Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 MIJN zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg. |
| 2 Bewaar mijn geboden en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen. |
| 3 Bind ze aan uw vingers, schrijf ze op de tafel uws harten. |
| 4 Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend; |
| 5 Opdat zij u bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende, die met haar redenen vleit. |
| 6 Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit, |
| 7 En ik zag onder de slechten, ik merkte onder de jonge gezellen een verstandelozen jongeling, |
| 8 Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis, |
| 9 In de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid; |
| 10 En zie, een vrouw ontmoette hem in hoerenversiersel, en met het hart op haar hoede; |
| 11 Deze was woelachtig en wederstrevig; haar voeten bleven in haar huis niet; |
| 12 Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende. |
| 13 En zij greep hem aan en kuste hem; zij sterkte haar aangezicht en zeide tot hem: |
| 14 Dankoffers zijn bij mij, ik heb heden mijn geloften betaald. |
| 15 Daarom ben ik uitgegaan u tegemoet, om uw aangezicht naarstiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden. |
| 16 Ik heb mijn bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, met fijn linnen van Egypte. |
| 17 Ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekende gemaakt; |
| 18 Kom, laat ons dronken worden van minne tot den morgen toe, laat ons ons vrolijk maken in grote liefde. |
| 19 Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen; |
| 20 Hij heeft een bundel geld in zijn hand genomen, ten bestemden dage zal hij naar zijn huis komen. |
| 21 Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door de vleiing harer lippen. |
| 22 Hij ging haar straks achterna, gelijk een os ter slachting gaat, en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien, |
| 23 Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet dat dezelve tegen zijn leven is. |
| 24 Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds. |
| 25 Laat uw hart tot haar wegen niet wijken, dwaal niet op haar paden. |
| 26 Want zij heeft vele gewonden nedergeveld, en al haar gedoden zijn machtig vele. |
| 27 Haar huis zijn wegen des grafs, dalende naar de binnenkameren des doods. |