Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 EN de HEERE antwoordde Job uit een onweder en zeide: |
| 2 Gord nu als een man uw lendenen; Ik zal u vragen, en onderricht Mij. |
| 3 Zult gij ook Mijn oordeel tenietmaken? Zult gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt? |
| 4 Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij gelijk Hij met de stem donderen? |
| 5 Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid. |
| 6 Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige en verneder hem. |
| 7 Zie allen hoogmoedige en breng hem ten onder, en verpletter de goddelozen in hun plaats. |
| 8 Verberg hen tezamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgene. |
| 9 Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben. |
| 10 Zie nu, behémoth, welken Ik gemaakt heb nevens u, hij eet hooi gelijk een rund. |
| 11 Zie toch, zijn kracht is in zijn lendenen, en zijn macht in den navel zijns buiks. |
| 12 Als het hem lust, zijn staart is als een ceder; de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten. |
| 13 Zijn beenderen zijn als
vast koper; zijn gebeenten zijn als ijzeren handbomen. |
| 14 Hij is een hoofdstuk der wegen Gods; Die hem gemaakt heeft, heeft hem
zijn zwaard aangehecht. |
| 15 Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen al de dieren des velds aldaar. |
| 16 Onder schaduwachtige bomen ligt hij neder, in een schuilplaats des riets en des slijks. |
| 17 De schaduwachtige bomen bedekken hem, elkeen met zijn schaduw; de beekwilgen omringen hem. |
| 18 Zie, hij doet de rivier geweld aan en
verhaast zich niet; hij vertrouwt dat hij de Jordaan in zijn mond zou kunnen intrekken. |
| 19 Zou men hem voor zijn ogen kunnen vangen? Zou men hem met strikken den neus doorboren kunnen? |
| 20 Zult gij den leviathan met den angel trekken, of zijn tong met een koord dat gij laat nederzinken? |
| 21 Zult gij hem een bieze in den neus leggen, of met een doorn zijn kaak doorboren? |
| 22 Zal hij aan u vele smekingen maken? Zal hij zachtkens tot u spreken? |
| 23 Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot een eeuwigen slaaf? |
| 24 Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje? Of zult gij hem binden voor uw jongedochters? |
| 25 Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? |
| 26 Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? |
| 27 Leg uw hand op hem; gedenk des strijds, doe het niet meer. |
| 28 Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? |