Statenvertaling.nl

sample header image

Job 2 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Job 2

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

De satan verzoekt van God dat hem toegelaten wordt Job aan zijn eigen lichaam te plagen, vs. 1, enz. Hetwelk hem met zekere conditie toegelaten wordt, 6. De satan slaat Job met boze zweren, 7. Ook beschimpt hem zijn huisvrouw, die hij daarover berispt, 9. Drie zijner vrienden bij hem gekomen zijnde, bedroeven zich met hem, doch zwijgen voor een tijd stil, 11.
 
Job nog zwaarder beproefd
1 WEDEROM was er een dag, als de 1kinderen Gods 2kwamen om zich voor den HEERE te stellen, dat de 3satan ook in het midden van hen kwam om zich voor den HEERE te stellen.1 Dat is, de heilige engelen Gods. Zie Job 1:6. verwijsteksten
2 Zie op de voorgemelde plaats.
3 Zie ook Job 1 op vers 6. verwijsteksten
2 Toen zeide de HEERE tot den satan: Vanwaar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE en zeide: Van 4om te trekken op de aarde en van die te doorwandelen.4 Zie Job 1 op vers 7. verwijsteksten
3 En de HEERE zeide tot den satan: 5Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, 6oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtheid, hoewel gij Mij tegen hem 7opgehitst hebt om 8hem te 9verslinden 10zonder oorzaak.5 Zie Job 1 op vers 8. verwijsteksten
6 Zie de betekenis van al deze woorden Job 1 op vers 1. verwijsteksten
7 Dit is menselijkerwijze gesproken van God, Die de beweging der oorzaken die buiten Hem zijn, niet is onderworpen. Want Hem zijn al Zijn werken van eeuwigheid af bekend, Hand. 15:18. En Hij doet alle dingen naar den raad van Zijn wil, Ef. 1:11. Maar dit wordt zo gezegd om aan te wijzen I. dat de satan altijd genegen is om de kinderen Gods te beschadigen; II. dat God hem gebruikt om dezelve te beproeven. verwijsteksten
8 Versta mede zijn beesten en kinderen.
9 Dat is, te verderven en als in te slokken, hetwelk was in dit werk het einde des satans; gelijk het einde van Gods werk was, Zijn knecht te beproeven.
10 Dat is, niet om zijn voorgaande zonden en boos leven. Want opdat wij dit verstaan zouden, zo geeft God van zijn vroomheid getuigenis in dit boek, Job 1:1, 8, en hier vers 3. Evenwel is hij niet vrij geweest van de overblijfselen der zonde, die in alle heiligen gevonden worden, ook naar zijn eigen bekentenis. Zie Job 7:20, 21; 9:2; 13:23, 26. Het Hebreeuwse woord hinnam is in denzelfden zin alzo het hier overgezet is, genomen 1 Sam. 19:5; 25:31. Ps. 35:7, enz. verwijsteksten
4 Toen antwoordde de satan den HEERE en zeide: 11Huid voor huid, en al wat iemand heeft, zal hij geven voor zijn 12leven.11 Dat is, den mens is zijn eigen huid of lichaam waardiger dan de huid of het lichaam van een ander. Hierom (wil de satan zeggen), ofschoon Job zijn kinderen verloren heeft, zo gaat het hem evenwel niet ter harte, zolang als hij met zijn eigen huid of leven ontkomen mag.
12 Hebr. voor zijn ziel. Zie Gen. 19 op vers 17. Of: voor zichzelven, dat is, voor zijn eigen persoon en welvaren. Zie Gen. 12 op vers 5. verwijsteksten
5 Doch strek nu Uw hand uit en 13tast zijn gebeente en zijn vlees aan; zo hij U niet in Uw aangezicht zal 14zegenen!1513 Dat is, beschadig. Zie Gen. 26 op vers 11. verwijsteksten
14 Dat is, vloeken. Zie Job 1 op vers 5. verwijsteksten
15 Zie Job 1 op vers 11. verwijsteksten
6 En de HEERE zeide tot den satan: Zie, hij zij in uw 16hand, doch 17verschoon zijn 18leven.16 Dat is, vermogen en geweld. Zie Gen. 16 op vers 6. Te weten om hem te kwellen en te beschadigen. Vgl. Job 1:12. verwijsteksten
17 Hebr. bewaar, of wacht u van zijn leven.
18 Hebr. ziel; als vers 4. De zin is, dat hij hem niet zou doden. verwijsteksten
