Statenvertaling.nl

sample header image

Spreuken 29 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Spreuken 29

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Hardnekkigheid, vs. 1. Goede en kwade regering, 2, 4, 12, 14, 16. Wijsheid en hoeren, 3. Vleien, 5. Bozen, goddelozen, ongerechtigen en rechtvaardigen, 6, 7, 27. Spotters, zotten en wijzen, 8, 11. Pleit van een wijze met een dwaas, 9. Haat en liefde der oprechten, 10. Redenen, 11, 20. Armen en woekeraars, 13. Tucht, 15, 17, 19, 21. Profetie, 18. Toornigheid, 22. Hoogmoed en nederigheid, 23. Gemeenschap met dieverij, 24. Onmatige vrees en vertrouwen op God, 25. Gods regering over rechtszaken, 26.
 
De val der goddelozen
1 EEN1 man die, dikwijls bestraft zijnde, 2den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, 3zodat er geen genezen aan zij.
1 Hebr. Een man der bestraffingen, dat is, die veel en dikwijls bestraft wordt. Alzo een man der smarten, Jes. 53:3, voor dengene die vele smarten lijdt. Een man der begeerten, Dan. 10 op vers 11, voor dengene die zeer begeerd wordt. verwijsteksten
2 Zie Ex. 32 op vers 9. verwijsteksten
3 Zie Spr. 6 op vers 15. verwijsteksten
 
2 aAls de rechtvaardigen 4groot worden, verblijdt zich het volk; maar als de goddeloze heerst, 5zucht het volk.
a Spr. 11:10; 28:12, 28. verwijsteksten
4 Dat is, als zij tot groot aanzien komen en in de regering zitten; gelijk af te leiden is uit het andere lid van dit vers. Vgl. 2 Kon. 5:1; 10:6; 25:9 met de aantt. Anders: vele worden, of vermenigvuldigen. verwijsteksten
5 Te weten onder den last der tirannie, waarmede het van de goddeloze heersers verdrukt wordt. Zie een voorbeeld Ex. 2:23. verwijsteksten
 
3 bEen man die de wijsheid bemint, verblijdt zijn vader; c6maar die een metgezel der hoeren is, brengt het goed door.
b Spr. 10:1; 15:20. verwijsteksten
c Spr. 28:7. Luk. 15:13. verwijsteksten
6 Dat is, der hoeren aanhanger, voeder en onderhouder. Hebr. weider. Zie Spr. 13 op vers 20. verwijsteksten
 
4 7Een koning houdt 8het land staande 9door het recht, 10maar een die tot geschenken genegen is, verstoort hetzelve.
7 Te weten die wijs en vroom is. Zie Spr. 18 op vers 22. verwijsteksten
8 Dat is, de regering of den staat des lands, en het welvaren der inwoners of onderzaten.
9 Dat is, door het handhaven van alle goede wetten, waardoor de goeden voorgestaan en de kwaden gestraft worden.
10 Hebr. een man der heffingen of der hefoffers. Van het Hebreeuwse woord terumah zie Lev. 7:14. Num. 5:9, in de aantt. Hier verstaan wij hetzelve van de heffing der geschenken, waartoe een heer des lands zou mogen genegen zijn om iemand gunst toe te dragen, zonder het op het recht te hebben toegelegd. Men kan het woord ook verstaan van de oplegging der schattingen, die een prins van zijn onderzaten met derzelver verdrukking tiranniglijk opneemt. verwijsteksten
 
5 Een man die zijn naaste 11vleit, 12spreidt een net uit voor deszelfs gangen.
11 Te weten met hem onmatiglijk te prijzen, te verschonen in zijn zonden en bedektelijk tot allerlei boosheid op te hitsen, enz.
12 Dat is, brengt hem in gevaar van het verderf, dat onder de vleiende woorden verborgen is; gelijk een vogeltje door het aas aangelokt wordt om in het net, waarop het niet verdacht is, gevangen te worden.
 
6 In de overtreding eens bozen mans is een 13strik, maar de rechtvaardige 14juicht en is blijde.
13 Te weten verborgen, hetwelk hem brengt in het gevaar des verderfs, ja, waarin hij gewisselijk zal verloren gaan, tenzij God hem door de bekering daaruit trekke.
14 Te weten omdat hij zich wachtende van zonden, zodanigen strik niet vreest.
 
