Statenvertaling.nl

sample header image

Hooglied 3 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Hooglied 3

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De bruid vertelt hoe naarstiglijk zij haar Bruidegom gezocht heeft, doch tevergeefs, vss. 1, 2, 3. Eindelijk vindt zij Hem en houdt Hem vast, 4. Hij wil niet dat men Zijn bruid zal opwekken, 5. Het sieraad der bruid, nadat zij gekomen was uit de verdrukking, 6. Het bed of de koets des Bruidegoms, onder de figuur van Salomo’s bed en koets, 7. De gelovigen worden genodigd, onder verbloemde woorden van Salomo’s bruiloft met zijn bruid, tot het Rijk der heerlijkheid, 11.
 
De bruid zoekt en vindt
1 IK zocht 1des nachts op mijn leger Hem 2Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar 3ik vond Hem niet; ik zeide:
1 Hebr. in de nachten. Hierdoor worden te kennen gegeven de grote aanvechtingen en bekoringen der kerk, als Jes. 21:12; 26:9. Amos 5:18. En tegelijk wordt hier aangewezen dat de kerk ten tijde van aanvechting en vervolging, als het schijnt dat zij verlaten is, Christus zoekt door het gebed. Zie Deut. 4:29. Jer. 50:4. Hos. 3:5; 5:15. Zef. 2:3. Matth. 7:7. verwijsteksten
2 Te weten mijn Bruidegom Jezus Christus, Zijn genade en goedertierenheid; Die van ons gevonden wordt, als wij Zijn genade in ons hart gevoelen tot onze vertroosting.
3 Dit strijdt niet tegen de belofte van Christus, Matth. 7:7; want die stelt geen preciesen tijd van vinden, maar die staat alleen in Gods hand; Hij alleen weet den bekwamen tijd der hulp, Hebr. 4:16. Vers 4 staat, dat de bruid na een weinig tijds haar Liefste gevonden heeft. verwijsteksten
 
2 Ik zal nu opstaan en 4in de stad omgaan, in de 5wijken en in de straten; ik zal Hem zoeken Dien mijn ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet.
4 Dat is, in de gemeente Gods, Ps. 87:3, of in het geestelijke Jeruzalem. Zie Hebr. 12:22. verwijsteksten
5 Of: markten, brede plaatsen. Zie Luk. 14:21, 22, 23. verwijsteksten
 
3 6De wachters die in de stad omgingen, vonden mij; ik zeide: 7Hebt gij Dien gezien, Dien mijn ziel liefheeft?
6 Versta hier onder den naam van wachters zodanige leraars als die waren, van dewelke Jesaja zegt, Jes. 56:10: Zij zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen. Of men kan hier door de wachters verstaan de groten en wijzen dezer wereld, dewelke, ofschoon men hun vraagt waar Christus is te vinden, zulks niet weten te zeggen. Zie Matth. 2:3, 4. Vgl. Hoogl. 5:7. verwijsteksten
7 De zin is: Weet gij mij mijn Vriend of Bruidegom niet te wijzen?
 
4 Toen ik 8een weinigje van hen weggegaan was, 9vond ik Hem Dien mijn ziel liefheeft; 10ik hield Hem vast en liet Hem niet gaan, 11totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene 12die mij gebaard heeft.
8 Te weten een weinig tijds of plaats. Hebr. Een weinig dat ik van hen was voorbijgegaan, totdat ik vond, enz.
9 Hier is vervuld de belofte van onzen Heere Jezus Christus, Matth. 7:7: Zoekt, en gij zult vinden, enz. verwijsteksten
10 Te weten met de hand des geloofs. Zie Spr. 4:13. Ef. 3:17. Kol. 1:23. Zie ook Gen. 32:26. verwijsteksten
11 De kerk geeft hier te kennen dat zij, de genade van Christus weder gevoelende, in Zijn gemeenschap volstandiglijk wil blijven.
12 Of: die mij ontvangen heeft.
 
