Statenvertaling.nl

sample header image

Hooglied 5 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Hooglied 5

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Hier antwoordt de Bruidegom op de nodiging der bruid, Hoogl. 4:16, en geeft te kennen dat Hij een uitzonderlijk behagen heeft aan de vruchten der bruid, vs. 1. Zij bekent dat zij eens verzuimd heeft haar Bruidegom in te laten, 2. Doch dat zij daarna opgestaan zijnde om Hem in te laten, 5. Hij weggegaan was, hetwelk haar zeer moeide, 6. In wat ongemak zij geraakt was toen zij Hem zocht, 7. Zij geeft haar speelgenoten te kennen haar uitnemend grote liefde tot Hem, 8. Met een beschrijving Zijner schone gestaltenis, 10.
 
Berouw van de bruid
1 IK ben 1in Mijn hof gekomen, 2o Mijn zuster, o bruid. 3Ik heb 4Mijn mirre geplukt, met Mijn specerij; Ik heb Mijn 5honingraten met Mijn honing 6gegeten; Ik heb Mijn wijn mitsgaders Mijn melk gedronken. 7Eet, 8avrienden, drinkt, en 9wordt dronken, o liefsten.1 Dat is, in Mijn gemeente. Hier antwoordt de Bruidegom op het verzoek der bruid, Hoogl. 4:16. Hij is vaardig om te doen de begeerte dergenen die Hem vrezen, Ps. 145:19. Zie ook Ex. 20:24. verwijsteksten
2 Zie Hoogl. 4:8, 9. verwijsteksten
3 Dat is, Ik heb genoten de gebeden en dankzeggingen der gelovigen, mitsgaders de goede en lieflijke vruchten der goede werken, die Ik u teweeggebracht heb door de krachtige werking des Heiligen Geestes. Van de kostelijkheid der mirre zie Hoogl. 1 op vers 13. verwijsteksten
4 Merk hier aan, dat Christus al deze gerechten noemt Zijn gerechten; Hij zegt: Mijn mirre, Mijn specerij, enz., want zonder Hem kunnen wij niets doen, Joh. 1:16; 15:5. 1 Kor. 4:7. Openb. 3:18. verwijsteksten
5 Het Woord Gods en de leer, mitsgaders de gehoorzaamheid deszelven, en het gebruik der heilige sacramenten, worden vergeleken bij spijze, honingraten, wijn en melk, Ps. 19:11; 119:103. Jes. 55:1. Joh. 4:34. 1 Petr. 2:2. Omdat, gelijk honing, wijn en melk lieflijk en bekwaam zijn tot voedsel des lichaams, alzo zijn ook de voorgemelde zaken lieflijk en bekwaam om de ziel te laven en te verkwikken. verwijsteksten
6 Dat is, Ik heb een lust en welgevallen aan uw goede vruchten in het voorgaande verhaald, en goede werken. Daarentegen zo worden de kwade vruchten der zondaren genoemd vergiftige wijndruiven, die bittere beziën hebben, Deut. 32:32, 33. verwijsteksten
7 Hier nodigt de Bruidegom Christus Zijn vrienden, de engelen en alle gelovige mensen, dat zij zich met Hem verheugen vanwege de schone en lieflijke vruchten, dat is, de gehoorzaamheid Zijner kerk op aarde. Zie Luk. 2:13, 14; 15:7, 10. verwijsteksten
8 Die zijn vrienden van Christus, die daar doen den wil Zijns hemelsen Vaders, Joh. 15:14. verwijsteksten
a Jes. 41:8. Jak. 2:23. verwijsteksten
9 Zie de aant. Gen. 43:34. Weest dronken is hier te zeggen: Weest vervuld met liefde tot Mij en tot elkander, of: weest overvloediglijk verzadigd met geestelijke vreugd, die daar blijft tot in het eeuwige leven. Zie Spr. 9:5. Jes. 25:6; 55:1, 2. verwijsteksten
2 10Ik sliep, 11maar mijn hart waakte; de stem mijns Liefsten, Die 12klopte, was: 13Doe Mij open, 14Mijn zuster, Mijn vriendin, Mijn duive, Mijn volmaakte; want 15Mijn hoofd is vervuld met dauw, Mijn haarlokken met nachtdruppen.10 Hier wordt aangewezen, dat de bruid, of enige lidmaten der kerk, nadat zij wel gegeten en gedronken hebben, dat is, overvloediglijk de weldaden van Christus genoten hebben, somtijds in slaap of sluimer vallen, dat is, traag en slap in ijver en goede werken worden, en in vleselijke gerustheid en zorgeloosheid vervallen. Zie Matth. 25:5. Rom. 13:11. 1 Thess. 5:6, 7. verwijsteksten
11 Dat is, ik vergat evenwel mijn Bruidegom niet, maar hield Hem steeds in mijn hart. Versta hier door het hart den inwendigen mens, of den wedergeboren mens, die gesteld wordt tegen het vlees, of den uiterlijken mens, Rom. 2:28, 29. Zie ook Matth. 26:41. Gal. 5:17. verwijsteksten
12 De bruid vertelt hier de liefde en zorg van haar Bruidegom, Die haar niet wilde laten rusten in het bed van het wereldse gemak. Christus klopt aan de deur van ons hart door Zijn Woord, door Zijn Geest, en door kruis of kastijding, Openb. 3:20. verwijsteksten
13 Of: Open Mij, te weten de deur uws harten; sta op van den slaap der zonde, laat Mij in uw hart wonen door het geloof, hetzelve opwekkende.