7 Toen ging de satan uit van het aangezicht des HEEREN, en sloeg Job met boze zweren, van zijn voetzool af tot zijn schedel toe.
8 En 19hij nam zich een 20potscherf om zich daarmede te schrabben, en hij 21zat neder in het midden der as.19 Namelijk Job.
20 Hebr. aarden vat. Dewijl zijn vingers zonder twijfel mede verzworen waren, dat hij zich daarmede niet kon schrabben, zo heeft hij zich met een potscherf moeten behelpen, om daarmede zijn zweren te wrijven en den knagenden etter uit dezelve weg te nemen. Waaruit te verstaan is, niet alleen de grootheid van Jobs gezweer, maar ook dat hij beroofd was van de hulp der mensen, die zich schroomden voor de ijselijkheid van zijn kwaad. Zie Job 19:13, 14, 15, enz. verwijsteksten
21 Dit was bij de ouden een teken der droefenis, treurigheid, leedwezen en vernedering des harten, Job 42:6. Jona 3:6. Matth. 11:21. Luk. 10:13. verwijsteksten
9 Toen zeide zijn huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uw oprechtheid? 22Zegen God en sterf.22 Zie Job 1:5. Of: Zegen God, al is het dat gij sterft; dat is, dewijl gij zo genegen zijt om God in alles te zegenen, dat is, te loven en te danken, gelijk gij nog onlangs tevoren gedaan hebt (Job 1:21), ga daarin voort en zie hoe Hij het u vergelden zal, namelijk met een pijnlijken dood, dien gij niet ontgaan kunt. Zij bespot zijn vertrouwen op God. verwijsteksten
10 Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn 23lippen niet.23 Dat is, met zijn woorden, of met zijn spreken; gelijk hij wel daarna niet geheel vrij van deze zonde is geweest. Het woord lip is aldus genomen Job 11:2; 12:20. Spr. 7:21; 12:19; 24:28, enz. Vgl. Gen. 11:1, en de aant. verwijsteksten
11 Als nu de drie 24vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit 25zijn plaats, Elifaz, de 26Themaniet, en Bildad, de 27Suhiet, en Zofar, de 28Naämathiet; en zij waren het 29eens geworden, dat zij kwamen om 30hem te beklagen en om hem te vertroosten.24 Men houdt, dat deze drie vrienden van Job uit Arabië en Idumea geweest zijn, afkomstig van Abraham.
25 Dat is, uit hun landschappen.
26 Zo genoemd omdat hij was van de nakomelingen van Theman, den zoon van Elifaz, die de zoon was van Ezau, den zoon van Izak, Gen. 36:10, 11. Deze woonde in Woest-Arabië. verwijsteksten
27 Een nakomeling van Suah, den zoon van Abraham uit Ketura, Gen. 25:1, 2. Deze woonde ook in Woest-Arabië. verwijsteksten
28 Het is onzeker of deze bijnaam zijn oorsprong heeft van enig voorvader, geslacht of woonplaats. Sommigen menen dat hij zou mogen voortgekomen zijn van Timna, den zoon van Ezau, van welken te zien is Gen. 36:40. Anderen menen dat hij geboren is in de stad Naäma, van dewelke zie Joz. 15:41. verwijsteksten
29 Vgl. Amos 3:3. Anders: saamvergaderd of bijeengekomen. verwijsteksten
30 Anders: medelijden te hebben of bewogen te worden over hem, of: met hem bedroefd te zijn. Alzo Job 42:11. verwijsteksten
12 En toen zij hun ogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hun stem op en 31weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijn 32mantel en strooiden stof op hun hoofden 33naar den hemel.31 Hier en in het volgende vers worden verhaald vijf tekenen van zeer grote droefheid, die deze vrienden van Job vertoonden, namelijk: I. hun geween; II. de verscheuring van hun kleed; III. de strooiing van het stof op hun hoofden; IV. het nederzitten op de aarde; V. hun stilzwijgen. Zie van gelijke treurige gebaren Gen. 21:16; 37:34. Joz. 7:6. 2 Sam. 12:16, 17. Esth. 4:1, 2. Jes. 47:1. Klgld. 2:10. Ez. 27:30. verwijsteksten
32 Zie Job 1 op vers 20. verwijsteksten
33 Dat is, de aarde en het stof opwaarts werpende, hebben hun hoofden daarmede bestrooid.
13 Alzo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen dat de smart zeer groot was.

Einde Job 2