Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 MAAR Job antwoordde en zeide: |
| 2 Och, of mijn verdriet recht gewogen werd, en men mijn ellende tezamen in een weegschaal ophief. |
| 3 Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeën; daarom worden mijn woorden opgezwolgen. |
| 4 Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich toe tegen mij. |
| 5 Ruchelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder? |
| 6 Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers? |
| 7 Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze. |
| 8 Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave; |
| 9 En dat het God beliefde dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet en een einde met mij maakte. |
| 10 Dat zou nog mijn troost zijn en ik zou mij verkwikken in den weedom, zo
Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden. |
| 11 Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou? |
| 12 Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal? |
| 13 Is dan mijn hulp niet in mij? En is de wijsheid uit mij verdreven? |
| 14 Aan hem die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten. |
| 15 Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door; |
| 16 Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt. |
| 17 Ten tijde als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats. |
| 18 De gangen haars wegs wenden zich terzijde af; zij lopen op in het woeste en vergaan. |
| 19 De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar. |
| 20 Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde; als zij daartoe komen, zo worden zij schaamrood. |
| 21 Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting en gij hebt gevreesd. |
| 22 Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen? |
| 23 Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen? |
| 24 Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan waarin ik gedwaald heb. |
| 25 O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen dat van ulieden is? |
| 26 Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn? |
| 27 Ook werpt gij u op een wees, en gij graaft tegen uw vriend. |
| 28 Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn of ik lieg. |
| 29 Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn. |
| 30 Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven? |