14 Deze lieflijke namen die Christus Zijn bruid hier geeft (zij nog zijnde in haar zwakheid) geven te kennen Zijn uitnemende affectie en liefde tot haar, haar beminnende, onaangezien zij nog in dit zondige vlees leeft en wandelt, haar haar zonden en onvolmaaktheden niet toerekenende.
15 Dat is, Ik heb veel ongemak geleden. Hiermede wordt te kennen gegeven, dat Christus veel lijden en veel zwarigheid uitstaan zou, om Zijn bruid te verlossen en haar van haar zonden te reinigen. Want nat te zijn van den dauw des hemels is groot ongemak, Gen. 31:40, en het beduidt hier ellende lijden, als Dan. 4:25; gelijk ook de regen, als men niet overdekt is. Alzo betekenen ook droppelen inwatering, dat is, kwellingen of tegenspoeden, Amos 6:11. Anderen nemen deze woorden aldus: Gelijk de dauw en regen het land vruchtbaar maken, alzo maakt de leer van Christus dat Zijn kerk vele vruchten voortbrengt. Zie Deut. 32:2. Ps. 72:6. Hos. 14:6. verwijsteksten
3 16Ik heb mijn rok uitgetogen, 17hoe zal ik hem weder aantrekken? 18Ik heb mijn voeten gewassen, hoe zal ik ze weder bezoedelen?16 Dit antwoordt de bruid haar Bruidegom, weigerende op te staan om Hem in te laten, toen Hij aanklopte. Door het uittrekken van den rok en het liggen in het bed kan men hier verstaan het gemak dezer wereld, welke ook somtijds de ware gelovige kinderen Gods verhindert en ophoudt, dat zij Christus en Zijn Woord zo terstond niet openlijk of vrijmoediglijk belijden, als Hij aanklopt en Zijn genade hun aanbiedt, vrezende het ongemak dat daarmede vermengd is.
17 Alsof zij zeide: Ik kan hem niet aantrekken zonder moeite.
18 Dit is nog een argument, aanwijzende dat de bruid zich tot rust en gemak begeven had, want in die hete landen, waar zij gemeenlijk barrevoets gingen, plachten zij des avonds, als zij op hun rust gingen, hun voeten te wassen. Hetwelk de bruid gedaan hebbende, zo wilde zij (gelijk zij hier zegt) niet gaarne van het bed opstaan om haar Bruidegom in te laten, vrezende dezelve vuil te maken. Van zulke onnutte uitvluchten zie Luk. 14:18, enz. verwijsteksten
4 Mijn Liefste 19trok Zijn hand van het gat der deur, en 20mijn ingewand 21werd ontroerd 22om Zijnentwil.19 Zijn hand, die aan het gat der deur geweest was, trok Hij nu af, om weg te gaan, als volgt vers 6. Anders: stak Zijn hand door het gat der deur, te weten om de deur te openen, en alzo zou hier gesproken worden van de deur des harten, en te kennen gegeven worden dat Christus bij Zijn uitverkorenen aanhoudt met prediken en vermanen, als zij Hem niet terstond volgen, hun harten alzo aanroerende door de kracht en werking des Heiligen Geestes, dat Hij in hen een brandende liefde en verlangen tot Zich verwekt. verwijsteksten