7 dDe 15rechtvaardige 16neemt kennis van de rechtszaak der armen, maar de goddeloze begrijpt 17de wetenschap niet.
d Job 29:16. verwijsteksten
15 Te weten rechter.
16 Dat is, neemt aan het geschil der armen te onderzoeken, te verstaan, te bezorgen en te helpen, zoals de gerechtigheid der zaak vereist. Vgl. Job 29:16. verwijsteksten
17 Namelijk waardoor hij behoort te verstaan zowel zijn schuldigen plicht, die hem verbindt tot de hulp der armen, als de rechte manier en wijze om dezelve wel en tijdiglijk te betonen.
 
8 18Spotdrijvende lieden 19blazen een stad aan brand, maar de wijzen keren den 20toorn af.
18 Hebr. Mannen of lieden der spotternij of bespotting.
19 Te weten door het vuur der Goddelijke wraak aan te steken door hun gruwelijke zonden, of ook het vuur der onenigheid of der muiterij en des oorlogs door hun kwaden raad en ontrouw. Anders: verstrikken een stad.
20 Te weten Gods, door hun godvruchtige gebeden; en der mensen, door hun voorzichtigheid, zachtmoedigheid, manierlijkheid, enz.
 
9 Een wijs man, met een dwaas man in rechte zich begeven hebbende, hetzij dat 21hij beroerd is of lacht, zo is er toch geen 22rust.
21 Te weten de wijze man. De zin is, hetzij dat hij zich toorniglijk, hetzij vriendelijk aanstelt, het is eveneens. Anderen verstaan dit van den dwaas, die nu gram wordt en dan lacht, maar al met enerlei bezwaarlijke uitkomst.
22 Te weten van het geschil. Want de dwaze zal altijd nog uitvlucht zoeken en wat in te brengen hebben.
 
10 23Bloedgierige lieden haten den 24vrome, maar de oprechten zoeken zijn 25ziel.
23 Hebr. Mannen of lieden der bloeden, dat is, de bloedgierige mensen, of die tot doodslagen genegen zijn. Zie Ps. 5 op vers 7. verwijsteksten
24 Zie Gen. 6 op vers 9. Job 1 op vers 1. verwijsteksten
25 Te weten om die van het verderf te bevrijden. Vgl. Ps. 142:5. Anders is de ziel van iemand te zoeken naar zijn leven te staan. Zie Ex. 4 op vers 19. 2 Sam. 4 op vers 8. verwijsteksten
 
11 eEen zot laat 26zijn gansen geest uit, maar de wijze 27wederhoudt dien achterwaarts.
e Spr. 14:33. verwijsteksten
26 Dat is, al zijn gedachten. Vgl. Spr. 1 op vers 23. Insgelijks affecten, bewegingen, genegenheden. Zie 2 Kon. 19 op vers 7. verwijsteksten
27 Dat is, houdt en bindt zichzelven in, dat hij al zijn gedachten, wetenschap en voornemen niet tegelijk openbaart.
 
12 Een 28heerser die op 29leugentaal 30acht geeft, al zijn dienaars 31zijn goddeloos.
28 Versta een die over enig landschap en volk de opperste regeerder is. Zie 2 Sam. 23 op vers 3. verwijsteksten
29 Hebr. het woord der valsheid; alzo Spr. 13:5. verwijsteksten
30 Te weten alzo dat hij ze genegen is te geloven en voor te staan.
31 Welverstaande ten meesten dele, overmits een goddeloos regeerder zijns gelijken begeert en gemeenlijk krijgt door het beleid der zijnen die hem gelijk zijn, of, zo zij vroom zijn die hij krijgt, poogt dezelve naar zijn zin te formeren of af te richten.
 
