Statenvertaling.nl

sample header image

Job 10 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36 37 38 39 40 41 42
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Job 10

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Jobs bittere klacht
1 MIJN ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten, ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.
2 Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten waarover Gij met mij twist.
3 Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
4 Hebt Gij vleselijke ogen? Ziet Gij gelijk een mens ziet?
5 Zijn Uw dagen als de dagen van een mens? Zijn Uw jaren als de dagen eens mans,
6 Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
7 Het is in Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand die uit Uw hand verlosse.
8 Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben; tezamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.
9 Gedenk toch dat Gij mij aals leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeren. a Gen. 2:7; 3:19. verwijsteksten
10 bHebt Gij mij niet als melk gegoten, en mij als een kaas doen runnen? b Ps. 139:15, 16. verwijsteksten
11 Met vel en vlees hebt Gij mij bekleed, met beenderen ook en zenuwen hebt Gij mij samengevlochten;
12 Benevens het leven hebt Gij weldadigheid aan mij gedaan, en Uw opzicht heeft mijn geest bewaard.
13 Maar deze dingen hebt Gij verborgen in Uw hart; ik weet dat dit bij U geweest is.
14 Indien ik zondig, zo zult Gij mij waarnemen, en van mijn misdaad zult Gij mij niet onschuldig houden.
15 Zo ik goddeloos ben, wee mij; en ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen, ik ben zat van schande; maar aanzie mijn ellende,
16 Want zij verheft zich; gelijk ceen felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij. c Jes. 38:13. Klgld. 3:10. verwijsteksten
17 Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.
18 dEn waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had en geen oog mij gezien had! d Job 3:11. verwijsteksten
19 Ik zou zijn alsof ik niet geweest ware; van moeders buik zou ik tot het graf gebracht zijn geweest.
20 Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
21 Eer ik heenga (en niet wederkom), in een land der duisternis en der schaduw des doods;
22 Een stikdonker land, als de duisternis zelve, de schaduw des doods en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.

Einde Job 10