20 Hebr. mijn ingewanden.
21 Met deze woorden geeft de bruid te kennen haar ongerustheid, hartelijke droefenis en leedwezen, omdat zij haar Beminde zo onbeleefdelijk afgewezen had, als Hij aanklopte, vers 3. Zie dergelijke manier van spreken Jer. 4:19; 31:20. verwijsteksten
22 Of: van Zijnentwege, te weten vanwege den Bruidegom. Hebr. over Hem.
5 23Ik stond op om mijn Liefste open te doen; en mijn handen drupten 24van mirre en mijn vingers van 25vloeiende mirre, 26op de 27handhaven des slots.23 Hier bewijst de bruid haar leedwezen, met uiterlijke tekenen van berouw en beterschap (vruchten die der bekering waardig zijn) met op te staan, de deur te openen, te zoeken, roepende haar Bruidegom, Die van haar was weggegaan.
24 Versta hier door mirre mirreolie, waarmede te kennen gegeven wordt dat de aanroering en werking van Christus door Zijn Heiligen Geest in de harten der gelovigen grote kracht heeft, en dat zij zulks in hun harten gevoelende, met geloof en boetvaardigheid (als welriekende specerijen) zich bereiden om hun Bruidegom te ontvangen.
25 Of: vlietende. Hebr. voorbijgaande of voortgaande mirre, of: overtreffende mirre, dat is, die andere te boven gaat in waardigheid.
26 Dat is, die aan de handhaven van het slot was.
27 Hebr. handen, of: palmen, dat is, handhaven, waar men de hand aan slaat. Anders: grendels, en versta hier de grendels waarmede de deur van binnen was gegrendeld geweest, Christus buiten de deur houdende en Hem verhinderende binnen te komen, welke nu met mirreolie bestreken zijnde, dat is, haar hart met de genadeolie gezalfd zijnde, en alzo alle sloten en grendels, dat is, alle hindernissen geweerd zijnde, de Bruidegom onverhinderd bij haar mocht binnenkomen, om te genieten de vruchten Zijner genade, die zij van Hem ontvangen had.
6 28Ik deed mijn Liefste open, maar mijn Liefste 29was geweken, 29Hij was doorgegaan; 30mijn ziel ging uit 31vanwege Zijn spreken; bik zocht Hem, maar 32ik vond Hem niet, ik riep Hem, doch Hij antwoordde mij niet.28 Dit gaat nog een trap verder, te weten, dat zij opgestaan zijnde, zelve de deur opent, opdat de Koning der ere tot haar zou mogen inkomen, bezijden stellende alle uitvluchten, haar verhinderende van het genieten Zijner lieflijke tegenwoordigheid.
29 . 29 Door de verdubbeling dezer rede, met dewelke de bruid klaagt over het weggaan van haar Bruidegom, wordt te kennen gegeven haar hartelijke droefenis, overmits zij Zijn tegenwoordigheid niet mocht genieten, gelijk zij in vorige tijden gedaan had.
30 Dat is, ik was als dood, te weten van schrik en vrees. Zie Gen. 35:18; 42:28 en de aantt. aldaar; alsook 1 Kon. 10:5. Of: mijn ziel ging uit, te weten vanwege de grote liefde en het hartelijke verlangen dat ik naar Hem had. verwijsteksten
31 Dat is, omdat Hij zo troostelijk met mij gesproken had, vers 2, hetwelk ik tevoren zo niet ter harte nam, maar nu zeer daardoor bewogen werd. verwijsteksten
b Hoogl. 3:1. verwijsteksten
32 Dit is een van de grootste zwarigheden die den kinderen Gods overkomen, dat het schijnt dat God hun gebed niet verhoort, al roepen zij dag en nacht tot Hem, Ps. 22:3. Jes. 59:1, 2, 3. verwijsteksten
7 33De wachters die in de stad omgingen, 34vonden mij, 35zij sloegen mij, zij verwondden mij; de wachters op de muren namen mijn 36sluier van mij.33 Zie Hoogl. 3:3. Hiermede wordt te kennen gegeven dat God somtijds gehengt, dat Zijn kerk van de tirannen en boze regenten dezer wereld, ja, ook wel van valse leraars, vervolgd en benauwd wordt, om haar te tuchtigen vanwege haar traagheid en onachtzaamheid, en opdat zij in het toekomende des te wakkerder en ijveriger zou zijn. verwijsteksten
34 Hieruit is af te leiden dat de bruid niet alleen tot aan de deur gegaan is om haar Bruidegom te zoeken, maar ook verder, Hem zoekende aan alle hoeken der stad.
