Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
| 1 ZIE, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan. |
| 2 Gelijk gijlieden het weet, weet ik het ook; ik zwicht niet voor u. |
| 3 Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God. |
| 4 Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters. |
| 5 Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen. |
| 6 Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen. |
| 7 Zult gij voor God onrecht spreken? En zult gij voor Hem bedriegerij spreken? |
| 8 Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten? |
| 9 Zal het goed zijn als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot? |
| 10 Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo gij in het verborgen het aangezicht aanneemt. |
| 11 Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen? |
| 12 Uw gedachtenissen zijn gelijk as, uw hoogten als hoogten van leem. |
| 13 Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij wat het zij. |
| 14 Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen? |
| 15 Zie, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen. |
| 16 Ook zal Hij mij tot zaligheid zijn, maar een huichelaar zal voor Zijn aangezicht niet komen. |
| 17 Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren. |
| 18 Zie nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet dat ik rechtvaardig zal verklaard worden. |
| 19 Wie is hij die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven. |
| 20 Alleenlijk, doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen: |
| 21 Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd. |
| 22 Roep dan en ik zal antwoorden; of ik zal spreken en geef mij antwoord. |
| 23 Hoevele misdaden en zonden heb ik? Maak mijn overtreding en mijn zonde mij bekend. |
| 24 Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand? |
| 25 Zult Gij een gedreven blad verbrijzelen? En zult Gij een drogen stoppel vervolgen? |
| 26 Want Gij schrijft tegen mij bittere dingen, en Gij doet mij erven de misdaden mijner jonkheid. |
| 27 Gij legt ook mijn voeten in den stok en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten. |
| 28 En hij veroudert als een verrotting, als een kleed dat de mot opeet. |