Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 EN gewisselijk, o Job, hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore. |
| 2 Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte. |
| 3 Mijn redenen zullen de oprechtheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken. |
| 4 De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt. |
| 5 Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u. |
| 6 Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden. |
| 7 Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn. |
| 8 Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord: |
| 9 Ik ben rein, zonder overtreding, ik ben zuiver, en heb geen misdaad; |
| 10 Zie, Hij vindt oorzaken tegen mij, Hij houdt mij voor Zijn vijand; |
| 11 Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar. |
| 12 Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens. |
| 13 Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden. |
| 14 Maar God spreekt eens of tweemaal, doch men let niet daarop. |
| 15 In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger, |
| 16 Dan openbaart Hij het voor het oor der lieden, en Hij verzegelt hun kastijding; |
| 17 Opdat Hij den mens afwende van zijn
werk, en van den man de hovaardij verberge, |
| 18 Dat Hij zijn ziel van het verderf afhoude; en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga. |
| 19 Ook wordt hij gestraft met smart op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen; |
| 20 Zodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijn ziel de begeerlijke spijze; |
| 21 Dat zijn vlees verdwijnt uit het gezicht, en zijn beenderen, die
niet gezien werden, uitsteken; |
| 22 En zijn ziel nadert ten verderve, en zijn leven tot de dingen die doden. |
| 23 Is er dan bij hem een gezant, een uitlegger, één uit duizend, om den mens zijn rechten plicht te verkondigen, |
| 24 Zo zal Hij hem genadig zijn en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale, Ik heb verzoening gevonden. |
| 25 Zijn vlees zal frisser worden dan het was in de jeugd; hij zal tot de dagen zijner jonkheid wederkeren. |
| 26 Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven. |
| 27 Hij zal de mensen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat; |
| 28 Maar God heeft mijn ziel verlost, dat zij niet voere in het verderf, zodat mijn leven het licht aanziet. |
| 29 Zie, dit alles werkt God twee- of driemaal met een man; |
| 30 Opdat Hij zijn ziel afkere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden. |
| 31 Merk op, o Job, hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken. |
| 32 Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen. |
| 33 Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren. |