35 Men slaat niet alleen met de hand of met stokken en zwaarden, enz., maar ook met de tong, als te zien is Jer. 18:18. Ja, slaan betekent ook somtijds iemand kwellen en verdriet aandoen, hetzij door wat middel het geschiedt, Ps. 69:27. Jes. 53:4. verwijsteksten
36 Of: lamfers. Het Hebreeuwse woord heeft zijn oorsprong van uitspreiden, omdat de vrouwspersonen de sluiers over haar hoofd uitbreiden, eensdeels tot sieraad, Jes. 3:23, anderdeels om eerbaarheids wil, Gen. 20:16; 24:65. Jer. 2:32, ook tot een teken van onderdanigheid, 1 Kor. 11:6, 7, 10. Dat men zulk deksel een vrouw van het hoofd afneemt, is tot haar grote schande strekkende; zodat de bruid hier reden heeft om daarover te klagen, alsof men haar geacht had voor een oneerbare lichte vrouw. Zie Ez. 23:26. Enigen verstaan hier door den sluier de vrijmoedige belijdenis des geloofs en der ware religie. Van dezen sluier zoeken de ontrouwe herders of valse leraars en de tirannen altijd de kerk en de lidmaten derzelve te beroven. verwijsteksten
8 c37Ik bezweer u, gij 38dochteren van Jeruzalem, 39indien gij mijn Liefste vindt, 40wat zult gij Hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde.c Hoogl. 3:5. verwijsteksten
37 Dat is, ik beveel het u op uw eed. Dit spreekt de bruid, nadat zij uit de handen van de wachters was ontkomen, verzoekende hulp en troost bij de ware lidmaten der gemeente van Christus.
38 Zie de aantt. Hoogl. 1:5; 2:7. verwijsteksten
39 Alsof zij zeide: Zo wanneer gij met uw gebeden voor Hem verschijnt, zo geeft Hem toch te kennen den soberen staat waarin Zijn bruid is, te weten dat ik zo hartelijk zeer verlang naar Zijn barmhartigheid, dat Hij de wonden mijner zonden wil genezen, dat ik door het verlangen moet bezwijken, indien ik de tekenen Zijner liefde nog lang ontberen moet.
40 Anders: dit zult gij Hem aanzeggen.
9 41Wat is uw Liefste meer 42dan een andere liefste, 43o gij schoonste onder de vrouwen? 44Wat is uw Liefste meer dan een andere liefste, dat gij ons zo bezworen hebt?41 Dit zijn woorden van zulke lidmaten der kerk die Christus nog niet ten volle kenden.
42 Dat is, dan de andere vrienden die ook bemind worden en lief zijn, zie vers 1, als de patriarchen, profeten en godzalige leraars, die de bruid niet hebben, maar zij zijn vrienden des Bruidegoms, die zich verheugen in Zijn stem, Joh. 3:29. verwijsteksten
43 Zie de aant. Hoogl. 1:8, en merk hier, dat hoewel (gelijk vss. 7, 8 gezegd is) de bruid zo zwaarlijk is geslagen en gewond geworden, vervallen zijnde in den duisteren nacht der vervolging, zo wordt zij nochtans hier genoemd de schoonste onder de vrouwen. Zie Hebr. 11:26. verwijsteksten
44 Dat zij deze vraag ten anderen male herhalen, daarmede wordt te kennen gegeven de zeer grote genegenheid die zij hebben, om Christus recht te kennen.
