Statenvertaling.nl

sample header image

Job 31 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Job 31

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Job betuigt zijn onschuld
1 IK heb een verbond gemaakt met mijn ogen; hoe zou ik dan acht gegeven hebben op een maagd?
2 Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
3 Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?
4 aZiet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden? a 2 Kron. 16:9. Job 34:21. Spr. 5:21; 15:3. Jer. 32:19. verwijsteksten
5 Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij,
6 Hij wege mij op in een rechte weegschaal, en God zal mijn oprechtheid weten.
7 Zo mijn gang uit den weg geweken is en mijn hart mijn ogen nagevolgd is, en aan mijn handen iets aankleeft,
8 Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden.
9 bZo mijn hart verlokt is geweest tot een vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb, b Job 24:15. Spr. 7:25. verwijsteksten
10 Zo moet mijn huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen.
11 Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.
12 Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.
13 Zo ik versmaad heb het recht mijns knechts of mijner dienstmaagd, als zij geschil hadden met mij
14 (Want wat zou ik doen cals God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden? c Ps. 44:22. verwijsteksten
15 dHeeft Hij niet, Die mij in den buik maakte, hem ook gemaakt, en Eén ons in de baarmoeder bereid?); d Job 34:19. Spr. 14:31; 17:5. verwijsteksten
16 Zo ik den armen hun begeerte onthouden heb, of de ogen der weduwe heb laten versmachten,
17 En mijn bete alleen gegeten heb, zodat de wees daarvan niet gegeten heeft
18 (Want van mijn jonkheid aan is hij bij mij opgetogen als bij een vader, en van mijner moeders buik aan heb ik haar geleid);
19 Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;
20 Zo zijn lendenen mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;
21 Zo ik mijn hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag:
22 Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af.
23 Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.
24 Zo ik het goud etot mijn hoop gezet heb, of tot het fijne goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen; e Mark. 10:24. 1 Tim. 6:17. verwijsteksten
25 fZo ik blijde ben geweest omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had; f Ps. 62:11. verwijsteksten
26 gZo ik het licht aangezien heb wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande, g Deut. 4:19. verwijsteksten
27 En mijn hart verlokt is geweest in het verborgen, dat mijn hand mijn mond gekust heeft;
28 Dat ware ook een misdaad bij den rechter, want ik zou den God van boven verzaakt hebben.
29 hZo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb als het kwaad hem vond. h Spr. 17:5. verwijsteksten
30 (Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, imits door een vloek zijn ziel te begeren.) i Matth. 5:44. Rom. 12:14. verwijsteksten
31 Zo de lieden mijner tent niet hebben gezegd: Och, of wij van zijn vlees hadden; wij zouden niet verzadigd worden.
32 kDe vreemdeling overnachtte niet op de straat; mijn deuren opende ik naar den weg. k Hebr. 13:2. 1 Petr. 4:9. verwijsteksten
33 Zo ik, gelijk Adam, mijn overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijn misdaad verbergende!
34 Zeker, ik kon wel een grote menigte geweldiglijk onderdrukt hebben; maar de verachtste der huisgezinnen zou mij afgeschrikt hebben, zodat ik gezwegen zou hebben en ter deure niet uitgegaan zijn.
35 Och, of ik een had die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
36 Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon.
37 Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.
38 Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren tezamen wenen;
39 Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel zijner akkerlieden heb doen hijgen;
40 Dat voor tarwe distelen voortkomen, en voor gerst stinkkruid.
De woorden van Job hebben een einde.

Einde Job 31