Statenvertaling.nl

sample header image

Spreuken 6 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Spreuken 6

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Waarschuwing voor borgtocht, vs. 1, enz. Voor luiheid, met beschaming door het voorbeeld der mieren, 6. Voor het wezen en de gebaren van een deugniet, 12. Zes, ja, zeven dingen die God haat, 16. Plicht der kinderen jegens het goede onderwijs hunner ouders, met schone beloften, 20. Inzonderheid van bewaard te zullen zijn voor de hoerachtige, overspelige vrouwen, die met haar schadelijke vruchten, haar eigen en harer aanhangers onzalig einde, beschreven worden, 24. Vergelijking van diefstal en overspel, 30.
 
Allerlei waarschuwingen
1 MIJN1 zoon, zo gij voor uw naaste borg geworden zijt, 2voor een vreemde 3uw hand toegeklapt hebt;
1 Zie Spr. 1 op vers 8. verwijsteksten
2 Dat is, voor een die u onbekend is, of voor een ander, dat is, voor iemand, wie hij zou mogen wezen, u bekend of niet. Vgl. Spr. 11:15. verwijsteksten
3 Te weten tot een teken dat gij uw woord houden zult, waardoor gij beloofd hebt te zullen betalen, zo de schuldenaar in gebreke valt. Zie Job 17 op vers 3. Het recht en voorzichtig gebruik van borg voor een ander te worden, is hier niet bestraft, maar de onvoorzichtigheid, lichtvaardigheid en onbedachtzaamheid, die hierin dikwijls geschiedt. verwijsteksten
 
2 4Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.
4 Anders: Zijt gij verstrikt, enz.
 
3 Doe nu dit, mijn zoon, en 5red u, dewijl gij 6in de hand uws naasten gekomen zijt: ga, 7onderwerp uzelven en 8sterk uw naaste;
5 Dat is, maak u vrij van de borgschuld, hetzij bij den schuldheer, opdat hij u ontsla, of bij den schuldenaar, dat hij betale en u buiten zorg stelle.
6 Dat is, in het geweld van uw schuldheer, voor zoveel als hij van u te eisen heeft. Vgl. Gen. 16:6 en de aant. verwijsteksten
7 Het Hebreeuwse woord betekent zulke vernedering alsof men zich met de voeten wilde laten vertrappen. Alzo Ps. 68:31. Zie aldaar de aant. verwijsteksten
8 Dat is, geef den schuldheer goeden moed, opdat hij tevreden zij van de betaling, en hij die van u niet strengelijk afeise, maar geduldiglijk van den schuldenaar verwachte; en sterk of dring dengene voor welken gij borg geworden zijt, dat hij zijn best doe om te betalen.
 
4 9Laat uw ogen geen slaap toe, noch uw oogleden sluimering;
9 Dat is, neem geen uitstel om uzelven en den schuldheer gerust te stellen.
 
5 10Red u als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.
10 Te weten uit het geweld van den schuldheer, aan denwelken gij u tot de betaling verbonden hebt.
 
6 Ga tot de mier, gij luiaard, zie haar 11wegen en word wijs;
11 Dat is, manier of wijze van doen, te weten in het wakker, zorgvuldig en naarstig vergaderen van haar kost. Zo is het woord weg genomen Spr. 13:15; 14:12; 16:2; 21:2; 30:19, 20. verwijsteksten
 
7 Dewelke, geen 12overste, ambtman, noch heerser hebbende,
12 Gelijk wel onder andere beesten de bijen haar koningin hebben, die de haren tot naarstigheid aandrijft, en de ledigen doodbijt of uitwerpt; maar de mier geen zulken koning behoevende, drijft zichzelven tot het werk.
 
8 Haar 13brood bereidt in den zomer, haar spijze vergadert in den oogst.
13 Versta korengraantjes, dewelke zij beknabbelt en met bijten doorsnijdt, opdat zij niet uitschieten zouden, teneinde zij tegen den winter daarvan haar provisie hebben mocht, uit welke oorzaak zij bij de Hebreeën nemalah genaamd wordt van namal, hetwelk is besnijden, afsnijden.
 
