Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 50 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Psalm 50

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De profeet voert God in, als komende met grote majesteit om Zijn volk plechtiglijk te richten; sterkelijk betuigende waarin de ware en Gode aangename godsdienstigheid niet bestaat, en waarin zij daarentegen bestaat; met een heftige overtuiging der God vergetende huichelaars en verbondsbrekers, dreiging van eeuwig verderf, zo zij zich niet beteren, en belofte van zaligheid aan degenen die Hem recht dienen.
 
De ware godsdienst
1 EEN psalm van 1Asaf.
De 2God der goden, de HEERE spreekt, en roept de 3aarde, van den opgang der zon tot aan haar ondergang.
1 Of: voor Asaf, dat is, hem of zijn nakomelingen ter hand gesteld, om in Gods kerk te gebruiken; gelijk Jakob en Israël dikwijls genomen worden voor de Israëlieten of Jakobs nakomelingen, en Aäron voor Aärons nakomelingen, 1 Kron. 12:27. Alzo kan men ook door Asaf somtijds verstaan zijn nakomelingen. Asaf was een opperzangmeester en ook een ziener of profeet. Zie 1 Kron. 25:1, enz. 2 Kron. 29:30. verwijsteksten
2 Zie Deut. 10 op vers 17. Ps. 82:1. Sommigen verstaan dat hier drie onderscheidene namen Gods bijeengevoegd zijn, El, Elohim, Jehovah. Vgl. Joz. 22:22. verwijsteksten
3 Dat is, inwoners der aarde.
 
2 Uit Sion, de 4volkomenheid der schoonheid, 5verschijnt God blinkende.
4 Dat is, die volkomen schoon is, ten aanzien van den reinen godsdienst, de heilige vergaderingen, de ark des verbonds, enz., en van alle geestelijke betekende zaken. Vgl. Ps. 48:3. Klgld. 2:15. 1 Petr. 1:10, 11, 12. verwijsteksten
5 Of: is God blinkende verschenen. Vgl. Deut. 33:2. Sommigen nemen het aldus: God heeft de volkomenheid der schoonheid uit Sion doen verschijnen. verwijsteksten
 
3 Onze God zal 6komen en zal niet 7zwijgen; een 8vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen.
6 Vgl. Openb. 22:20. verwijsteksten
7 Of: stil zijn. Zie Richt. 18 op vers 9. verwijsteksten
8 Vgl. Deut. 4:24. 2 Sam. 22:9. Ps. 18:9. verwijsteksten
 
4 Hij zal roepen tot den 9hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
9 Om die als tot getuigen te nemen. Zie Deut. 4 op vers 26. verwijsteksten
 
5 10Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die 11Mijn verbond maken met offerande.
10 Vgl. Matth. 24:31. Dit zijn Gods woorden, waarmede Hij ingevoerd wordt, gelijk als door Zijn zendboden, sommerende en dagvaardende Zijn volk (die in het gemeen den titel voeren van Zijn gunstgenoten), om Zijn oordeel over hun godsdiensten uit te spreken. verwijsteksten
11 Dat is, die offeren om het verbond dat tussen Mij en hen is, daardoor te verzegelen, en te tonen dat zij Mijn trouwe bondgenoten zijn. Van de ceremoniën in het maken van verbonden gebruikelijk, zie Gen. 15 op vss. 17, 18, en een voorbeeld van verbond maken tussen God en Zijn volk door offeranden, Ex. 24:4, 5, 6, 7, 8. Dit alles zag op het bloed des Nieuwen Testaments en den Middelaar van dien, onzen Heere Jezus Christus, in Welken alleen het verbond Gods met al Zijn ware gunstgenoten bevestigd is, Hebreeën 7; 8; 9; 10. verwijsteksten
 
6 12En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter. 13Sela.
12 Dit zijn weder de woorden van den profeet, die hij (eer hij voortgaat in het verhaal van Gods woorden tot Zijn volk) hier invoegt, om de gerechtigheid van Gods oordeel aan te wijzen, waarvan alle creaturen getuigenis moeten geven, inzonderheid de hemelse heirscharen der heilige engelen, die Hem in het oordeel assisteren en verheerlijken, mitsgaders Zijn heiligen, van dewelke ook gezegd wordt dat zij zullen richten, Matth. 19:28. 1 Kor. 6:2. Vgl. Dan. 7:10. Matth. 25:31. verwijsteksten
13 Zie Ps. 3 op vers 3. verwijsteksten
 
7 Hoor, Mijn volk, en Ik zal spreken; Israël, en Ik zal onder u 14betuigen; Ik, God, ben 15uw God.
14 Ik zal u ernstiglijk voorhouden en verklaren den rechten inhoud van het verbond dat Ik met u opgericht heb. Of: Ik zal tegen u betuigen, dat is, u met ernst overtuigen dat gij Mijn verbond overtreedt. Beide doet God in dezen psalm, eensdeels opscherpende de vromen, anderdeels de goddeloze huichelaars overtuigende en scherpelijk dreigende als verbondsbrekers; en de Hebreeuwse manier van spreken wordt in beide betekenissen gebruikt.
15 Of: Ik ben God, uw God. Zie Gen. 17 op vers 7. Dit is de inhoud des verbonds van Gods zijde. Van Zijns volks plicht spreekt God in het volgende. verwijsteksten
 
8 16Om uw offeranden zal Ik u niet straffen, want uw brandoffers zijn steeds vóór Mij.
16 Te weten zoveel het uiterlijke aangaat; met offeren zijt gij gestadiglijk bezig, daar schort het niet aan, wil de Heere zeggen, maar aan het geestelijke en voornaamste, als onder volgt. Sommigen verstaan het voorts van de afschaffing der ceremoniën des Ouden Testaments en de instelling van den geestelijken godsdienst in het Nieuwe Testament.
 
