Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 135 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Psalm 135

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De dienaren des Heeren worden vermaand God te loven voor Zijn goedertierenheid die Hij Israël bewezen heeft, alsook ten aanzien van Zijn almacht, met een tegenstelling van de ijdelheid der afgoden, en dergenen die ze maken en op dezelve vertrouwen.
 
Gode alleen de eer
1 HALLELUJAH.1 Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN;1 Zie de aantt. Ps. 104 op vers 35; 106 op vers 1. verwijsteksten
2 Gij die 2staat 3in het huis des HEEREN, 4in de voorhoven van het huis onzes Gods.2 Dat is, dient. Zie Deut. 1 op vers 38. Ps. 134 op vers 1. verwijsteksten
3 Dat is, in den tabernakel, of in den tempel. Hij spreekt de priesters en Levieten of ook het volk aan.
4 Aldus spreekt hij omdat er twee voorhoven waren, het ene voor de priesters en Levieten, het andere voor het volk, 2 Kron. 4:9. verwijsteksten
3 Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want 5hij is lieflijk.5 Anders: het is lieflijk, te weten dat men Hem psalmzingt, Ps. 147:1. verwijsteksten
4 Want de HEERE heeft Zich 6Jakob verkoren, 7Israël atot Zijn eigendom.6 Te weten Jakob en zijn nakomelingen. Zie Ex. 19:5. verwijsteksten
7 Dat is, Israël en zijn nakomelingen.
a Ex. 19:5. Deut. 7:6. Tit. 2:14. 1 Petr. 2:9. verwijsteksten
5 Want ik weet dat de HEERE groot is, en dat onze Heere 8boven alle 9goden is.8 Of: meer dan.
9 Dat is, afgoden, die de heidenen zichzelven verdichten.
6 Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden.
7 Hij bdoet dampen opklimmen 10van het einde der aarde, 11Hij maakt de bliksemen 12met den regen, Hij brengt den wind 13uit Zijn schatkameren voort.b Jer. 10:13; 51:16. verwijsteksten
10 Dat is, van de zee die aan het einde der aarde is.
11 Dat is, Hij maakt dat het tegelijk bliksemt en regent, onaangezien dat water en vuur van tegenovergestelde natuur zijn.
12 Of: bij, of nevens, of tot den regen.
13 In dewelke Hij de winden, als Zijn schatten, besloten houdt, als Job 38:22. verwijsteksten
8 cDie de eerstgeborenen 14van Egypte sloeg, 15van den mens af tot het vee toe.c Ex. 12:12, 29. Ps. 78:51. verwijsteksten
14 Of: der Egyptenaars.
15 Dat is, zo den mens als het vee.
9 dHij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte, tegen Farao en tegen al zijn knechten.d Lees de historiën van Exodus, te weten de hoofdstukken 7; 8; 9; 10; 14. verwijsteksten
10 Die 16vele evolken sloeg, en machtige koningen doodde:16 Of: grote.
e Jozua 12. verwijsteksten
11 Sihon, den koning der Amorieten, en 17Og, den koning van Basan, en 18al de koninkrijken van Kanaän.17 Een reus, die een ijzeren bedstede had, negen cubieten lang en vier breed, Num. 21:33, 35. Deut. 3:11. verwijsteksten
18 Zijnde in getal een en dertig, als te lezen is Joz. 12:9-24. verwijsteksten
12 En fHij gaf hun land ten erve, ten erve aan Zijn volk Israël.f Ps. 78:55. verwijsteksten
13 O HEERE, Uw Naam 19is in eeuwigheid; HEERE, 20gUw gedachtenis is van geslacht tot geslacht.19 Dat is, duurt. En alzo straks wederom.
20 Dat is, het bewijs en blijk der weldaden die Gij Uw volk doet, duurt altoos.
g Ps. 102:13. verwijsteksten
14 hWant 21de HEERE zal Zijn volk 22richten, en 23het zal Hem berouwen over Zijn knechten.h Deut. 32:36. verwijsteksten
21 Alsof hij zeide: Ofschoon God de Heere Zijn volk, vanwege hun zonden, somtijds zwaarlijk is kastijdende, zodat het schijnt dat Zijn goedertierenheid niet altoos op hen blijft, nochtans nadat Hij hen een tijdlang zal gekastijd hebben, zo zal het Hem berouwen en Hij zal hen uit de handen hunner vijanden verlossen.
22 Zie Gen. 15, de aant. op vers 14. verwijsteksten
23 Dat is, Zijn toornig gemoed zal veranderen in een vriendelijk gemoed. Het is een menselijke manier van spreken. Zie Gen. 6:6. verwijsteksten
15 iDe 24afgoden der heidenen 25zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.i Ps. 115:4, enz. verwijsteksten
24 Hebr. De smarten. Zie de aant. 1 Sam. 31 op vers 9. verwijsteksten
25 Dat is, zij zijn van zilver en goud. Dit vers en enige der naastvolgende staan ook Psalm 115. Zie de aantt. aldaar.
16 Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
17 Oren hebben zij, maar horen niet; 26ook is er geen adem in hun mond.26 Anders: ook is er geen wezen des adems in hun mond.
18 Dat die ze maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.
19 27Gij huis Israëls, looft den HEERE; 28gij huis Aärons, looft den HEERE.27 Of: Gij van het huis Israëls.
28 Of: gij van het huis Aärons, enz.
20 Gij huis van Levi, looft den HEERE; gij die den HEERE vreest, looft den HEERE.
21 Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah.

Einde Psalm 135