Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 ZIE, gij zijt schoon, Mijn vriendin, zie, gij zijt schoon; uw ogen zijn duivenogen tussen uw vlechten; uw haar is als een kudde geiten die het gras van den berg Gileads afscheren. |
| 2 Uw tanden zijn als een kudde schapen die geschoren zijn, die uit de wasstede opkomen; die altezamen tweelingen voortbrengen, en geen onder hen is jongeloos. |
| 3 Uw lippen zijn als een scharlaken snoer, en uw spraak is lieflijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van een granaatappel tussen uw vlechten. |
| 4 Uw hals is als Davids toren, die gebouwd is tot ophanging van wapentuig, waar duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden der helden. |
| 5 Uw twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van een ree, die onder de leliën weiden. |
| 6 Totdat de dag aankomt en de schaduwen vlieden, zal Ik gaan tot den mirreberg en tot den wierookheuvel. |
| 7 Geheel zijt gij schoon, Mijn vriendin, en er is geen gebrek aan u. |
| 8 Bij Mij van den Libanon af, o bruid, kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amána, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden. |
| 9 Gij hebt Mij het hart genomen, Mijn zuster, o bruid; gij hebt Mij het hart genomen met één van uw ogen, met één keten van uw hals. |
| 10 Hoe schoon is uw uitnemende liefde, Mijn zuster, o bruid! Hoeveel beter is uw uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer oliën dan alle specerijen! |
| 11 Uw lippen, o bruid, druppen van honingzeem; honing en melk is onder uw tong, en de reuk uwer klederen is als de reuk van Libanon. |
| 12 Mijn zuster, o bruid, gij zijt een besloten hof, een besloten wel, een verzegelde fontein. |
| 13 Uw scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, cyprus met nardus, |
| 14 Nardus en saffraan, kalmoes en kaneel, met allerlei bomen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen. |
| 15 O Fontein der hoven, Put der levende wateren, die uit Libanon vloeien! |
| 16 Ontwaak, Noordenwind, en kom, Gij Zuidenwind, doorwaai mijn hof, dat zijn specerijen uitvloeien. O, dat mijn Liefste tot Zijn hof kwame, en ate zijn edele vruchten! |