Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 31 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Psalm 31

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

David bidt God zeer vuriglijk om behoudenis, volgens zijn vertrouwen dat hij alleen op Hem stelt; om oorzaak van blijdschap te hebben, in plaats van zijn tegenwoordig bitter lijden, dat hem vrienden en vijanden, met woorden en werken, aandoen. En gevoelende de vrucht zijns gebeds, roemt hij Gods voorzorg en goedertierenheid over alle gelovigen, en bijzonderlijk over zichzelven.
 
Vurig gebed om behoud
1 EEN psalm van David, voor den 1opperzangmeester.
1 Zie Ps. 4 op vers 1. verwijsteksten
 
2 Op U, o HEERE, abetrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid; help mij uit door Uw 2gerechtigheid.
a Ps. 22:6; 25:2, 3; 71:1, 2. Jes. 49:23. verwijsteksten
2 Die vereist dat Gij Uw woord houdt en mijn rechtvaardige zaak voorstaat, als Ps. 71:2. verwijsteksten
 
3 Neig Uw oor tot mij, red mij haastelijk, wees mij tot een 3sterken Rotssteen, tot een 4zeer vast Huis, om mij te behouden.
3 Hebr. Rotssteen der sterkte.
4 Hebr. Huis of Plaats der vastigheden of vestingen.
 
4 Want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burcht; leid mij dan, en 5voer mij, om Uws Naams wil.
5 Als een herder zijn schapen. Alzo Ps. 23:2. verwijsteksten
 
5 Doe mij uitgaan uit het net dat zij voor mij 6verborgen hebben, want Gij zijt mijn Sterkte.
6 Dat is, in het verborgen of heimelijk gelegd hebben.
 
6 bIn Uw hand beveel ik mijn 7geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij God der 8waarheid.
b Luk. 23:46. verwijsteksten
7 Dat is, mijn ziel beveel ik Uw macht, bewaring, zorg en opzicht.
8 Of: trouw, dat is, Gij waarachtige of getrouwe God, Die Uw beloften, aan mij gedaan, gehouden hebt.
 
7 Ik haat degenen die op 9valse ijdelheden acht nemen; en ik betrouw op den HEERE.
9 Of: nietige. Hebr. ijdelheden der valsheid of nietigheid. Hij verstaat die op vleselijke en afgodische hulp vertrouwen. Zie Deut. 32:21. 1 Kon. 16:26. 2 Kon. 17:15. Ps. 62:11. Jer. 2:5; 8:19; 10:15; 14:22; 23:16. Rom. 1:21. Vgl. Lev. 19 op vers 4. verwijsteksten
 
8 Ik zal mij verheugen en verblijden in Uw goedertierenheid, omdat Gij mijn ellende hebt 10aangezien, en mijn ziel in benauwdheden 11gekend,
10 Zie Gen. 16 op vers 13. verwijsteksten
11 Mij niet versmaad, maar bemind en verzorgd. Vgl. Gen. 18 op vers 19. Ps. 1 op vers 6. verwijsteksten
 
9 En mij niet hebt 12overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.
12 Of: besloten, als elders.
 
10 Zijt mij genadig, HEERE, want mij is bange; 13van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijn ziel en mijn buik.
13 Als Ps. 6:8. verwijsteksten
 
11 Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is 14vervallen door mijn 15ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.
14 Als wanneer iemand door onvermogen en zwakheid struikelt en daarheen valt. Vgl. Ps. 109:24, en zie het tegendeel Ps. 105:37. verwijsteksten
15 Dat is, straf mijner ongerechtigheid. Zie Gen. 4:13; 19 op vers 15, en vgl. Num. 14 op vers 33. Jer. 51 op vers 6. verwijsteksten
 
12 Vanwege al mijn wederpartijders ben ik cook mijn naburen 16grotelijks tot een smaad geworden, en mijn bekenden tot een schrik; die mij op de straat zien, 17vlieden van mij weg.
c Job 19:13. Ps. 38:12. verwijsteksten
16 Hebr. zeer.
17 Opdat zij bij mijn wederpartijders niet suspect mogen worden, alsof zij mijn zaak toegedaan of mijn vrienden waren.
 
13 Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een 18bedorven vat.
18 Of: vergaande, verloren gaande, ten naaste bij bedorven, wat men gans weinig of niet acht, als nergens meer nut toe zijnde. Vgl. Deut. 26:5. Ps. 119:176. Insgelijks Jer. 22:28. verwijsteksten
 
14 Want ik hoorde de 19naspraak 20van velen; vrees is van rondom, dewijl zij tezamen tegen mij raadslaan; zij 21denken mijn 22ziel te nemen.
19 Of: faamroving, lastering, kwaadspreken. Vgl. Jer. 20:10. verwijsteksten
20 Of: der groten.
21 Of: beramen, maken aanslagen om, enz.
22 Dat is, mijn leven. Of aldus: als zij tezamen tegen mij raadslaan, zo denken zij mijn ziel te nemen.
 
15 Maar ik vertrouw op U, o HEERE; ik zeg: Gij zijt mijn God.
16 Mijn 23tijden zijn in Uw hand; red mij van de hand mijner vijanden en van mijn vervolgers.
23 Dat is, mijn leven en al mijn wedervaren; hoe het mij ook zou mogen gaan, ik weet dat het alles aan U hangt, dat Gij het alles regeert, en dat het niet is in mijner vijanden macht.
 
