Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
1 EEN psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet die onrecht doen. |
| 2 Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen. |
| 3 Beth. Vertrouw op den HEERE en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met getrouwheid. |
| 4 En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten. |
| 5 Gimel. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem, Hij zal het maken; |
| 6 En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag. |
| 7 Daleth. Zwijg den HEERE en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene wiens weg voorspoedig is, over een man die listige aanslagen uitvoert. |
| 8 He. Laat af van toorn en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet om kwaad te doen. |
| 9 Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden; maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten. |
| 10 Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen. |
| 11 De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede. |
| 12 Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden. |
| 13 De Heere belacht hem, want Hij ziet dat zijn dag komt. |
| 14 Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten die oprecht van weg zijn. |
| 15 Maar hun zwaard zal in hunlieder hart gaan, en hun bogen zullen verbroken worden. |
| 16 Teth. Het weinige dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen. |
| 17 Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden, maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen. |
| 18 Jod. De HEERE kent de dagen der oprechten, en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven. |
| 19 Zij zullen niet beschaamd worden in den kwaden tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden. |
| 20 Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan; en de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen. |
| 21 Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder, maar de rechtvaardige ontfermt zich en geeft. |
| 22 Want Zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten, maar Zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden. |
| 23 Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd, en Hij heeft lust aan zijn weg. |
| 24 Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand. |
| 25 Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood. |
| 26 Den gansen dag ontfermt hij zich en leent, en zijn zaad is tot zegening. |
| 27 Samech. Wijk af van het kwade en doe het goede, en woon in eeuwigheid. |
| 28 Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid. |
| 29 De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen. |
| 30 Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht. |
| 31 De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen. |
| 32 Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden. |
| 33 Maar de HEERE laat hem niet in zijn hand, en Hij verdoemt hem niet als hij geoordeeld wordt. |
| 34 Koph. Wacht op den HEERE en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien dat de goddelozen worden uitgeroeid. |
| 35 Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom. |
| 36 Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden. |
| 37 Schin. Let op den vrome en zie naar den oprechte, want het einde van dien man zal vrede zijn. |
| 38 Maar de overtreders worden tezamen verdelgd, het einde der goddelozen wordt uitgeroeid. |
| 39 Thau. Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE, hun Sterkte ten tijde van benauwdheid. |
| 40 En de HEERE zal hen helpen en zal hen bevrijden; Hij zal hen bevrijden van de goddelozen en zal hen behouden, want zij betrouwen op Hem. |