hebr. eigenlijk: Hinnik, gelijk de paarden, dat is, verhef uw stem en schreeuw luide.
29 Jeruzalem was de moederstad, de kleine steden werden dochters genoemd. Hier wordt gesproken van de inwoners te Gallim, een stad in den stam van Benjamin gelegen, gelijk ook de steden van dewelke vers 31 gesproken wordt. verwijsteksten
30 Anders: o gij arm Anathoth, laat u horen tot Laïs toe. Of aldus: merk op, o Laïs.
31 Een stad gelegen aan het uiterste van het Joodse land. Zie Richt. 18:14, 27, 28. verwijsteksten
32 Een stad in Benjamin, waar de profeet Jeremia geboren is, drie mijlen van Jeruzalem gelegen. Zie Joz. 21:8. Jer. 1:1. verwijsteksten
 
31 33Madména 34vliedt weg, de inwoners van Gebim 35vluchten met hopen.
33 Dat is, burgers van Madmena.
34 Te weten uit vrees der vijanden die aan komen marcheren.
35 Of: verzamelen zich om te vluchten. Zie Jer. 4 op vers 6. verwijsteksten
 
32 Nog een dag 36blijft 37hij te 38Nob; 39hij zal zijn hand 40bewegen 41tegen den berg 42der dochter Sions, 43den heuvel van Jeruzalem.
36 Hebr. staande te Nob, te weten eer hij op Jeruzalem aankomt.
37 Te weten Sanherib met zijn leger.
38 Een priesterlijke stad in Benjamin, bij Jeruzalem, 1 Samuël 21; 22. verwijsteksten
39 Rabsake vooruitzendende met grote macht van krijgsvolk, van Lachis naar Jeruzalem toe, trotserende den koning Hizkia en de inwoners van Jeruzalem, Jes. 36:2. verwijsteksten
40 Anders: opheffen, als dreigende.
41 Dat is, tegen de stad van Jeruzalem op en aan den berg Sion gelegen, als Jes. 1:8. verwijsteksten
42 Anders: des huizes Sions.
43 Op denwelken Jeruzalem gebouwd is.
 
33 Doch zie, de Heere HEERE der heirscharen zal 44met geweld 45de takken 46afkappen, en 47die hoog van statuur zijn, zullen nedergehouwen worden, 48en de verhevenen zullen vernederd worden.
44 Of: geweldiglijk. De zin is: Hij zal zijn heir verdelgen, niet allengskens, maar subiet en met grote macht, gelijk men de grote takken der bomen met geweld afhouwt, te weten door een engel. Zie 2 Kon. 19:35. verwijsteksten
45 Dat is, de sterke en geweldige krijgslieden in het heir van den koning van Assyrië.
46 Het Hebreeuwse woord betekent zoveel als de takken aftakken. Anders: afhakken. Vgl. vers 19. verwijsteksten
47 Dat is, de vorsten in het leger van den koning van Assyrië.
48 Anders: dat is.
 
34 En 49Hij zal 50met ijzer 51de verwarde struiken des wouds omhouwen, en 52de Libanon zal vallen 53door den Heerlijke.
49 Te weten de Heere.
50 Dat is, met het zwaard des engels.
51 Als Jes. 9:17. verwijsteksten
52 Dat is, de krijgslieden van den koning Sanherib, die daar zijn te vergelijken bij de bomen die op Libanon groeien, zo in grootte als in getal.
53 Versta hier door den Heerlijke God den Heere Zelven, of Zijn slaanden engel. Zie de historie Jes. 37:36. Of: door den Geweldige, of Machtige. Zie Ps. 8 op vers 2. verwijsteksten

Einde Jesaja 10