10 45Mijn Liefste is 46blank en rood, 47Hij draagt de banier 48boven tienduizend.45 Dit zijn de woorden der bruid tot degenen die haar naar haar Bruidegom gevraagd hadden, vers 9. verwijsteksten
46 Deze twee verven in één mens tegelijk zijnde, versieren hem zeer. De witte kleur beduidt zuiverheid en triomferende heerlijkheid. Daarom staat er dat de engelen verschenen zijn in witte klederen, Matth. 28:3. Hand. 1:10. Ja, ook Christus Zelf, Mattheüs 17. Zie ook Openb. 6:2; 19:14. Bij de rode kleur wordt verstaan het Priesterambt van Christus, overmits Hij ons gewassen heeft in Zijn bloed, Openb. 1:5. Zie ook Jes. 63:1, 2, 3, enz. Openb. 19:13, enz. verwijsteksten
47 Hebr. Hij is gebanierd, of: Hij baniert. Het is een gelijkenis genomen van een vaandrager en zijn vaandel, dat men boven al de andere zien kan. De zin is, dat de Heere Christus uitsteekt boven alle engelen en andere creaturen, overmits Hij in Zijn hand draagt en alleen staande houdt, door Zijn Goddelijke kracht, de banier van Zijn Heilig Evangelie, Jes. 11:12; 49:22. Anders: Hij is versierd met een banier van tienduizend. verwijsteksten
48 Dat is, over vele duizenden, een zeker getal voor een onzeker. De zin is, alhoewel Christus een ontelbaar leger van uitverkorenen onder Zich heeft (Openb. 7:9; 19:14), dat Hij nochtans uitmunt boven al dezelve, als hun Hoofd, Prins, Vaandrager. verwijsteksten
11 Zijn hoofd is van 49het fijnste goud, van 49het dichtste goud; Zijn haarlokken zijn 50gekruld, 51zwart als een raaf.49 . 49 Hier staan twee woorden bij elkander, met dewelke de Hebreeën twee soorten van het beste goud noemen, chethem en phaz. En hier wordt te verstaan gegeven dat het Hoofd, dat is, het Goddelijk Koninkrijk des Bruidegoms, zeer uitnemend schoon en voortreffelijk is, ook gedurig, Dan. 7:14. verwijsteksten
50 Of: krol, of: kroes.
51 Hiermede wordt de schoonheid der jeugd te kennen gegeven, want in die tijden hield men het daarvoor dat zwart haar den jongelingen wel stond en versierde, zijnde een teken van een hete en sterke natuur.
12 dZijn ogen zijn 52als der duiven 53bij de waterstromen, 54met melk gewassen, 55staande als in kasjes der ringen.d Hoogl. 1:15; 4:1. verwijsteksten
52 Hoogl. 1:15; 4:1 wordt gezegd dat de bruid duivenogen heeft, hier staat dat de Bruidegom duivenogen heeft, dat is, zuivere, klare, schone ogen. Dan. 10:6 worden Christus toegeschreven ogen als vurige lampen, en Openb. 1:14 als vlammen vuurs; alle betekenende dat Hij aller mensen wegen ziet, en dat Hij de geheimen der mensen in het licht brengt, 2 Kron. 16:9. Ps. 11:4; 90:8; 94:9. Jer. 16:17. Hebr. 4:13. verwijsteksten
53 Dat is, die zich bij de waterbeken onthouden.
54 Dat is, zo wit alsof zij met melk gewassen waren.
55 Hebr. zittende in de vulling, dat is, gelijk de stenen in de kasjes der gouden ringen staan of zitten, dat is, zij zijn fraai ingevoegd en staan gelijk een edelsteen in een schonen ring ingevat. Dusdanig zijn de zuivere en aangename ogen van den Bruidegom Christus Jezus.
13 56Zijn wangen zijn als een beddeken van specerij, als 57welriekende torentjes; 58Zijn lippen zijn als leliën, druppende van 59vloeiende mirre.56 Des Bruidegoms wangen worden vergeleken bij een hofbeddeken van specerijen, niet van zulke die verdord of droog zijn, maar die bloemen en bladeren hebben, gevende een zoeten reuk; waarmede te verstaan worden gegeven de lieflijke en aangename gratiën van Christus, dewelke deelachtig worden al degenen die Hem met waar geloof aannemen. Zie Hoogl. 6:2. verwijsteksten
57 Of: specerijtorentjes. Versta zulke dozen der apothekers die hoog zijn, als torentjes, waarin men specerij, reukwerken of poeders of parfum bewaart.
