Statenvertaling.nl

sample header image

Psalm 106 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42 43 44 45 46 47 48 49 50 51 52 53 54 55 56 57 58 59 60 61 62 63 64 65 66 67 68 69 70 71 72 73 74 75 76 77 78 79 80 81 82 83 84 85 86 87 88 89 90 91 92 93 94 95 96 97 98 99 100 101 102 103 104 105 106 107 108 109 110 111 112 113 114 115 116 117 118 119 120 121 122 123 124 125 126 127 128 129 130 131 132 133 134 135 136 137 138 139 140 141 142 143 144 145 146 147 148 149 150
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Psalm 106

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Een vermaning tot lof en prijs des Heeren, met bede om vergeving der zonden, die het volk Gods bekent gedaan te hebben, alsook hun vaders, waarbij gevoegd wordt een kort verhaal van der Israëlieten wederspannigheid in de woestijn en de barmhartigheid Gods hun bewezen, besluitende met een gebed en lof des Heeren.
 
Oproep tot lof én ootmoed
1 HALLELUJAH.1 aLooft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
1 Zie de aant. Ps. 104 op vers 35. Er zijn negen psalmen die met Hallelujah beginnen, te weten 106, 111, 112, 113, 135, 146, 148, 149 en 150. verwijsteksten
a Ps. 107:1; 118:1; 136:1. verwijsteksten
 
2 Wie zal 2de mogendheden des HEEREN uitspreken, al Zijn lof 3verkondigen?
2 Dat is, de machtige daden des Heeren, die vss. 8, 9 en elders meer verhaald worden. Alzo staat er in dit vers lof voor lofwaardige daden. verwijsteksten
3 Hebr. doen horen, dat is, maken dat men ze hoort. Zie Ps. 26 op vers 7. verwijsteksten
 
3 Welgelukzalig zijn zij 4die het recht onderhouden; die te allen tijde gerechtigheid doet.
4 Dat is, die onderhouden hetgeen dat recht en wel gedaan is. Zie Gen. 18 op vers 19. verwijsteksten
 
4 5Gedenk mijner, o HEERE, 6naar het welbehagen tot Uw volk, 7bezoek mij 8met Uw heil,
5 Hij bidt dat hij onder de genade en goeden wil des Heeren, die Hij Zijn gemeente toedraagt, moge begrepen zijn.
6 Hebr. in het welbehagen Uws volks, dat is, dat Gij in Uw volk hebt.
7 Dat is, help en verlos mij, als Ps. 8:5. Luk. 1:68, 69. Zie de aant. Gen. 21 op vers 1. verwijsteksten
8 Dat is, met Uw goedertieren hulp en verlossing.
 
5 Opdat ik 9aanschouwe het goede Uwer uitverkorenen; opdat ik mij verblijde 10met de blijdschap Uws volks; 11opdat ik mij roeme 12met Uw erfdeel.
9 Hebr. zie in het goede, als Ps. 27:4; 34:13. Zie de aant. Ps. 22 op vers 18. verwijsteksten
10 Dat is, met zulke vreugd en blijdschap als zich Uw volk verheugt, wanneer Gij hun lichamelijke of geestelijke weldaden bewijst.
11 Te weten in den Heere, als Ps. 34:3. verwijsteksten
12 Dat is, met het volk hetwelk Gij tot Uw erfdeel hebt aangenomen, Ps. 28:9. verwijsteksten
 
6 bWij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld.
b Lev. 26:40. Jer. 3:25. Dan. 9:5. verwijsteksten
 
7 Onze vaders in Egypte hebben niet gelet 13op Uw wonderen, zij zijn de 14menigte Uwer goedertierenheden niet gedachtig geweest; cmaar 15zij waren wederspannig aan de zee, 16bij de Schelfzee.
13 Te weten die Gij in Egypte gedaan hebt; of die zij van hun voorouders verstaan hadden dat God van den aanbeginne gedaan had.
14 Of: grootte.
c Ex. 14:11, 12. verwijsteksten
15 Te weten, eer de Heere hun de Rode Zee opende om daardoor te passeren. Zie Ex. 14:11, 12. verwijsteksten
16 Anders: bij het Biezenmeer. Deze zee wordt Hebr. 11:29 genoemd de Rode Zee. verwijsteksten
 
8 Doch Hij verloste hen om Zijns Naams wil, dopdat Hij Zijn mogendheid bekendmaakte.
d Ex. 9:16. verwijsteksten
 
9 En Hij 17schold de Schelfzee, zodat zij verdroogde; en eHij deed hen wandelen door 18de afgronden 19als door een woestijn.
17 Alzo dat Hij het vloeien van haar golven deed ophouden. Zie dergelijke kracht Gods Ps. 18:16. Jes. 50:2. Nah. 1:4. Matth. 8:26. verwijsteksten
e Ex. 14:21, 22, 29. Zie ook Jes. 63:11, 12, 13. verwijsteksten
18 Versta hier door de afgronden den grond der zee, in dewelke zij tussen die beide hopen water die in de Schelfzee tegenover elkander als muren overeind stonden, doorgingen, Ex. 14:22; 15:5. verwijsteksten
19 Hij wil zeggen, dat de grond van het meer tussen die beide overeind staande wateren zo hard en zo droog geweest is alsof het een dorre woestijn geweest ware.
 
