Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 MAAR nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben om bij de honden mijner kudde te stellen. |
| 2 Waartoe zou mij ook geweest zijn de kracht hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan. |
| 3 Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het
donkere, woeste en verwoeste. |
| 4 Die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel der jeneveren. |
| 5 Zij werden uit het midden uitgedreven (men jouwde over hen als over een dief); |
| 6 Opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen. |
| 7 Zij schreeuwden tussen de struiken; onder de netelen vergaderden zij zich. |
| 8 Zij waren kinderen der dwazen en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande. |
| 9 Maar nu ben ik hun snarenspel geworden, en ik ben hun tot een klapwoord. |
| 10 Zij hebben een gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht. |
| 11 Want Hij heeft mijn zeel losgemaakt en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen. |
| 12 Ter rechterhand staat de jeugd op, stoten mijn voeten uit, en banen tegen mij hun verderfelijke wegen. |
| 13 Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper vandoen. |
| 14 Zij komen aan als door een wijde breuk; onder de verwoesting rollen zij zich aan. |
| 15 Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elkeen vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan. |
| 16 Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan. |
| 17 Des nachts doorboort Hij mijn beenderen in mij, en mijn polsaderen rusten niet. |
| 18 Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd; Hij omgordt mij als de kraag mijns roks. |
| 19 Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as. |
| 20 Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij. |
| 21 Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk. |
| 22 Gij heft mij op in den wind, Gij doet mij daarop rijden; en Gij versmelt mij het wezen. |
| 23 Want ik weet dat Gij mij ter dood brengen zult, en tot het huis der samenkomst aller levenden. |
| 24 Maar Hij zal tot den aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in Zijn verdrukking? |
| 25 Weende ik niet over hem die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige? |
| 26 Nochtans, toen ik het goede verwachtte, zo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zo kwam de donkerheid. |
| 27 Mijn ingewand ziedt en is niet stil; de dagen der verdrukking zijn mij voorgekomen. |
| 28 Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente. |
| 29 Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struisen. |
| 30 Mijn huid is zwart geworden over mij, en mijn gebeente is ontstoken van dorrigheid. |
| 31 Hierom is mijn harp tot een rouwklage geworden, en mijn orgel tot een stem der wenenden. |