Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 82 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Psalm 82

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De psalmist getuigt, dat God in het gericht presideert. En hij vermaant de rechters van hun ambt, bestraffende hun onverstand en onachtzaamheid; met dreiging van straf.
 
Roeping der rechters
1 EEN 1psalm van Asaf.
God 2staat 3in de vergadering Godes, 4Hij oordeelt 5in het midden der goden.
1 Zie de aant. op Ps. 48:1 en op 50:1. verwijsteksten
2 Dat is, Hij is tegenwoordig, te weten als Soeverein of opperste Rechter.
3 Dat is, in Zijn vergadering, in de vergadering die samenkomt om van Zijnentwege en uit Zijn bevel recht te doen. Zie Deut. 1:17. 2 Kron. 19:6. Rom. 13:1. verwijsteksten
4 Alzo namelijk, dat Hij hun oordelen door Zijn voorzienigheid en wijsheid alzo stiert en regeert, dat zij tot Zijn eer strekken moeten. Of: Hij oordeelt, dat is, Hij let er wel op, welke sententies de rechters uitspreken, belonende de rechters die goed rechtspreken, en straffende degenen die hun onderzaten onrechtvaardiglijk verdrukken.
5 Dat is, in het midden der koningen en der vorsten, ja, van alle overheden, als zijnde altemaal Zijn stadhouders. Zie Ex. 21:6; 22:8, 9, 28. Joh. 10:34. verwijsteksten
 
2 6Hoe lang zult gijlieden onrecht oordelen, en 7het aangezicht der goddelozen aannemen? Sela.
6 Hier voert de profeet God in, aansprekende de onrechtvaardige rechters. Anderen houden het voor de woorden van den psalmist.
7 Het aangezicht aannemen is hier te zeggen: diengenen die een onrechtvaardige zaak hebben, in het gericht gunstig zijn, hetwelk God te doen verboden heeft, Lev. 19:15. Deut. 1:17; 16:19. 2 Kron. 19:7. Spr. 18:5. Jak. 2:1-9. verwijsteksten
 
3 8Doet recht den arme en den wees, 9rechtvaardigt den verdrukte en den arme.
8 Dat is, verdedigt, beschermt, verlost. Zie Ps. 43:1. Jes. 1:17. verwijsteksten
9 Versta hierbij: indien hij een rechtvaardige zaak heeft, doet hem recht, bevordert zijn zaak. Zie Deut. 25:1. Jer. 22:3. verwijsteksten
 
4 aVerlost den arme en den behoeftige, rukt hem uit 10der goddelozen hand.
a Spr. 24:11. verwijsteksten
10 Dat is, dergenen die een kwade zaak hebben en den arme zoeken te verdrukken.
 
5 11Zij weten niet en verstaan niet, zij 12wandelen steeds in duisternis; 13dies wankelen alle fundamenten der aarde.
11 Te weten de rechters; zij weten noch overleggen dat God in de vierschaar bij hen tegenwoordig is, en zij vragen naar Zijn bestraffingen of bevel niet. Zie Spr. 29:7. Jer. 10:21. Micha 3:1. verwijsteksten
12 In duisternis wandelen is steeds in zonden leven, Ef. 4:17, 18; 5:8. 1 Joh. 1:6, of: in duisternis, dat is, in onwetendheid. verwijsteksten
13 Alsof Hij zeide: Omdat het zo staat met koningen, vorsten en overheden, daarom gaat het in de wereld zeer kwalijk, en daaruit spruiten al de beroerten en zwarigheden in landen en steden. Zie Jes. 24:19, 20. verwijsteksten
 
6 14Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten;
14 Alsof Hij zeide: Ik heb ulieden wel die eer gedaan dat Ik u goden genoemd heb, als die Ik gesteld heb om in Mijn Naam het gericht te houden; maar, enz. Zie vers 1. Ex. 21:6; 22:9, 28. Joh. 10:34. verwijsteksten
 
7 15Nochtans zult gij sterven 16als een mens, en 17als een van de vorsten zult gij 18vallen.
15 Derhalve behoordet gij oprechtelijk te wandelen en te handelen, gedenkende dat gij God rekenschap zult moeten geven van al uw doen en laten.
16 Hebr. als Adam, dat is, zowel als andere geringe sterfelijke mensen.
17 Te weten die tevoren geweest en allen gestorven zijn. Anders: en gij, oversten, zult vallen, gelijk een ander.
18 Dat is, sterven.
 
8 Sta op, o God, 19oordeel het aardrijk; bwant 20Gij bezit alle natiën.
19 Te weten als opperste Rechter der wereld. Zie Gen. 18:25. Alsof hij zeide: Heere, neem Gij de zaak bij de hand, en wil weder terechtbrengen hetgeen de boze rechters verdorven hebben. verwijsteksten
b Ps. 2:8. Hebr. 1:2. verwijsteksten
20 Hebr. Gij erft of zult erven in alle natiën; dat is, Gij bezit en zult altoos bezitten in eigendom (gelijk men een rechtvaardig erfdeel bezit) het ganse menselijke geslacht.

Einde Psalm 82