Statenvertaling.nl

sample header image

Job 38 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Job 38

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

De HEERE verschijnt aan Job
1 DAARNA antwoordde de HEERE Job uit een onweder en zeide:
2 aWie is hij die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap? a Job 42:3. verwijsteksten
3 Gord nu als een man uw lendenen, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
4 Waar waart gij btoen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt. b Spr. 8:29. verwijsteksten
5 Wie heeft haar maten gezet? Want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
6 Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken? Of wie heeft haar hoeksteen gelegd?
7 Toen de morgensterren tezamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten.
8 Of wie cheeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak en uit de baarmoeder voortkwam? c Gen. 1:9. Job 26:10. Ps. 33:7; 104:9. Spr. 8:29. Jer. 5:22. verwijsteksten
9 Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek;
10 Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren;
11 En zeide: Tot hiertoe zult gij komen en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
12 Hebt gij van uw dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijn plaats gewezen;
13 Opdat hij de einden der aarde vatten zou, en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?
14 Dat zij veranderd zou worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?
15 En dat van de goddelozen hun licht geweerd worde, en de hoge arm worde gebroken?
16 Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee? En hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
17 Zijn u de poorten des doods ontdekt? En hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?
18 Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedten der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
19 Waar is de weg waar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
20 Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?
21 Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn vele in getal.
22 Zijt gij gekomen tot de schatkameren der sneeuw? En hebt gij de schatkameren des hagels gezien?
23 Dien Ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs.
24 Waar is de weg waar het licht verdeeld wordt, en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?
25 Wie deelt voor den stortregen een waterloop uit, en een weg voor het weerlicht der donderen?
26 Om te regenen op het land waar niemand is, op de woestijn waarin geen mens is;
27 dOm het woeste en het verwoeste te verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen. d Ps. 107:35. verwijsteksten
28 Heeft de regen een vader? Of wie baart de druppelen des dauws?
29 Uit wiens buik komt het ijs voort? En wie baart den rijm des hemels?
30 Als met een steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgronds wordt omvat.
31 Kunt gij de lieflijkheden evan het Zevengesternte binden, of de strengen des Oríons losmaken? e Job 9:9. Amos 5:8. verwijsteksten
32 Kunt gij de Mazzarôth voortbrengen op haar tijd, en den Wagen met zijn kinderen leiden?
33 fWeet gij de ordinantiën des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen? f Jer. 31:35. verwijsteksten
34 Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
35 Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij heenvaren, en tot u zeggen: Zie, hier zijn wij?
36 gWie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven? g Job 32:8. Pred. 2:26. Dan. 1:17. verwijsteksten
37 Wie kan de wolken met wijsheid tellen? En wie kan de flessen des hemels nederleggen?
38 Als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven?

Einde Job 38