Statenvertaling.nl

sample header image

Nehemia 2 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Nehemia 2

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

Nehemia verzoekt, bij goede gelegenheid, en verkrijgt van den koning Arthahsasta, dat hij hem naar Jeruzalem zendt, met last om alles te herstellen, en met brieven aan zijn houtvester en landvoogden, vs. 1, enz. Nehemia komt tot de landvoogden en te Jeruzalem; wat den vijanden van Gods volk verdriet, 9. Bezichtigt bij nacht de gebroken muren en verbrande poorten van Jeruzalem, 12. Opent des konings last aan de voornaamsten van het volk en maakt hen lustig tot bouwen, in spot en spijt der vijanden, 17.
 
Arthahsasta geeft Nehémia verlof Jeruzalem te herbouwen
1 TOEN geschiedde het in de maand 1Nisan, in het twintigste jaar van den koning 2Arthahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht was, dat 3ik den wijn opnam en gaf hem den koning; nu was ik nooit 4treurig geweest 5voor zijn aangezicht.1 Anders genoemd Abib, Ex. 13:4. verwijsteksten
2 Zie Ezra 6 op vers 14. verwijsteksten
3 Tot wien de beurt nu weder gekomen was om den koning van den opgedragen wijn te schenken. Hiermede wordt te kennen gegeven de oorzaak waarom Nehemia dus lang getoefd heeft.
4 Hebr. kwaad; dat is hier, droevig, treurig van gelaat, en zo in het volgende. Zie Gen. 40 op vers 7. verwijsteksten
5 Als ik voor den koning placht te verschijnen; maar nu (wil hij zeggen) was het anders met mij gesteld.
2 Zo zeide de koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid des harten. Toen 6vreesde ik gans zeer.6 Uit ontzag voor den koning, want men moest voor de Perzische koningen met geen tekenen van rouw en droefenis verschijnen, Esth. 4:2; en mede uit bekommernis over de uitkomst dezer zaak, die zeer gewichtig was. verwijsteksten
3 En ik zeide tot den koning: 7De koning leve in 8eeuwigheid. 9Hoe zou mijn aangezicht niet treurig zijn, daar de 10stad, de 11plaats der begrafenissen mijner vaderen, woest is en haar poorten met vuur verteerd zijn?7 Manier van gelukwensen in die landen gebruikelijk. Zie Dan. 2:4; 3:9; 5:10; 6:22. verwijsteksten
8 Dat is, lang.
9 Hebr. Waarom.
10 Namelijk Jeruzalem, die hij aldus beschrijft om zijn droefenis te excuseren en den koning te meer te bewegen.
11 Hebr. huis, hetwelk somtijds voor plaats genomen wordt. Zie Ex. 25:27. 2 Sam. 15:17. Spr. 8:2 met de aantt. verwijsteksten
4 En de koning zeide tot mij: 12Wat verzoekt gij nu? Toen 13bad ik tot God van den hemel.12 Hebr. Waarover zijt gij nu verzoekende?
13 Te weten bij mijzelven, in mijn hart.
5 En ik zeide tot den koning: 14Zo het den koning goeddunkt en zo uw knecht voor uw aangezicht 15aangenaam is, 16dat gij mij zendt naar Juda, naar de stad der begrafenissen mijner vaderen, dat ik ze bouwe.14 Hebr. Zo het bij den koning goed is; alzo vers 7. Zie Ezra 5 op vers 17. verwijsteksten
15 Hebr. goed.
16 Versta hierop: zo verzoek ik.
6 Toen zeide de koning tot mij, 17daar de 18koningin nevens hem zat: Hoe lang zal uw reis wezen en wanneer zult gij wederkomen? En het 19behaagde den koning dat hij mij zond, als ik hem zekeren 20tijd gesteld had.17 Anders: en de koningin, die nevens hem zat.
18 Anders: vrouw, bedgenote.
19 Hebr. was goed voor het aangezicht des konings.
20 Te weten van twaalf jaren. Zie Neh. 5:14; 13:6. verwijsteksten
7 Voorts zeide ik tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der 21rivier, dat zij mij overgeleiden, totdat ik in Juda zal gekomen zijn;21 Eufraat, en zo in het volgende.
8 Ook een brief aan Asaf, den 22bewaarder van den lusthof denwelken de koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis dat aan het 23huis is, en tot den stadsmuur en tot het huis waar ik intrekken zal. En de koning gaf ze mij, 24naar de goede hand mijns Gods over mij.22 Dat is, den houtvester of bosbewaarder. Zie 1 Kon. 5:6. Lusthof, Hebr. pardes, dat is, paradijs, waardoor sommigen verstaan de contreie van het gebergte Libanon tot Anti-Libanon toe, alzo genoemd vanwege de bijzondere lustigheid derzelver plaats, zodat er ook een stedeken geweest is, genoemd het Paradijs. verwijsteksten
23 Versta het huis Gods, dat is, de tempel, welks voorhof (hier, als enigen menen, het paleis genoemd) tot dezen tijd toe open heeft gelegen. Vgl. 1 Kron. 29:1. Ezra 10 op vers 9. verwijsteksten
24 Als Ezra 7:6, 9, 28, enz. verwijsteksten
9 Toen kwam ik tot de landvoogden aan gene zijde der rivier en gaf hun de brieven des konings. En de koning had oversten des heirs en ruiters met mij gezonden.
10 Toen nu Sanballat, de 25Horoniet, en Tobía, de Ammonitische 26knecht, dat hoorden, 27mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mens gekomen was om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israëls.25 Alzo genoemd van Horonaïm, een van de voornaamste steden der Moabieten, als te zien Jes. 15:5. Jer. 48:3, 5, 34. verwijsteksten
26 Dat is, des Perzischen konings vazal, officier of stadhouder. Deze beiden waren vijanden der Israëlieten, zie 2 Sam. 8 op vers 2. 2 Sam. 12 op vers 31, en hadden hun residentie te dezen tijde binnen Samaria, als afgeleid wordt uit Neh. 4:2. verwijsteksten
27 Hebr. het was (of docht) hun kwaad, met, of ja, een groot kwaad; dat is, het mishaagde hun met groot mishagen.
 
