Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 118 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Psalm 118

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De psalmist vermaant alle godzaligen den Heere te loven voor Zijn menigvuldige verlossingen en weldaden, daartoe verhalende hoe God hem verlost had uit de handen zijner vijanden. Tegelijk is in dezen psalm een profetie van de toekomst van den Heere Christus, Denwelken wel de voornaamsten des volks verwerpen zouden, maar de gelovigen zouden Hem aannemen.
 
Dankzegging na verlossing
1 LOOFT den HEERE, 1want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
1 David vermaant alle mensen tot lof en prijs des Heeren met deze reden: want Hij is goed. De woorden van dit vers staan ook Ps. 106:1; 107:1, en bij ieder vers van den 136sten psalm. verwijsteksten
 
2 Dat 2Israël nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
2 Niet het aardse Israël alleen, maar ook het Israël Gods, Gal. 6:16, dat is, alle gelovigen, die waarachtiglijk Gods volk zijn, zij zijn dan Joden of heidenen. Alzo ook vers 4. verwijsteksten
 
3 3Het huis Aärons zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
3 Dat is, de priesters van Aäron afkomstig. Zie Ps. 115 op vers 10. verwijsteksten
 
4 Dat degenen die den HEERE vrezen, nu zeggen dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
5 Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij 4in de ruimte.
4 Of in een ruime plaats, te weten mij brengende uit de benauwdheid in de ruimte en tot eer en heerlijkheid, als Ps. 18:20. verwijsteksten
 
6 De aHEERE is 5bij mij, 6ik zal niet vrezen; wat zal mij een 7mens doen?
a Rom. 8:31. verwijsteksten
5 Of: met mij, of: voor mij, dat is, gelijk het de apostel, Hebr. 13:6, verklaart: De Heere is mijn Helper. Aldus ook vers 7 en Ps. 56:5, 12. verwijsteksten
6 Te weten voor mijn vijanden.
7 Te weten een zwakke creatuur, geenszins met God te vergelijken.
 
7 De HEERE is 8bij mij 9onder degenen die mij helpen; daarom 10zal ik 11mijn lust zien aan degenen die mij haten.
8 Als vers 6. verwijsteksten
9 Vgl. Ps. 54 op vers 6. verwijsteksten
10 Zie deze verkorte manier van spreken ook Ps. 35:21; 92:12. Zie ook Ps. 22:18 en de aant. aldaar. verwijsteksten
11 Te weten mij in God verblijdende over den ondergang van Zijn en mijn verstokte, onbekeerlijke vijanden.
 
8 bHet is beter tot den HEERE toevlucht te nemen dan op den mens te vertrouwen.
b Ps. 62:9, 10; 146:3. Jer. 17:5, 7. verwijsteksten
 
9 Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen dan op prinsen te vertrouwen.
10 12Alle heidenen hadden mij omringd; het is 13in den Naam des HEEREN dat ik hen verhouwen heb.
12 Dat is, allerlei, of zoveel dat het scheen dat zij zich allen tegen mij verbonden hadden. En versta hier inzonderheid de omliggende volken, als de Filistijnen, die hem haatten, en de Amalekieten die zijn stad Ziklag verbrand hadden, 1 Samuël 30. Ja, ook velen onder de Israëlieten, die Saul hielpen, toen hij David vervolgde. verwijsteksten
13 Dat is, mij verlatende op den Heere, mijn Noodhelper, als Ps. 20:6. Zie 2 Kon. 2 op vers 24. verwijsteksten
 
11 Zij hadden mij omringd, ja, 14zij hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN dat ik hen verhouwen heb.
14 Te weten met meerdere macht en geweld dan in het eerste.
 
12 Zij hadden mij omringd 15als bijen, zij zijn uitgeblust 16als een doornvuur; het is in den Naam des HEEREN dat ik hen verhouwen heb.
15 Zie de aant. Deut. 1 op vers 44. Vgl. Jes. 7:18. verwijsteksten
16 Hetwelk haast aan brand komt en heet is, ook veel rook en gekraak geeft, nochtans terstond vergaat. Zie Pred. 7:6. Nah. 1:10. verwijsteksten
 
13 17Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.
17 Hebr. Stotende hadt gij mij gestoten. De psalmist spreekt hier zijn vijand aan, die hem zeer wredelijk mishandeld had. Zie Ps. 9:7. verwijsteksten
 
14 De HEERE is 18mijn Sterkte en 19Psalm; want Hij is mij tot Heil geweest.
18 Dat is, Die mij sterkte geeft, zodat ik tegen mijn vijanden kan bestaan, Jes. 12:2. verwijsteksten
19 Dat is, de materie en stof van mijn gezang. Zie Ex. 15:2. verwijsteksten
 
15 In 20de tenten der rechtvaardigen 21is een stem des gejuichs en 22des heils: De 23rechterhand des HEEREN doet 24krachtige daden;
20 Dat is, in de huizen.
21 Te weten vanwege de verlossing die Hij Zijn volk gegeven heeft.
22 Dat is, der overwinning, als Ps. 98:1. verwijsteksten
23 Dat is, God de Heere.
24 Of: kracht, kloekheid, dapperheid, als Ps. 108:14. verwijsteksten
 
16 De rechterhand des HEEREN 25is verhoogd, cde rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.
25 Dat is, God laat Zijn kracht heerlijk en klaarlijk blijken, alzo dat elkeen dezelve moet roemen en prijzen.
c Luk. 1:51. verwijsteksten
 
17 26Ik zal niet sterven, maar leven; en 27ik zal de werken des HEEREN vertellen.
26 Te weten door het zwaard of de hand mijner vijanden.
27 Te weten hoe wonderbaarlijk Hij mij en andere vrome lieden menigmaal verlost en beschermd heeft.
 