9 Hoe lang zult gij, aluiaard, nederliggen? Wanneer zult gij van uw slaap opstaan?
a Spr. 13:4; 20:4; 24:33, 34. verwijsteksten
 
10 14Een weinig slapen, een weinig sluimeren, een weinig handvouwen, al nederliggende;
14 Dat is, terwijl gij u voortdurend tot het slapen en luieren begeeft, zo zal u de armoede overvallen. Sommigen menen dat hier de luiaard wordt ingevoerd, sprekende tot zichzelven, of op de voorgaande bestraffing antwoordende, en wensende dat hij slechts nog een weinig slapen, enz., mocht hebben, enz. Zoveel is het, dat Salomo schijnt te zien op de manier van doen en spreken dergenen die zich tot luiheid gewennen.
 
11 Zo zal uw armoede u overkomen 15als een wandelaar, en uw gebrek 16als een gewapend man.
15 Dat is, haastelijk en onvoorziens; gelijk een reizende man zich spoedt en gemeenlijk onverwacht overkomt.
16 Hebr. een man des schilds; dat is, die een schild draagt. Versta een sterkgewapend man, die pleegt in te komen zonder vragen en niet lichtelijk weder kan uitgedreven worden.
 
12 Een 17Belialsmens, 18een ondeugdzaam man, gaat met 19verkeerdheid des monds om,
17 Alzo Spr. 16:27. Zie Deut. 13 op vers 13. verwijsteksten
18 Hebr. een man van ondeugdzaamheid, of ijdelheid, of ongerechtigheid. Zie Job 11 op vers 11. Ps. 5 op vers 7. Anders: Een Belialsmens is een ondeugdzaam of ongerechtig man, omgaande met verkeerdheid des monds. verwijsteksten
19 Zie Spr. 2 op vers 12; 4 op vers 24. verwijsteksten
 
13 20Wenkt met 21zijn ogen, 22spreekt met zijn voeten, 23leert met zijn vingers;
20 De zin is, dat hij niet alleen zijn mond misbruikt, maar ook al zijn leden aanlegt om zijn boosheid in het werk te stellen.
21 Daarmede te kennen gevende enig kwaad, dat hij zelf voorheeft, of van een ander begeert gedaan te hebben.
22 Te weten al stotende, stampende, aanroerende of tredende met dezelve.
23 Te weten daarmede wijzende, tellende, dreigende, enz.
 
14 In zijn hart zijn 24verkeerdheden, hij 25smeedt te allen tijde kwaad, hij 26werpt twisten in.
24 Dat is, bedenkingen, lusten en voorslagen om iets verkeerds of onrechts te stichten met woorden of werken.
25 Zie Spr. 3 op vers 29. Alzo onder vers 18. verwijsteksten
26 Hebr. zendt; dat is, veroorzaakt veel onenigheid, stof daartoe gevende en de gemoederen der mensen ophitsende. Alzo vers 19. Spr. 16:28. verwijsteksten
 
15 Daarom zal zijn verderf haastelijk komen; hij zal schielijk verbroken worden, dat er 27geen genezen aan zij.
27 Dat is, geen middel om het verderf te ontkomen. Alzo Spr. 29:1. verwijsteksten
 
16 Deze 28zes haat de HEERE, ja, 29zeven zijn Zijn 30ziel een gruwel:
28 Een zeker getal voor een onzeker.
29 Anders: het zevende. Zie van deze manier van spreken Job 5 op vers 19. verwijsteksten
30 Hebr. Zijner ziele gruwel, of: de gruwel van Zijn ziel, dat is, wat Zijn ziel voor een gruwel houdt. Zie Deut. 17 op vers 1. Spr. 3 op vers 32. verwijsteksten
 
17 b31Hoge ogen, een 32valse tong, en handen die onschuldig bloed vergieten,
b Spr. 30:13. verwijsteksten
31 Dat is, hovaardij, waarvan de verheven en opvliegende ogen een teken zijn. Vgl. Ps. 101:5. Spr. 30:13. Jes. 5:15. Tegen deze zijn de nederigen van ogen, Job 22:29. verwijsteksten
32 Hebr. tong der valsheid; dat is, die leugentaal spreekt. Alzo Ps. 109:2. Spr. 12:19; 21:6. verwijsteksten
 
18 Een hart dat 33ondeugdzame gedachten smeedt, c34voeten die zich haasten om tot kwaad te lopen,
33 Hebr. gedachten der ondeugdzaamheid of ongerechtigheid. Versta een hart dat het op snode en ongerechtige praktijken toelegt. Zie Spr. 3 op vers 29, en boven, vers 14. verwijsteksten
c Rom. 3:15. verwijsteksten
34 Versta mensen die door hun kwade zinnen en genegenheden zeer gedreven worden om hun naaste schade en verdriet aan te doen.
 
