Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 TOEN antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide: |
| 2 Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind? |
| 3 Bestraffende door woorden die niet baten, en door redenen met dewelke hij geen profijt doet? |
| 4 Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg. |
| 5 Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren. |
| 6 Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u. |
| 7 Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij vóór de heuvelen voortgebracht? |
| 8 Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken? |
| 9 Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is? |
| 10 Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader. |
| 11 Zijn de vertroostingen Gods u te klein? En schuilt er enige zaak bij u? |
| 12 Waarom rukt uw hart u weg? En waarom wenken uw ogen, |
| 13 Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan? |
| 14 Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn? En die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn? |
| 15 Zie, op Zijn heiligen zou Hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in Zijn ogen. |
| 16 Hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water! |
| 17 Ik zal u wijzen, hoor mij aan; en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen; |
| 18 Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft; |
| 19 Denwelken alleen het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging. |
| 20 Te alle dagen doet de goddeloze zichzelven weedom aan; en weinige jaren in getal zijn voor den tiran weggelegd. |
| 21 Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over. |
| 22 Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde. |
| 23 Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet dat bij zijn hand gereed is de dag der duisternis. |
| 24 Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde. |
| 25 Want hij strekt tegen God zijn hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich geweldiglijk aan. |
| 26 Hij loopt tegen Hem aan met den hals, met zijn dikke, hoogverheven schilden; |
| 27 Omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpels gemaakt om de weekdarmen; |
| 28 En heeft bewoond verdelgde steden, en huizen die men niet bewoonde, die gereed waren tot steenhopen te worden. |
| 29 Hij zal niet rijk worden en zijn vermogen zal niet bestaan; en hun volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde. |
| 30 Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas Zijns monds. |
| 31 Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen. |
| 32 Als zijn dag nog niet is, zal zij vervuld worden; want zijn tak zal niet groenen. |
| 33 Men zal zijn onrijpe druiven afrukken als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen als van een olijfboom. |
| 34 Want de vergadering der huichelaars wordt eenzaam, en het vuur verteert de tenten der geschenken. |
| 35 Zij ontvangen moeite en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan. |