18 De HEERE 28heeft mij wel hard gekastijd, maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
28 Hebr. kastijdende gekastijd.
 
19 29Doet mij 30de poorten der gerechtigheid open; ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.
29 Een aanspraak aan de priesters en Levieten.
30 Dat is, de poorten des tabernakels en der heilige plaats, die daarom de poorten der gerechtigheid genoemd worden, omdat alleen de vromen en reinen behoorden daarin te komen, als blijkt vers 20. David had een geruimen tijd in en bij den tabernakel niet mogen verschijnen, vluchtende voor Saul. Nu mocht hij weder daarin komen en in de vergadering der godzaligen verschijnen. verwijsteksten
 
20 Dit is 31de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan.
31 Of: Deze poort is des Heeren. Versta de poort des tabernakels den Heere geheiligd. Een voorbeeld van den Heere Jezus Christus, Die de Poort der gerechtigheid is en des hemels, in welken Hij is ingegaan.
 
21 Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot Heil geweest zijt.
22 De d32steen dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden.
d Jes. 8:14; 28:16. Matth. 21:42. Mark. 12:10. Luk. 20:17. Hand. 4:11. Rom. 9:33. Ef. 2:20. 1 Petr. 2:4, 7. verwijsteksten
32 Versta bij dezen steen vooreerst David, die een tijdlang van de vorsten in Israël en de voornaamsten des rijks is veracht en verworpen geweest, doch de Heere heeft hem evenwel nog eindelijk tot het koninkrijk verheven, om hetzelve te regeren en als de hoeksteen van hetzelve te zijn. Daarna moet het van Christus, Wiens voorbeeld David geweest is, voornamelijk verstaan worden, Denwelken de overpriesters, schriftgeleerden en oversten des volks, die als bouwlieden over de kerke Gods gesteld waren, verworpen, vervolgd en gedood hebben; doch God heeft Hem als een Hoofd en Fundament over Zijn kerk verordineerd en gesteld, Die het gebouw van het huis samenbindt en bevestigt.
 
23 33Dit is van den HEERE geschied, en 34het is wonderlijk in onze ogen.
33 Te weten dat de verworpen steen is geworden de voorname steen van het huis des Heeren.
34 Te weten dat die verachte en verworpen steen nu zo geacht en verheven is.
 
24 35Dit is de dag 36dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen en verblijd zijn.
35 Te weten in welken dag David koning is geworden, en Christus door de predicatie van het Heilig Evangelie is bekendgemaakt.
36 Dat is, dien de Heere boven andere dagen heeft verheerlijkt. Aldus wordt het woord maken voor verheerlijken ook genomen 1 Sam. 12:6. Zie de aant. aldaar. verwijsteksten
 
25 Och HEERE, 37geef nu heil; och HEERE, 38geef nu voorspoed.
37 De evangelisten houden de Hebreeuwse woorden hosia-na, Matth. 21:9, 15. Mark. 11:9, 10. verwijsteksten
38 Te weten den koning David, en den Heere Christus, Wiens voorbeeld hij is.
 
26 39Gezegend zij hij die daar komt 40in den Naam des HEEREN; 41wij zegenen ulieden 42uit het huis des HEEREN.
39 Dat is, wij wensen hem Gods zegen; het is gelofelijk dat de priesters en het volk Gods deze gelukwens den koning David gedaan hebben, als hij eerst de koninklijke regering heeft aangevangen. Daarna heeft het volk dezelve woorden Christus toegeroepen, als Hij Zijn inkomst binnen Jeruzalem gedaan heeft, Matth. 21:9. verwijsteksten
40 Dat is, met macht en autoriteit van den Heere, Luk. 19:38. verwijsteksten
41 Dit schijnen te zijn de woorden der priesters, wier ambt het was het volk te zegenen in het huis des Heeren, Num. 6:23. Deut. 10:8. 1 Kron. 23:13. Alsof zij zeiden: Wij van het huis des Heeren, dat is, wij priesters, die ingesteld zijn tot opzieners in het huis des Heeren, en dien het toekomt het volk des Heeren te zegenen, wij zegenen u, o koning David, en het volk dat bij u is. Zie Ps. 72 op vers 15. verwijsteksten
42 Dat is, uit den tabernakel ten tijde van David; doch uit den tempel ten tijde van den Heere Christus.
 
27 De HEERE is God, Die ons 43licht gegeven heeft. 44Bindt 45het feestoffer met touwen, 46tot aan 47de hoornen van het altaar.
43 Dat is, geluk, vreugd, troost en blijdschap, in plaats van droefenis en jammer, als Esth. 8:16. verwijsteksten
44 Dat is, bereidt u om het feest te houden en den Heere te offeren.
45 Hebr. het feest. Maar het betekent hier het beest of het offer dat op dien feestdag zou geofferd worden.
46 Dat is, zoveel dat men ze moest brengen en binden tot aan de hoornen des altaars.
47 Zie de aant. Ex. 27:2. verwijsteksten
 
28 Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God, ik zal U verhogen.
29 48Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
48 Zie vers 1. verwijsteksten

Einde Psalm 118