19 35Een vals getuige die leugens 36blaast, en die tussen broederen krakelen 37inwerpt.
35 Hebr. Een getuige der valsheid.
36 Dat is, met grote menigte en hoogmoed versiert en voortbrengt. Alzo Spr. 14:25; 19:5, 9. verwijsteksten
37 Hebr. zendt. Zie op vers 14. verwijsteksten
 
20 Mijn zoon, dbewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
d Spr. 1:8. verwijsteksten
 
21 38Bind ze steeds aan uw ehart, hecht ze aan uw hals.
38 Vgl. Spr. 3:3 en de aantt. verwijsteksten
e Spr. 3:3. verwijsteksten
 
22 Als gij wandelt, zal f39dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve 40met u spreken.
f Spr. 3:23, 24. verwijsteksten
39 Te weten dat gebod uws vaders waarvan in het voorgaande 20ste vers gesproken is; hoewel het woord ook zien kan op de wet der moeder.
40 Dat is, u indachtig maken wat gij in uw wandel doen en laten moet en waarmede gij u in alle lijden vertroosten zult.
 
23 Want g41het gebod is een 42lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der 43tucht zijn de 44weg des levens,
g Ps. 19:9; 119:105. verwijsteksten
41 Te weten dat uit Gods Woord en wet genomen is.
42 Vgl. Ps. 119:105. verwijsteksten
43 Dat is, die geschiedt door de tucht of door de onderwijzing, die voorgaan moet, zou men tot de wijsheid geraken. Zie van dit woord Spr. 1 op vers 2. verwijsteksten
44 Dat is, die tot het leven leidt; alzo de weg des doods, die ter dood leidt. Zie Jer. 21:8. Vgl. Spr. 2 op vers 8. verwijsteksten
 
24 Om u te bewaren voor de 45kwade vrouw, voor de 46hvleiing der 47vreemde tong.
45 Hebr. vrouw des kwaads; dat is, die zich bezighoudt met kwaad doen.
46 Dat is, smeking, streling, schoonspreking. Vgl. Spr. 2 op vers 16. verwijsteksten
h Spr. 2:16; 5:3; 7:5. verwijsteksten
47 Zie Spr. 2 op vers 16. verwijsteksten
 
25 Begeer haar schoonheid niet in uw hart, en laat haar u niet vangen 48met haar oogleden.
48 Dat is, met de schoonheid harer ogen en met haar lieflijk aanzien.
 
26 Want door 49een vrouw die een hoer is, komt men tot 50een stuk brood; en 51eens mans huisvrouw 52jaagt de kostelijke ziel.
49 Hebr. een vrouw, een hoer; dat is, die een hoer is; alzo 1 Kon. 3:16. Insgelijks een vrouw, een profetes; dat is, die een profetes was, Richt. 4:4. Een man, een profeet; dat is, die een profeet was, Richt. 6:8. verwijsteksten
50 Dat is, tot armoede, ja, ook wel tot den bedelzak.
51 Dat is, die een man heeft en evenwel naar andere mannen staat. Anders: een manziek wijf. Sommigen verstaan door een vrouw des mans een allemansvrouw.
52 Dat is, brengt niet alleen het lichaam desgenen dien zij tot onkuisheid verlokt, in het tijdelijk verderf, maar ook zijn ziel, die zijn waardigste deel is, in het eeuwige lijden. Vgl. Ez. 13:18. verwijsteksten
 
27 53Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?
53 Deze vraag, gelijk ook de volgende, loochenen sterkelijk. Zie Gen. 18 op vers 17. verwijsteksten
 