5 13Ik bezweer u, gij dochteren van Jeruzalem, die bij de reeën of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt, noch wakker maakt, totdat het haar luste.
13 Dit gehele vers is verklaard Hoogl. 2:7. verwijsteksten
 
6 a14Wie is zij die daar opkomt uit 15de woestijn, 16als rookpilaren, berookt met 17mirre en wierook, en met allerlei 18poeder 19des kruideniers?
a Hoogl. 8:5. verwijsteksten
14 Dit is een verwondering der zwakgelovigen, sprekende van de kerk als van het volk van Israël, dat uit de woestijn opging naar het beloofde land, zich verwonderende over de vrijmoedigheid en heerlijkheid der kerk, nadat zij ontworsteld was uit de verdrukking en zware aanvechting, waarvan Hooglied 2 gesproken is, alsook in het begin van dit hoofdstuk. verwijsteksten
15 Bij de woestijn wordt hier verstaan de verwoesting van de uiterlijke gedaante der kerk, zo door tirannie als door ketterij, scheuring en zware ergernissen; gelijk het woord woestijn ook genomen wordt Jes. 32:15. Openb. 12:6. verwijsteksten
16 Als een sterke rook, die recht opgaat als een pilaar, of palmboom, welke betekenis het Hebreeuwse woord ook heeft. Dit betekent de vrijmoedigheid der kerk in het oefenen van den waren godsdienst, zonder dien na te laten uit vrees der boze mensen of andere inzichten, Hebr. 12:1. verwijsteksten
17 Door mirre en wierook moet men verstaan de verdiensten van Jezus Christus, die God den Vader een welriekende reuk zijn, Ef. 5:2. Openb. 8:3, 4, 5. verwijsteksten
18 Men kan bij dit poeder verstaan de vruchten der wedergeboorte; alsook, en inzonderheid, de gebeden en dankzeggingen der gelovigen, Mal. 1:11. verwijsteksten
19 Of: der drogisten. Anders: des apothekers, der parfumbereiders.
 
7 20Zie, 21het bed 22dat Sálomo heeft, daar zijn zestig helden rondom, 23van de helden Israëls,
20 Dit schijnen woorden van de bruid te zijn.
21 Anders: Zijn bed is als het bed van Salomo.
22 Hierdoor wordt afgebeeld dat de kerke Gods van Christus bewaard wordt, maar nog veel beter en treffelijker dan de koning Salomo van al zijn trawanten is bewaard geworden. Want de engelen Gods, die dienstbare geesten zijn, worden van Christus uitgezonden om haar te beschutten en te beschermen. Zie Hebr. 1:14. De gelovige kinderen Gods aldus bewaard en bewaakt zijnde, vrezen niet voor den schrik des nachts, noch voor den pijl die des daags vliegt, Ps. 91:5. Hierbij kan men ook verstaan de herders en leraars die de kerke Gods moeten bewaken en bewaren. verwijsteksten
23 Wat al kloeke dappere helden er in Israël geweest zijn, is te zien 1 Kron. 11:10-47; 12:1-38. verwijsteksten
 
8 24Die altemaal zwaarden houden, 25geleerd ten oorlog, elk 26hebbende zijn zwaard aan zijn heup, 27vanwege den schrik des nachts.
24 Alzo zijn ook de heilige engelen gewapend met Gods rechtvaardige wraak als met zwaarden, om de goeden te beschermen en om de kwaden te straffen, 1 Kron. 21:16. Alle getrouwe herders der kerk zijn gewapend met het Woord Gods en de christelijke discipline, hebbende bereide wraak tegen alle ongehoorzaamheid, Ps. 149:7. 2 Kor. 10:6. Hoewel ook anderszins alle Christenen gewapend zijn met het zwaard des Geestes, Ef. 6:17. verwijsteksten
25 Te weten van God, Die de handen Zijns volks leert strijden, 2 Sam. 22:35; en Zijn engelen en leraars kracht geeft om de kerk te bewaken en te bewaren. Anders: ervaren, geschikt, geoefend. verwijsteksten
26 Te weten gereed en vaardig staande om te vechten, als Ex. 32:27. verwijsteksten
27 Des nachts is men meer gevaar onderworpen dan des daags, hetzij van dieverij, moorderij, verraderij of dergelijk ongemak, hetwelk meest bij nacht geschiedt, zodat men alsdan moet goede wacht houden, Matth. 24:43, 44. Alzo moet elke christelijke ridder gewapend staan, gelijk de apostel ons leert Ef. 6:12, 13, 14. Inzonderheid ten tijde van vervolging. verwijsteksten
 