10 En Hij verloste hen uit de hand 20des haters, en Hij bevrijdde hen van de hand des vijands.
20 Te weten van Farao en zijn heir, dat de Israëlieten vervolgde, Ex. 14:23. verwijsteksten
 
11 fEn de wateren overdekten hun wederpartijders; niet één van hen bleef er over.
f Ex. 14:27; 15:5. verwijsteksten
 
12 gToen geloofden zij aan Zijn woorden, zij zongen Zijn lof.
g Ex. 14:31; 15:1. verwijsteksten
 
13 Doch 21zij vergaten haast 22Zijn werken, zij 23verbeidden naar Zijn raad niet;
21 Hebr. zij haastten, zij vergaten. Zie Ps. 45 op vers 5. verwijsteksten
22 Te weten die de Heere in en aan de Rode Zee gedaan had.
23 Zij wilden naar den raad Gods niet wachten met geduld, maar zij murmureerden tegen Hem, Ex. 15:24; 17:2. Ps. 78:41. verwijsteksten
 
14 hMaar zij werden belust met lust in de woestijn, en 24zij verzochten God in de wildernis.
h Ex. 16:3. Num. 11:4, 6, 33. Ps. 78:18. 1 Kor. 10:6. verwijsteksten
24 Willende zien of Hij machtig was hun vlees te geven in de woestijn.
 
15 Toen gaf Hij hun 25hun begeerte, maar Hij izond 26aan hun zielen een 27magerheid.
25 Dat is, hetgeen waarom zij gebeden hadden, te weten vlees, Num. 11:31. verwijsteksten
i Num. 11:20, 33. Ps. 78:30, 31. Jes. 10:16. verwijsteksten
26 Dat is, aan hun personen; eigenlijk aan hun lichamen. Alzo staat er ziel voor persoon Ps. 105:18. verwijsteksten
27 Of: tering. Hij wil zeggen: Zij aten wel, maar hadden daarvan geen voedsel; zij zijn van dat vlees niet vet geworden, maar mager, zo lang totdat zij eindelijk geheel zijn verteerd geweest.
 
16 kEn zij benijdden 28Mozes in het leger, en 28Aäron, 29den heilige des HEEREN.
k Num. 16:2, enz. verwijsteksten
28 . 28 Alzo dat zij tegen hen opstonden, en hen hielden en scholden voor eergierige en opgeblazen mensen.
29 Dat is, denwelken God afgezonderd en geheiligd had tot Zijn dienst, om hogepriester te zijn, Ex. 29:44. Lev. 8:12, enz. Num. 16:5, 7. verwijsteksten
 
17 lDe aarde deed zich open en verslond Dathan, en overdekte 30de vergadering van Abíram.
l Num. 16:31, 32, 33. Deut. 11:6. verwijsteksten
30 Dat is, het volk dat hem aanhing.
 
18 En meen vuur brandde 31onder hun vergadering, een vlam stak de goddelozen aan brand.
m Num. 16:35, 46. verwijsteksten
31 Te weten tegen Korachs en zijner medeplichtigen vergadering.
 
19 nZij maakten een kalf bij 32Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.
n Ex. 32:4. verwijsteksten
32 Dit is de naam van een berg in de woestijn, anders genoemd de berg Gods, Ex. 3:1. 1 Kon. 19:8, ook Sinaï, Ps. 68:9. Zie de aant. Deut. 1 op vers 2. verwijsteksten
 
20 En zij veranderden 33hun Eer in de gedaante van 34een os, die gras eet.
33 Te weten hun God, Die hun rechte Eer en onwaardeerlijke Schat was, als Jer. 2:11. Rom. 1:23, Die Zich aan hen wonderbaarlijk openbaarde, hen tot Zijn volk had aangenomen en een verbond met hen gemaakt had. verwijsteksten
34 Dat is, van een kalf.
 