28 Zal iemand op 54kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?
54 Te weten vurige of gloeiende kolen. Zie van dit woord Job 41 op vers 12. verwijsteksten
 
29 55Alzo wie 56tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar 57aanroert, zal niet 58onschuldig gehouden worden.
55 Gelijk de twee voorgaande gelijkenissen vast gaan en zeker zijn, alzo ook dit, dat daarop gepast wordt; te weten dat de overspeler zich kwetst en schade doet aan goed, lichaam, eer en ziel.
56 Zie Gen. 6, de aant. op vers 4. verwijsteksten
57 Dat is, met haar te doen heeft door bijslaping. Zie gelijke manier van spreken Gen. 20:6. 1 Kor. 7:1. verwijsteksten
58 Dat is, niet ongestraft blijven. Zie 1 Kon. 2 op vers 9. Job 9 op vers 28. verwijsteksten
 
30 59Men doet een dief geen verachting aan als hij steelt om zijn 60ziel te vullen dewijl hij honger heeft;
59 Hij wil zeggen, dat dieverij zo grote zonde niet is als overspel, en dat diefstal, geschied bijzonderlijk door hongersnood, niet zo smadelijk en hardelijk gestraft werd als het overspel. En dit kan men verstaan van een particuliere handeling tussen den dief en den man wien hij iets ontstolen heeft.
60 Dat is, zich te verzadigen, of versta door ziel begeerte. Zie Gen. 34 op vers 3. Ps. 27 op vers 12. verwijsteksten
 
31 En gevonden zijnde, vergeldt hij het i61zevenvoudig; hij geeft 62al het goed van zijn huis.
i Ex. 22:1, 4. verwijsteksten
61 Dat is, veelvoudig. Zeven is dikwijls in de Heilige Schrift een zeker getal voor een onzeker, als Gen. 4:15. Lev. 26:18. Ps. 119:164. Spr. 24:16; 26:25, betekenende veelheid. De simpele dieven moesten wel het gestolene maar twee- of vier- of vijfdubbel wedergeven, Ex. 22:1, enz., en 4; maar sommigen menen dat de straf, den dieven door de wet opgelegd, ten tijde van Salomo verzwaard was. Of men kan het zo verstaan, dat de dief met den man accordeert dat hij hem zoveel wil geven, opdat hij hem geen schande aandoe. verwijsteksten
62 Te weten indien hij zo schamel is dat hij niet veelvoudiglijk kan wedergeven.
 
32 Maar wie met een vrouw overspel doet, 63is verstandeloos; hij verderft zijn ziel, 64die dat doet;
63 Hebr. harteloos, of: heeft geen hart, of: heeft gebrek van een hart; dat is, heeft geen wetenschap, verstand noch zinnen, niet begrijpende wat Gode aangenaam, eerlijk voor de mensen en profijtelijk voor zichzelven is. Zie dezelve benaming Spr. 7:7; 9:4, 16; 10:13; 11:12; 15:21; 17:18, enz. Het woord hart is dikwijls genomen voor het verstand. Zie Job 9 op vers 4. verwijsteksten
64 Dat is, die overspel begaat.
 
33 Plaag en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet 65uitgewist worden.
65 Of: uitgedelgd, uitgevaagd worden.
 
34 Want jaloersheid is een grimmigheid des mans, en 66in den dag der wraak zal hij 67niet verschonen.
66 Dat is, als de gelegenheid zal verschenen of voorgevallen zijn om zich te wreken. Alzo wordt de tijd in denwelken God Zich wreken wilde tegen de vijanden Zijner kerk, genaamd een dag der wrake, Jes. 34:8. Vgl. Job 20:28; 24:1. Spr. 11:4. verwijsteksten
67 Te weten den overspeler.
 
35 68Hij zal geen 69verzoening aannemen; en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het 70geschenk vergroot.
68 Hebr. Hij zal niet aannemen het aangezicht aller verzoening; dat is, geen zoengeld aannemen. Zie 1 Kon. 11 op vers 34. Van de manier van spreken het aangezicht aannemen, zie Gen. 32 op vers 20. verwijsteksten
69 Vgl. Num. 35 op vers 31. verwijsteksten
70 Of: de geschenken vermenigvuldigt.

Einde Spreuken 6