Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 MAAR Job antwoordde en zeide: |
| 2 Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters. |
| 3 Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt? |
| 4 Zou ik ook als gijlieden spreken, indien uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen? En zou ik over u met mijn hoofd schudden? |
| 5 Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden. |
| 6 Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg? |
| 7 Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest. |
| 8 Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht. |
| 9 Zijn toorn verscheurt en Hij haat mij, Hij knerst over mij met Zijn tanden; mijn Wederpartijder scherpt Zijn ogen tegen mij. |
| 10 Zij gapen met hun mond tegen mij, zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich tezamen aan mij. |
| 11 God heeft mij aan den verkeerde overgegeven, en heeft mij afgewend in de handen der goddelozen. |
| 12 Ik had rust, maar Hij heeft mij verbroken, en bij mijn nek gegrepen en mij verpletterd; en Hij heeft mij Zich tot een doelwit opgericht. |
| 13 Zijn schutters hebben mij omringd, Hij heeft mijn nieren doorspleten en niet gespaard; Hij heeft mijn gal op de aarde uitgegoten. |
| 14 Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; Hij is tegen mij aangelopen als een geweldige. |
| 15 Ik heb een zak over mijn huid genaaid; ik heb mijn hoorn in het stof gedaan. |
| 16 Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw; |
| 17 Daar toch geen wrevel in mijn handen is, en mijn gebed zuiver is. |
| 18 O aarde, bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats. |
| 19 Ook nu, zie, in den hemel is mijn Getuige, en mijn Getuige in de hoogten. |
| 20 Mijn vrienden zijn mijn bespotters, doch mijn oog druipt tot God. |
| 21 Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend! |
| 22 Want weinige jaren in getal zullen er nog aankomen, en ik zal het pad heengaan waardoor ik niet zal wederkeren. |