21 Zij vergaten God, hun Heiland, Die grote dingen gedaan had in Egypte,
22 Wonderdaden 35in het land van Cham, vreselijke dingen aan de Schelfzee.
35 Dat is, in Egypte, als Ps. 78:51; 105:23. verwijsteksten
 
23 oDies Hij zeide dat Hij hen verdelgen zou, tenware dat Mozes, Zijn uitverkorene, 36in de scheur voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierf.
o Ex. 32:11, 32. Deut. 9:13, 14; 10:10. verwijsteksten
36 Of: in de reet, breuk, bres, dewelke hun zonde Gode geopend had, hun vijand geworden zijnde vanwege hun zonden, om tot hun verderf tot hen in te komen. Het is een manier van spreken genomen van de krijgslieden, die door reten, scheuren of bressen der muren in de stad komen, Ez. 22:30. Maar het ijverig en ernstig gebed van Mozes heeft de bres gestopt, Ex. 32:11-14. verwijsteksten
 
24 pZij versmaadden ook 37het gewenste land, 38zij geloofden Zijn woord niet.
p Num. 14:1, 2. verwijsteksten
37 Hebr. het land der begeerte, dat is, het land van Kanaän, hetwelk een schoon gewenst land was, vloeiende van melk en honing, waartoe ook de vrome voorvaders een grote begeerte gehad hadden. Zie Deut. 8:7; 11:10, 11, 12. Jer. 3:19. Ez. 20:6. verwijsteksten
38 Dat is, zij geloofden de beloften Gods niet, dat Hij hen in het beloofde land brengen en daarin bewaren zou; maar uit ongeloof wilden zij weder naar Egypte keren.
 
25 Maar zij murmureerden in hun tenten; 39naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.
39 Hij geeft te kennen dat het volk onwillig was naar het beloofde land toe te trekken, Deut. 1:32. verwijsteksten
 
26 Dies 40qhief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn,
40 Zie Gen. 14 de aant. op vers 22. Doch hoe en wat God tegen dit volk gezworen heeft, zie breder Num. 14:21, 23. Deut. 2:14. Ps. 95:11. verwijsteksten
q Num. 14:28. verwijsteksten
 
27 En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en 41hen rverstrooien zou door de landen.
41 Dit staat niet bij den eed dien God gedaan heeft Num. 14:28, maar het staat Lev. 26:33. Deut. 28:36. verwijsteksten
r Ps. 44:12. Ez. 20:23. verwijsteksten
 
28 Ook hebben zij zich gekoppeld aan 42sBaäl-Peor, en zij hebben 43de offeranden der doden gegeten.
42 Aldus heette de afgod der Moabieten, Num. 25:3, 5. Zie de aant. Richt. 2 op vers 11. verwijsteksten
s Num. 25:3; 31:16. Openb. 2:14. verwijsteksten
43 Dat is, de offeranden die den doden geofferd waren, te weten den afgoden, Num. 25:2, hetwelk niets dan dode dingen zijn, geen beweging noch gevoel hebbende, Ps. 115:5, enz. 1 Kor. 12:2. Daarentegen wordt de ware God genoemd de levende God, Jer. 10:5, 10. 1 Thess. 1:9. verwijsteksten
 
29 En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt 44met hun daden, zodat de plaag 45een inbreuk onder hen deed.
44 Te weten met het aanbidden van Baäl-Peor, en met de hoererij die zij met de Moabitische vrouwen bedreven.
45 Dodende vier en twintig duizend mannen, Num. 25:9, hetzij door een engel of anderszins. Immers zijn zij zeer subiet omgekomen. verwijsteksten
 
30 Toen stond Pínehas op en 46hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden.
46 Dat is, hij oefende recht en straf over die misdaad, waarvan Num. 25:7, 8, enz., geschreven staat. verwijsteksten
 
31 En het is hem gerekend 47tot gerechtigheid, van geslacht tot geslacht, tot in eeuwigheid.
47 Dat is, tot een wettige, goede en loffelijke daad, door ingeven des Heiligen Geestes, alhoewel buiten zijn gewoon beroep, gedaan, God hem zulks genadiglijk belonende, Num. 25:11, enz., waardoor hij ook getuigenis verkreeg dat hij een kind Gods was. verwijsteksten
 
32 tZij maakten 48Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en 49het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.
t Num. 20:12. Ps. 95:8. verwijsteksten
48 Te weten God.
49 Alzo dat hem van God gezegd werd, dat hij in het land Kanaän niet komen zou, Num. 20:12. Zie Deut. 1:37. verwijsteksten
 
33 Want zij verbitterden Zijn Geest, zodat hij 50wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.
50 Te weten enige woorden die hij niet had behoren te spreken, want hij bewees enige onverduldigheid met een mistrouwen vermengd, en hij heiligde den Heere niet voor de Israëlieten, gelijk hij schuldig was te doen. Zie Num. 20:10, 12. verwijsteksten
 
34 Zij hebben 51die volken niet verdelgd, die de HEERE hun 52gezegd had;
51 Te weten die heidenen die het land Kanaän bewoonden, gelijk er staat Richt. 1:21, 27, 29, 30, 31, 33. Hetwelk nochtans God de Heere hun bevolen had, Ex. 23:32, 33. Num. 33:52. Deut. 7:2. verwijsteksten
52 Dat is, bevolen.
 
