Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 NIEMAND is zo
koen dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij die zich voor Mijn aangezicht stellen zou? |
| 2 Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is Mijne. |
| 3 Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis. |
| 4 Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen? |
| 5 Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking. |
| 6 Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel. |
| 7 Het ene is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen. |
| 8 Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden. |
| 9 Elkeen zijner niezingen doet een licht schijnen, en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads. |
| 10 Uit zijn mond gaan fakkels, vurige vonken raken eruit. |
| 11 Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedenden pot en ruimen ketel. |
| 12 Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort. |
| 13 In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op. |
| 14 De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen. |
| 15 Zijn hart is vast gelijk een steen, ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen. |
| 16 Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wil ontzondigen zij zich. |
| 17 Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan; spies, schicht, noch pantsier. |
| 18 Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout. |
| 19 De pijl zal hem niet doen vlieden; de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd. |
| 20 De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans. |
| 21 Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige als
op slijk. |
| 22 Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij. |
| 23 Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden. |
| 24 Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen. |
| 25 Hij aanziet alles wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren. |