58 Dat is, Zijn lippen geven een zoeten reuk, alsof de reuk van leliën en mirre tezamen vermengd waren, dat is, zij brengen troostelijke en verkwikkende leringen voort.
59 Dat is, van olie gemaakt van de welriekende leliën en mirre onder elkander vermengd, als vers 5. Dit betekent de gratiën of genaden (of woorden der genade, Luk. 4:22) uitgestort in de lippen van Christus, Ps. 45:3. verwijsteksten
14 60Zijn handen zijn als gouden ringen, gevuld met 61turkoois; 62Zijn buik is als 63blinkend elpenbeen, 64overtogen met saffieren.60 Anders: Aan Zijn handen zijn gouden ringen. Versta hier door de handen versierd met gouden ringen waarin kostelijke stenen staan, de dierbare, zuivere en heerlijke werken des Bruidegoms; aldus wordt het woord handen genomen voor werking of macht 1 Kron. 29:12. 2 Kron. 20:6. verwijsteksten
61 In het Hebreeuws staat tarsis; als Ex. 28:20. verwijsteksten
62 Hebr. Zijn ingewanden. Maar hier moet men door de ingewanden verstaan den buik en de borst, in dewelke het ingewand besloten ligt. Hierdoor worden te kennen gegeven de innerlijke of hartelijke genegenheden des Bruidegoms, te weten Zijn liefde, genade en mededogendheid. Zie Luk. 1:78. 2 Kor. 7:15. Filipp. 2:1. verwijsteksten
63 Hebr. de glans des tands, te weten des tands van een olifant; versta dit van het schoonste, gepolijste blinkende ivoor of elpenbeen.
64 Dat is, versierd met saffieren. Enige saffieren zijn wit en klaarblinkend als een diamant; andere zijn blauw. Versta hier witte saffieren, waarmede de zuiverheid van den Bruidegom wordt aangewezen. Van den saffier zie ook Job 28:6. verwijsteksten
15 65Zijn schenkelen zijn als marmeren pilaren, gegrond op voeten van het dichtste goud; Zijn gestalte is 66als de Libanon, 67uitverkoren als de ceders.65 Onder den naam van schenkelen of benen worden ook de dijen verstaan, ja, het gehele onderlijf des lichaams tot de voeten toe, zijnde de instrumenten of delen die het lichaam dragen, onderstutten en bewegen van de ene plaats tot de andere. Deze gelijkenis wordt ook gebruikt Openb. 1:15. Zie Ps. 147:10. De sterkte en macht van Christus, of de machtige en gestadige hulp die Hij Zijn kerk bewijst, worden vergeleken bij marmerpilaren, die sierlijk en vast staan, zijnde gegrond op zuiver of dicht massief goud, betekenende dat de beloften en werken des Heeren zijn zuiver, vast, bestendig, ja, ook tegen de poorten der hel. Te dezen aanzien wordt Christus genoemd de Steenrots, waarop de kerk gebouwd staat, Matth. 16:18. 1 Petr. 2:6. verwijsteksten
66 Dat is, heerlijk, sterk en lieflijk, gelijk de schone, grote, hoge bomen, van welke vele op den berg Libanon wiesen, van denwelken zie de aant. Hoogl. 4:8. verwijsteksten
67 Dat is, schoon en aanzienlijk als de ceders. Dingen die andere overtreffen in schoonheid en grootheid, worden gemeenlijk door de mensen uitgezocht en uitverkoren.
16 68Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en 69al wat aan Hem is, is gans begeerlijk. Zulk een is mijn Liefste, 70ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochteren van Jeruzalem.68 Dat is, Zijn woorden, spraak, redenen (als Spr. 5:3; 8:7). Insgelijks leringen, vertroostingen, beloften. Zie Rom. 15:4. Kol. 3:16. verwijsteksten
69 Hebr. Hij is geheel begeerlijkheden; dat is, alles wat aan Hem is, is gans lieflijk, en waardig dat men begere hetzelve te mogen genieten. Dusdanig is Christus Zijner gemeente en allen uitverkorenen; maar den goddelozen en verworpelingen is Hij een ergernis en dwaasheid, 1 Kor. 1:23. Zie ook Ps. 22:7. Jes. 52:14; 53:2. verwijsteksten
70 Met deze woorden wil de bruid besluiten de uitnemendheid van den Heere Christus boven alle anderen.

Einde Hooglied 5