9 Ik zal uit uw huis geen var nemen, noch bokken uit uw kooien.
10 Want al het gedierte des wouds is Mijne, de beesten op 17duizend bergen.
17 Hebr. gebergten van duizend; wat sommigen overzetten: op gebergten bij duizenden, verstaande dat van de beesten.
 
11 Ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is 18bij Mij.
18 Of: aan Mij, met Mij, dat is, het is in Mijn macht, voor Mij gereed. Of: het komt Mij altemaal toe, Ik kan het hebben als het Mij belieft, het is tot Mijn best; zodat gij ver verdoold zijt, zo gij meent dat gij Mij met uw uiterlijke offeranden alleen zoudt bevredigen of Mijn verbond voldoen.
 
12 Zo Mij hongerde, Ik zou het u niet zeggen; want aMijne is de wereld en haar 19volheid.
a Ex. 19:5. Deut. 10:14. Job 41:2. Ps. 24:1. 1 Kor. 10:26, 28. verwijsteksten
19 Dat is, al wat erin is, waarmede zij door Mij vervuld en versierd is, als Ps. 24:1; 89:12. verwijsteksten
 
13 Zou Ik 20stierenvlees eten, of bokkenbloed drinken?
20 Van het Hebreeuwse woord zie Ps. 22 op vers 13. verwijsteksten
 
14 Offer Gode 21dank, en bbetaal den Allerhoogste uw geloften.
21 Of: lof. Van het ceremonieel lofoffer zie Lev. 7:12. Maar hier wordt gesproken van de geestelijke offeranden, die Gods bondgenoten schuldig zijn te doen. Vgl. Hebr. 13:15. verwijsteksten
b Deut. 23:23. Job 22:27. Ps. 76:12. Pred. 5:3, 4, 5. verwijsteksten
 
15 En roep Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.
16 Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
17 Dewijl gij de 22kastijding haat, en Mijn woorden 23achter u heen werpt.
22 Of: tucht, bestraffing, met woorden of werken, dienende tot onderwijs en verbetering eens zondaars. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk verband, bedwang, en wordt voorts genomen voor tucht en kastijding, zijnde den weg des levens en der wijsheid, Spr. 6:23; 12:1. verwijsteksten
23 Als men doet wanneer men iets veracht en van geen waarde houdt, wat men voor ogen niet zien mag. Vgl. 1 Kon. 14 op vers 9. verwijsteksten
 
18 Indien gij een dief ziet, zo 24loopt gij met hem; en uw 25deel is met de overspelers.
24 Of: gij stemt met hem toe, gij hebt behagen in hem. De zin is: Gij zijt terstond vurig en gereed om in zijn kwaad doen te consenteren, en voegt u met hart, mond en daad met hem. Het Hebreeuwse woord schijnt beider betekenis deelachtig te zijn, lopen en behagen daarin hebben.
25 Vgl. Spr. 29:24, waarop dan volgt dat zodanigen hun deel der straf ook met dezelve ontvangen. Zie Job 20:29 met de aant. verwijsteksten
 
19 Uw mond 26slaat gij in het kwade, en uw tong 27koppelt bedrog.
26 Hebr. eigenlijk: zendt, dat is, gij gebruikt, legt aan, besteedt dien in kwade zaken.
27 Of: smeedt samen.
 
20 Gij zit, gij spreekt 28tegen uw broeder, tegen den 29zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.
28 Tot zijn nadeel.
29 Zie Deut. 13 op vers 6. verwijsteksten
 
21 Deze dingen doet gij, en Ik 30zwijg; gij meent dat Ik 31ten enenmale ben gelijk gij; Ik zal u straffen en zal het 32ordentelijk voor uw ogen stellen.
30 Of: houd Mij stil, u op de daad niet straffende, maar tijd gunnende tot bekering, naar Mijn lankmoedigheid, die gij nochtans misbruikt. Vgl. Rom. 2:4, 5. verwijsteksten
31 Hebr. zijnde zij of zijn zal.
32 Als op een rij of in orde zal Ik u optellen en doen gevoelen al uw verbondsbrekingen.
 
22 Verstaat dit toch, gij God vergetenden; opdat Ik niet 33verscheure, en niemand redde.
33 Als een leeuw of ander wild dier. Zie deze betekenis van het Hebreeuwse woord Gen. 31:39; 37:33. Ex. 22:13. Anders: rove, wegrukke, te weten om te verscheuren. verwijsteksten
 
23 Wie dank offert, die zal Mij eren; en wie zijn 34weg wel aanstelt, dien zal Ik Gods heil doen 35zien.
34 Dat is, leven, handel en wandel, als Ps. 1 op vers 1. Anders: die het tot een gewoonte stelt of een gewoonte daarvan maakt, te weten van God te loven en te danken. verwijsteksten
35 Dat is, genieten, als Ps. 4:7, en elders dikwijls. Zie Job 7 op vers 7. verwijsteksten

Einde Psalm 50