9 De koning Sálomo heeft zich been 28koets gemaakt van 29het hout van Libanon.
b Hoogl. 6:12. verwijsteksten
28 Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een bruidskoets of bedstede. Doch het betekent ook een koetswagen. Het schijnt dat hier gesproken wordt van dien triomfwagen waarvan Ps. 45:5 geschreven staat, waar bij den wagen verstaan wordt het woord der waarheid of de predicatie van het Heilig Evangelie. Anderen verstaan door het Hebreeuwse woord een sierlijk gebouw. verwijsteksten
29 Dat is, van cederhout, hetwelk op den berg Libanon overvloediglijk placht te wassen. Zie de aant. Richt. 9 op vers 15. Dit hout verrot niet. Zodat de leer van het Heilig Evangelie bekwamelijk bij hetzelve mag vergeleken worden. Want het is een eeuwig Evangelie, Openb. 14:6. Zie Hoogl. 1:17. verwijsteksten
 
10 30De pilaren derzelve maakte hij van zilver, haar 31vloer van goud, haar 32gehemelte van purper; het binnenste was 33bespreid met de liefde van de dochteren van Jeruzalem.
30 Door de pilaren of kolommen wordt de standvastigheid betekend, Openb. 3:12. En door de pilaren van zilver kan men hier verstaan de getrouwe herders der kerk, doch inzonderheid de profeten en apostelen. Zie Gal. 2:9. verwijsteksten
31 Of: bodem, grond, onderlaag. Anders: stoel, te weten waarop Salomo zat in zijn koets. Christus, Die de Grondslag of het Fundament Zijner kerk is, wordt terecht bij goud vergeleken, maar de pilaren bij zilver. Zie 1 Kor. 3:11. Openb. 21:21. verwijsteksten
32 Versta bij dit gehemelte de koninklijke bescherming Gods over Zijn kerk.
33 Of: geplaveid, gevloerd of bezet met lieflijkheid, of: geplaveid met liefde, dat is, lieflijk gewrocht, te weten met lieflijke beelden of schone figuren geborduurd, of kunstiglijk met de naald gewrocht van de dochteren van Jeruzalem. Anders: ontstoken. Naar de geestelijke beduiding kan men hier door de liefde verstaan die innerlijke liefde die God Zijn kinderen toedraagt, gevende Zijn Zoon voor het leven derzelve, mitsgaders die liefde die wij God en onzen naaste toedragen; want wij kunnen God niet liefhebben, of Hij moet ons eerst Zijn liefde bewijzen, 1 Joh. 4:10. Sommigen verstaan het 9de en 10de vers als een beschrijving van de hemelse heerlijkheid. verwijsteksten
 
11 34Gaat uit en aanschouwt, 35gij dochteren Sions, den koning Sálomo, met de kroon 36waarmede hem zijn moeder kroonde op den dag 37zijner bruiloft, en op den dag der vreugde zijns harten.
34 In dit vers wordt onder den naam en de heerlijkheid van Salomo, die een voorbeeld op Christus geweest is, beschreven de glorie die alle kinderen Gods zullen aanschouwen op de bruiloft des Lams, die voor de uitverkoren kinderen Gods bereid is. Als wij vermaand worden uit te gaan, daarmede wordt te kennen gegeven dat het de pijn waard is, dat men wat moeite daarom doet, gelijk men doet om een koning in zijn triomf te aanschouwen.
35 De dochteren Sions betekenen hier de Christenen, of de kerk van Christus, als Jes. 49:14, 22. Dezen worden hier vermaand dat zij Christus (den rechten Salomo) zullen aanschouwen en aannemen, met Zijn kroon, dat is, in glorie en heerlijkheid. Zie Ps. 149:2. Matth. 21:5. Openb. 6:1, 3, 5, 7. verwijsteksten
36 Het schijnt uit deze woorden, dat Bathseba haar zoon Salomo met een zeer schone en sierlijke kroon vereerd heeft op zijn bruiloftsdag; en door deze kroon wordt afgebeeld de heerlijkheid van Christus, waartoe Hij verheven is door Zijn hemelvaart, en die Hij Zijn kerk zal laten aanschouwen in den hemel. Zie Luk. 24:26. Joh. 17:24. Filipp. 2:9. verwijsteksten
37 Anders: zijner ondertrouw, te weten toen Salomo trouwde met zijn bruid. Geestelijkerwijze mag men hier verstaan het huwelijk van Christus met Zijn kerk, hetwelk geschiedt als zij de predicatie van het Heilig Evangelie met waar geloof aanneemt, alsdan wordt zij gezegd aan Christus te huwelijken, 2 Kor. 11:2. Gelijk zich een bruidegom over zijn bruid verheugt, alzo verheugt Zich God over Zijn volk. Zie Jes. 62:1, 5. verwijsteksten

Einde Hooglied 3