35 Maar 53vzij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzelver werken.
53 Dat is, zij trouwden de dochters dier heidenen.
v Richt. 2:2; 3:5, 6. verwijsteksten
 
36 En zij dienden 54hun afgoden, en 55zij werden hun tot een strik.
54 Zie 1 Sam. 31 op vers 9. 2 Sam. 5 op vers 21. verwijsteksten
55 Dat is, die hun ten verderve gestrekt hebben, gelijk God hun voorzegd had, Ex. 23:33. Deut. 7:16. Richt. 2:3. Het is een manier van spreken genomen van de vogelvangers, die de vogels met hun strikken en netten gevangen hebbende, doden. verwijsteksten
 
37 xDaarenboven hebben zij hun zonen en hun dochters 56den duivelen opgeofferd.
x Lev. 18:21. Deut. 12:31. 2 Kon. 16:3; 17:17; 21:6. 2 Kron. 28:3; 33:6. verwijsteksten
56 Zie de aant. Deut. 32:17. verwijsteksten
 
38 En zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochters, die zij den afgoden van Kanaän hebben opgeofferd, yzodat 57het land door deze 58bloedschulden is ontheiligd geworden.
y Num. 35:33. verwijsteksten
57 Te weten het land Kanaän.
58 Hebr. bloeden, als Ps. 51:16. Zie de aant. Gen. 4 op vers 10. verwijsteksten
 
39 En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben 59gehoereerd door hun daden.
59 Versta hier geestelijke hoererij, dat is, afgoderij. Zie de aant. Lev. 17 op vers 7. verwijsteksten
 
40 Dies is de toorn des HEEREN ontstoken tegen Zijn volk, en Hij heeft een gruwel gehad aan 60Zijn erfdeel.
60 Zie de aant. vers 5. verwijsteksten
 
41 En 61Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.
61 Als te zien is in het boek der Richteren doorgaans.
 
42 En 62hun vijanden hebben hen verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hun hand.
62 Te weten de vijanden, die rondom hen woonden, gelijk hun voorzegd was, Lev. 26:17. Zie de volbrenging Richt. 3:8, 14; 4:2; 6:1; 10:7, 8, 9; 13:1. verwijsteksten
 
43 Hij heeft hen menigmaal 63gered, maar zij verbitterden Hem 64door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.
63 Te weten uit de hand hunner vijanden, door Ehud, Barak, Gideon, Jefta, Simson, enz., Richteren 3; 4; 7; 11; 15. Neh. 9:28, 30. verwijsteksten
64 De zin is, dat zij telkens weder begonnen met zondigen en met moedwilligheid tegen den Heere te bedrijven, Num. 15:39. verwijsteksten
 
44 Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.
45 En 65Hij dacht tot hun best aan Zijn verbond, en 66het berouwde Hem naar de veelheid Zijner goedertierenheden.
65 Hebr. Hij dacht hun aan Zijn verbond. Zie Gen. 8 op vers 1. Deut. 30:1, enz. verwijsteksten
66 Te weten van de straf hun toegezonden, dat is, Hij nam een anderen koers dan Hij tevoren genomen had, en Hij nam hun de straf af. Zie Gen. 6 op vers 6. verwijsteksten
 
46 67Dies gaf Hij hun barmhartigheid voor het aangezicht van allen die hen gevangen hadden.
67 Hebr. En Hij gaf hun tot ontfermingen. Zie 1 Kon. 8 op vers 50. verwijsteksten
 
47 Verlos ons, HEERE onze God, en verzamel ons 68zuit de heidenen, opdat wij 69den Naam Uwer heiligheid loven, 70ons beroemende in Uw lof.
68 Onder dewelke vele Israëlieten verspreid waren en woonden, ook velen gevangenzaten.
z 1 Kron. 16:35. verwijsteksten
69 Dat is, Uw heiligen Naam.
70 Dat is, ons verheugende over Uw genade, vanwege dewelke Gij geroemd en geprezen wordt.
 
48 Geloofd zij de HEERE, de God Israëls, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en aal het volk zegge: Amen, Hallelujah.
a 1 Kron. 16:36. verwijsteksten

Einde Psalm 106