13 fDe arme en 32de bedrieger 33ontmoeten elkander; de HEERE 34verlicht hun beider ogen.
f Spr. 22:2. verwijsteksten
32 Hebr. de man der bedriegerijen, of der woekeringen of loosheden. Versta een onrechtvaardigen rijke, die zijn rijkdom wint met loze en onrechtvaardige praktijken. Anders: een man der loze vlijtigheden, dat is, die door naarstigheid, vermengd met behendigheid, middelen vergadert.
33 Dat is, leven en handelen met elkander. Vgl. Spr. 22:2 en de aant. verwijsteksten
34 Te weten met het licht der zon, zodat Hij hen beiden in het leven behoudt, zolang als het Hem belieft, Matth. 5:45. Sommigen verstaan het van de verlichting van het natuurlijke verstand. Vgl. Joh. 1:9. verwijsteksten
 
14 gEen koning die den 35armen in trouwe 36recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.
g Spr. 20:28; 25:5. verwijsteksten
35 Te weten die lichtelijk kunnen verdrukt worden door de onrechtvaardigheid en het geweld van anderen, en zwaarlijk hulp vinden door hun eigen onvermogen en armoede.
36 Dat is, kennisneemt van hun zaak, recht daarvan oordeelt zonder aanzien van personen, en zo hij hen bevindt recht te hebben, dezelve voorstaat tegen hun verdrukkers, met sententie en executie, zonder daarin te verflauwen door des enen kleinheid en armoede, of omgekeerd te worden door des anderen grootheid en rijkdom. Alzo Ps. 82:3. Jes. 1:17, enz. verwijsteksten
 
15 hDe 37roede en de 38bestraffing geeft wijsheid, imaar een kind 39dat aan zichzelf gelaten is, beschaamt 40zijn moeder.
h Spr. 13:24; 22:15; 23:13. verwijsteksten
37 Versta de straf die geschiedt door slagen. Zie Spr. 10 op vers 13. verwijsteksten
38 Te weten die geschiedt door woorden; hoewel het woord in het oorspronkelijke somtijds ook betekent de straffing dewelke dadelijk geschiedt door slagen. Zie Spr. 3 op vers 11. verwijsteksten
i Spr. 10:1; 17:21, 25. verwijsteksten
39 Dat is, dat men toelaat zijns zelfs te zijn, zonder onder iemands opzicht, onderwijs en bedwang te staan.
40 Ja, ook zijn vader; maar voornamelijk de moeder, omdat zij meest in deszelfs opbrenging bezig is geweest, gelijk ook het vrouwelijk geslacht de versmading der kwaadwilligen meest onderworpen is en zich dezelve lichter aantrekt.
 
16 Als de goddelozen 41vele worden, wordt de overtreding veel; maar kde rechtvaardigen zullen 42hun val aanzien.
41 Of: vermenigvuldigen, of: groot worden. Vgl. vers 2. verwijsteksten
k Ps. 37:36; 58:11; 91:8. verwijsteksten
42 Vgl. Ps. 37:34. verwijsteksten
 
17 l43Tuchtig uw zoon en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uw ziel vermakelijkheden geven.
l Spr. 13:24; 22:15; 23:13, 14. verwijsteksten
43 Te weten met woorden en slagen, naar dat de zaak vereist. Zie Spr. 9 op vers 7. verwijsteksten
 
18 Als er geen 44profetie is, wordt het volk 45ontbloot; maar welgelukzalig is hij 46die de wet bewaart.
44 Hebr. gezicht. Versta: geen verkondiging van Gods Woord, waardoor de wil Gods jegens ons en onze schuldige plicht jegens Hem ons aangediend en verklaard wordt. Alzo is het woord gezicht genomen 1 Sam. 3:1. 1 Kron. 17:15. verwijsteksten
45 Te weten van Gods genade, zegen en bescherming en alzo van zijn tijdelijk en eeuwig welvaren. Vgl. Ex. 32:25 en de aant. Anders: verlaten, of: verworpen, of: keert terug. verwijsteksten
46 Dat is, die den weg des Heeren houdt. Zie Gen. 18 op vers 19. verwijsteksten
 
19 Een 47knecht zal door de woorden 48niet getuchtigd worden; 49hoewel hij u verstaat, nochtans zal hij 50niet antwoorden.
47 Versta al degenen die een slaafsen geest hebbende, niet tot hun schuldigen plicht kunnen gebracht worden door goede vermaning, maar behoeven daartoe ook harde slagen.
48 Te weten om te doen wat zijn heer hem beveelt en daartoe ook verbonden is.
49 Of: als hij u verstaat en niet antwoordt.
50 Te weten noch met ongeveinsde woorden noch met gehoorzame daad.
 