17 Laat Uw 24aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.
24 Zie Num. 6 op vss. 25, 26. verwijsteksten
 
18 HEERE, laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het 25graf.
25 Dat zij, van de aarde weggenomen zijnde, hun kwade praktijken, lasteringen en geweld achterwege moeten laten. Anders: laat hen afgesneden of uitgeroeid worden ten grave; gelijk het Hebreeuwse woord ook genomen wordt Ps. 49:13, 21, enz. verwijsteksten
 
19 Laat de 26valse lippen stom worden, die hard spreken tegen den rechtvaardige, in hoogmoed en verachting.
26 Hebr. lippen der valsheid. Zie Ps. 12:3; 27:12, enz. verwijsteksten
 
20 dO, hoe 27groot is Uw goed, dat Gij weggelegd hebt voor degenen die U vrezen; dat Gij gewrocht hebt voor degenen die op U betrouwen, 28in de tegenwoordigheid der mensenkinderen!
d Jes. 64:4. 1 Kor. 2:9. verwijsteksten
27 Of: menigvuldig. Dit ziet wel op het goed dat God den Zijnen in het gemeen naar ziel en lichaam bereidt, en voor hen als in een schatkamer opgesloten heeft, om daaruit te bekwamer en bestemder tijd tot hun best voor den dag te brengen en hen te doen genieten; maar spruit uit overdenking van een bijzondere en onverwachte wonderlijke verlossing aan David bewezen, als hij in een zeer groot gevaar was van overvallen te worden, en niet kon gedenken dat God zulk een verlossing voor hem bereid had als hem wedervoer; waarover hij aldus met verwondering uitroept.
28 Hebr. tegenover, voor, dat is, ten aanschouwen van al de wereld openbaar makende der vromen onschuld, en met Uw wonderlijke onvoorziene hulp bewijzende dat zij U lief zijn, die tot U hun toevlucht nemen met gelovige gebeden.
 
21 Gij verbergt hen in het verborgene 29Uws aangezichts voor de 30hoogmoedigheden 31des mans; Gij versteekt hen in een hut voor den 32twist der tongen.
29 Door betoning van Uw Vaderlijke gunst en genadige tegenwoordigheid vertroost en behoudt Gij hen op een wonderlijke verborgen wijze, waarvan de wereld geen verstand heeft, zelfs dikwijls in verborgen schuilplaatsen, waar Gij hen heenleidt, het oog op hen hebt, hen bezorgt en hen beschut. Dit is aan David wel gebleken. Zie ook 1 Kon. 18:4; 19:4, 5, 9, 11, enz. Hebr. 11:38. Vgl. ook Ps. 27:5; 32:7. verwijsteksten
30 Of: verbintenissen, samenkoppelingen, doorvlochten, doornaaide praktijken of ruwe aanslagen.
31 Hierdoor kan men een groot en machtig persoon als Saul verstaan; of men kan het nemen: des mans, dat is, des mensen, der mensen, of: eens iegelijken.
32 Dat is, twistige tongen, die den vromen steeds allerlei verdriet, moeite en gevaar berokkenen met achterklap en valse beschuldigingen. Zie Ps. 35:11. verwijsteksten
 
22 33Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk 34gemaakt, mij voerende als in een 35vaste stad.
33 Hebr. Gezegend.
34 Dat is, op een wonderbare wijze aan mij bewezen. Vgl. Ps. 4:4. Zie het tegendeel Deut. 28:59. verwijsteksten
35 Hebr. stad der vastigheid. Hij wil zeggen, dat hem God zo wel bewaard heeft in het open veld, waar hij omsingeld scheen te wezen en niet te kunnen ontkomen, alsof hij in een sterke vaste stad geweest ware.
 
23 Ik 36zeide wel in mijn 37haasten: Ik ben 38afgesneden van voor Uw ogen; dan nog hoordet Gij de stem mijner smekingen als ik tot U riep.
36 Te weten bij mijzelven, dat is, ik dacht.
37 Dit schijnt te zien op de historie 1 Sam. 23:26, alwaar hetzelfde Hebreeuwse woord van Davids haasten gebruikt wordt dat hier staat; indien God het te dien tijde niet zeer wonderbaarlijk voorzien had, zo was het naar alle waarschijnlijkheid met David gedaan geweest. Zie de aangehaalde plaats. verwijsteksten
38 Het gevaar was zo groot en klaar voor ogen, en de ontkoming naar menselijk oordeel zo onmogelijk en ongelofelijk, dat ik door menselijke zwakheid en verbaasdheid dacht: Nu ziet God niet meer op mij. Dat hij nochtans, niettegenstaande deze verbaasdheid, tot God in dezen nood zeer smekend gebeden heeft, betuigt het volgende. Vgl. Ps. 116 op vers 11. Jona 2:4. verwijsteksten
 
24 Hebt den HEERE lief, gij al Zijn 39gunstgenoten; want de HEERE behoedt de 40gelovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene die hoogmoed bedrijft.
39 Zie Ps. 4 op vers 4. verwijsteksten
40 Of: getrouwen, waarachtigen. Anders: bewaart getrouwigheden. Zie Ps. 12 op vers 2. verwijsteksten
 
25 e41Zijt sterk, en Hij zal ulieder hart versterken, allen gij die op den HEERE hoopt.
e Ps. 27:14. verwijsteksten
41 Als Ps. 27:14. Zie aldaar. verwijsteksten

Einde Psalm 31