Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 66 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Psalm 66

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De profeet vermaant een iegelijk tot Gods lof over Zijn wonderbare werken, bijzonderlijk over de verlossingen Zijner kerk uit allerlei noden waarmede Hij hen beproeft, daarnevens als een patroon van recht bidden en danken, voorstellende zijn eigen voorbeeld en ondervinding.
 
Loflied op Gods wonderwerken
1 EEN 1lied, een psalm, voor den 2opperzangmeester.
Juicht Gode, gij ganse 3aarde.
1 Zie Ps. 48 op vers 1. verwijsteksten
2 Zie Ps. 4 op vers 1. verwijsteksten
3 Dat is, alle inwoners der aarde, waarom ook het woord juicht in het meervoud in het Hebreeuws gesteld is; alzo vers 4; Ps. 98:4; 100:1, en elders dikwijls. verwijsteksten
 
2 Psalmzingt de eer Zijns Naams; 4geeft eer Zijn lof.
4 Hebr. stelt, als Joz. 7:19: geeft (Hebr. stelt) den HEERE de eer. Dit kan men aldus verstaan: geeft Hem eer door Zijn lof, of: te weten Zijn lof. Of: maakt Zijn lof heerlijk, dat is, prijst Hem op het hoogste. Of: stelt, houdt het voor de grootste eer dat gij God looft, laat al uw lof daartoe strekken. verwijsteksten
 
3 Zegt tot God: Hoe vreselijk zijt Gij in Uw werken! Om de 5grootheid Uwer sterkte zullen zich Uw vijanden 6geveinsdelijk aan U onderwerpen.
5 Of: veelheid.
6 Hebr. liegen, veinzen, huichelen, als Deut. 33:29. 2 Sam. 22:45; zie aldaar. verwijsteksten
 
4 De 7ganse aarde 8aanbidde U en psalmzinge U, zij psalmzinge Uw Naam. 9Sela.
7 Dat is, inwoners der ganse aarde, als vers 1. verwijsteksten
8 Hebr. eigenlijk: buige zich voor U. Zie Gen. 24 op vers 26. verwijsteksten
9 Zie Ps. 3 op vers 3. verwijsteksten
 
5 Komt en ziet Gods daden; Hij is vreselijk van werking aan de mensenkinderen.
6 aHij heeft de 10zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de b11rivier; daar hebben 12wij ons in Hem verblijd.
a Ex. 14:21, enz. verwijsteksten
10 Dat deel van de Schelfzee of het Rode Meer, waar de kinderen Israëls droogvoets doorgingen, Exodus 14. verwijsteksten
b Joz. 3:14, enz. verwijsteksten
11 De Jordaan, als Israël eerst door Jozua in het beloofde land gebracht werd, Jozua 3. verwijsteksten
12 Zij eigenen zichzelven toe wat hun voorvaderen geschied was, volgens de leer Rom. 15:4. Vgl. Hos. 12:5. verwijsteksten
 
7 Hij heerst eeuwiglijk met Zijn macht; cZijn ogen houden 13wacht over de heidenen; laat de afvalligen 14niet verhoogd worden. Sela.
c 2 Kron. 16:9. Job 28:24. Ps. 33:13. verwijsteksten
13 Als een wachter, die van een hogen toren de wacht houdt en op alles naarstig toeziet.
14 Of: de afvalligen of wederstrevigen zullen niet verhoogd worden voor zichzelven, of zullen zichzelven niet verheffen; dat is, ofschoon zij zich tegen God stellen en onder Hem niet willen buigen, zo zullen zij toch voor Hem en tegen Hem niet staande blijven tot hun voordeel en der vromen nadeel.
 
8 15Looft, gij volken, onzen God, en laat horen de stem Zijns roems;
15 Hebr. Zegent.
 
9 Die onze 16zielen in het leven stelt, en niet toelaat dat 17onze voet wankele.
16 Dat is, Die ons gelijk als in het leven wederbrengt, daar wij als dood waren. Vgl. Ps. 30:4. verwijsteksten
17 Hebr. eigenlijk: onzen voet niet overgeeft tot wankelen of wankeling. Zie Ps. 15 op vers 5. verwijsteksten
 
10 Want Gij hebt ons 18beproefd, o God; Gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert.
18 Door zwaar lijden. Vgl. Jes. 48:10. Ez. 22:19, 20, 21, 22. Zach. 13:9. Mal. 3:3. 1 Petr. 1:6, 7. verwijsteksten
 
11 Gij hadt ons in het 19net gebracht, Gij hadt een 20engen band om onze lendenen gelegd.
19 Met verdriet verstrikt; een gelijkenis van jagers en vissers, dikwijls gebruikt in de Schrift.
20 Benauwen en dwang onzer vijanden.
 
12 Gij hadt den mens op ons 21hoofd doen rijden; wij waren in het 22vuur en in het water gekomen; maar Gij hebt ons uitgevoerd in een 23overvloeiende verversing.
21 Dat is, ons behandeld als slaven en beesten, die men berijdt en als met voeten treedt. Of als een openbare weg, waarover elkeen gaat en rijdt. Vgl. Jes. 51:23. verwijsteksten
22 Dat is, allerlei groot kruis, waarin geen uitkomst scheen te zijn. Vgl. Jes. 43:2. Ez. 15:6, 7; en zie 2 Sam. 22 op vers 17. Job 15 op vers 34. verwijsteksten
23 Of: in een plaats die overvloediglijk ververst. Hetzelfde Hebreeuwse woord staat ook Ps. 23:5. verwijsteksten
 
13 Ik zal met brandoffers in Uw huis gaan, ik zal U mijn geloften betalen,
14 Die mijn lippen hebben geuit, en mijn mond heeft uitgesproken, als mij bange was.
15 Brandoffers van 24mergbeesten zal ik U offeren, met 25rookwerk van rammen; ik zal 26runderen met bokken 27bereiden. Sela.
24 Hebr. eigenlijk alsof men zeide: mergachtigen, dat is, die vol merg zijn.
25 Dat is, het vette van rammen of hamels, dat men aanstak om te roken. Zie Lev. 3:9, 10, 11, vergeleken met Lev. 1:10, 11, 12, 13. verwijsteksten
26 Hebr. rund.
27 Ten offer. Als dikwijls in de boeken van Mozes.
 
16 Komt, hoort toe, o allen gij die God vreest, en ik zal vertellen wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.
17 Ik riep tot Hem met mijn mond, en Hij werd verhoogd 28onder mijn tong.
28 Dat is, (als sommigen verstaan) in mijn hart, in mijn binnenste partijen. Want de goddelozen hebben Gods lof wel op de tong, maar dieper gaat hij niet. Anderen nemen het in dezen zin: mijn mond zal vol zijn van Zijn lof. Vgl. Ps. 10:7. verwijsteksten
 
18 Had ik 29naar ongerechtigheid met mijn hart gezien, de Heere zou 30niet gehoord hebben.
29 Dat is, mij tot dienst van ongerechtigheid overgegeven. Vgl. Job 31:26. Hab. 1:13. Anders: Had ik ongerechtigheid in mijn hart gezien, dat is, voorgenomen. verwijsteksten
30 Want Hij hoort geen zondaars noch huichelaars, Job 27:8, 9. Spr. 15:29, enz. Joh. 9:31. verwijsteksten
 
19 Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.
20 31Geloofd zij God, Die mijn gebed niet heeft afgewend, noch Zijn goedertierenheid van mij.
31 Hebr. Gezegend.

Einde Psalm 66