20 51Hebt gij een man gezien die haastig in zijn 52woorden is? mVan een zot is meer 53verwachting dan van hem.
51 Vgl. Spr. 26:12. verwijsteksten
52 Of: werken, en daden.
m Spr. 26:12. verwijsteksten
53 Te weten van voorzichtiglijk en tijdiglijk te spreken, of iets met goeden raad in het werk te stellen.
 
21 Als men zijn knecht van jongs op weelderig houdt, hij zal in zijn laatste een 54zoon willen zijn.
54 Een zoon van het huisgezin, die het recht van het kindschap en van de erfenis tot zich wil trekken. Vgl. de voorbeelden van Abner, 2 Sam. 3:7, 8; van Jerobeam, 1 Kon. 11:26, 27, 28; van Zimri, 1 Kon. 16:9. verwijsteksten
 
22 nEen 55toornig man verwekt gekijf, en 56de grammoedige is veelvoudig in overtreding.
n Spr. 15:18; 26:21. verwijsteksten
55 Hebr. Een man des toorns, dat is, die tot toorn genegen is. Zie Job 11 op vers 11. verwijsteksten
56 Hebr. een heer der grimmigheid. Vgl. Spr. 22 op vers 24. verwijsteksten
 
23 oDe hoogmoed des mensen zal hem vernederen, maar de nederige van geest zal de eer 57vasthouden.
o Job 22:29. Spr. 15:33; 18:12. Jes. 66:2. Matth. 23:12. Luk. 14:11; 18:14. Jak. 4:6, 10. 1 Petr. 5:5. verwijsteksten
57 Dat is, zekerlijk verkrijgen en steeds behouden, te weten bij God, bij de vromen en bij de getuigenis zijner consciëntie. Zie gelijke manier van spreken Spr. 11:16. Anders: maar de nederige van geest zal de eer ondersteunen. verwijsteksten
 
24 Die met een dief deelt, 58haat zijn ziel; p59hij hoort een vloek en hij geeft het niet te kennen.
58 Dat is, is zijns zelfs vijand, zich aanbrengende grote schande en schade. Zie gelijke manieren van spreken Spr. 8:36 en in de aant. verwijsteksten
p Lev. 5:1. verwijsteksten
59 De zin is, dat hij gemaand zijnde van den rechter met beëdiging, en vervloeking desgenen die den diefstal weet en niet te kennen geeft, nochtans daar hij denzelven weet, dien loochent te weten. Anders: alzo die een vloek hoort en niet te kennen geeft (gelijk er staat Lev. 5:1), die haat ook zijn ziel. verwijsteksten
 
25 De 60siddering des mensen 61legt een strik; maar die op den HEERE vertrouwt, zal 62in een hoog vertrek gesteld worden.
60 Te weten die al te groot en overmatig is, waardoor men in de gevaren en gedreigde zwarigheden niet vertrouwt op God, zoals men behoort.
61 Dat is, brengt den bevreesden mens in groot gevaar van meer te zondigen tegen God en door velerlei ongelukkige bejegeningen meer van God gestraft te worden.
62 Te weten waar hij zeker en vrij van alle gevaren zal zijn.
 
26 qVelen 63zoeken het aangezicht des heersers, maar eens ieders recht 64is van den HEERE.
q Spr. 19:6. verwijsteksten
63 Te weten om iets te begeren tot handhaving en bevordering van het recht dat zij tegen iemand uitstaande hebben.
64 Te weten Die volkomenlijk de gerechtigheid bemint, en ook der heren harten in Zijn hand heeft, Spr. 21:1, en daarom vóór alles moet aangesproken wezen. Zie voorbeelden hiervan Neh. 1:4. Esth. 4:16. verwijsteksten
 
27 65Een ongerechtig man is den rechtvaardigen een gruwel, maar 66die recht is van weg, is 67den goddeloze een gruwel.
65 Hebr. Een man des onrechts, dat is, die onrecht liefheeft. Vgl. Spr. 6 op vers 12. verwijsteksten
66 Dat is, die wijs en vroom is. Vgl. Ps. 37:14; 119:1. verwijsteksten
67 Hebr. des goddelozen gruwel. Zie Spr. 3 op vers 32. verwijsteksten

Einde Spreuken 29