De eerste werkzaamheden
11 En ik kwam te Jeruzalem, 28en was daar drie dagen.28 Vgl. Ezra 8:32. verwijsteksten
12 Daarna maakte ik mij des nachts op, ik en weinige mannen met mij, en ik gaf geen mens te kennen, wat mijn God in mijn hart gegeven had om aan Jeruzalem te doen; en er was geen dier met mij dan het dier waarop ik reed.
13 En ik trok uit bij nacht door de 29Dalpoort en voorbij de 30Drakenfontein en naar de 31Mestpoort, en ik 32brak aan de muren van Jeruzalem, dewelke verscheurd waren, en 33haar poorten met vuur verteerd.29 Dat is, waar deze poort tevoren geweest was en naderhand weder opgebouwd is. Zie Neh. 3:13. Alzo van de volgende. verwijsteksten
30 Of: Slangenfontein. Hierdoor wordt door sommigen verstaan de fontein des waters Siloah, als gaande zeer stillekens en zachtkens, gelijk of een slang kroop. Zie Neh. 3:15. Jes. 8:6. verwijsteksten
31 Waar men de vuiligheden uitbracht naar de beek Kidron, zo enigen menen.
32 Om eigenlijk te weten wat eraan schortte, en wat eraan te doen was. Anders: ik lette op de muren, enz., hoe ze gescheurd waren, enz. Alzo ook vers 15. verwijsteksten
33 Te weten van Jeruzalem.
14 En ik ging voort naar de 34Fonteinpoort en naar des konings 35vijver, doch daar was 36geen plaats voor het dier om onder mij voort te gaan.34 Waar men ging naar de fontein van het water Siloah, als enigen afleiden uit Neh. 3:15. verwijsteksten
35 Zie 2 Kon. 18:17; 20:20. Neh. 3:15, 16. verwijsteksten
36 Vanwege de steenhopen van den vervallen en gebroken muur, zodat hij te voet moest gaan.
15 Toen ging ik op, des nachts, 37door de 38beek, en ik 39brak aan den muur; en ik keerde weder en kwam in door de Dalpoort; alzo keerde ik weder.37 Anders: bij.
38 Kidron; zie daarvan 2 Sam. 15 op vers 23. Of: Gihon, zo anderen menen; zie daarvan 2 Kron. 32:30; 33:14. verwijsteksten
39 Zie op vers 13. verwijsteksten
16 En de overheden wisten niet waar ik heen gegaan was en wat ik deed; want ik had tot nog toe den Joden en den priesters en den 40edelen en overheden en den 41anderen 42die het werk deden, niets te kennen gegeven.40 Hebr. den witten; dat is, die witte sierlijke klederen droegen, als grote heren in der koningen hoven. Zie Esth. 8:15. Alzo Neh. 5:7; 6:17; 7:5; 13:17. verwijsteksten
41 Hebr. het overige.
42 Stadsbouwmeesters, of wien het opzicht daarvan bevolen was, die het bewind daarvan hadden.
17 Toen zeide ik tot hen: Gijlieden ziet de ellende waarin wij zijn, dat Jeruzalem woest is en haar poorten met vuur verbrand zijn; komt en laat ons Jeruzalems muur opbouwen, opdat wij niet meer een versmaadheid zijn.
18 En ik gaf hun te kennen 43de hand mijns Gods, die goed over mij geweest was, alsook de woorden des konings, die hij tot mij gesproken had. Toen zeiden zij: Laat ons op zijn, dat wij bouwen. En zij 44sterkten hun handen ten goede.43 Vgl. vers 8. verwijsteksten
44 Dat is, zij grepen moed om dit goed en loffelijk werk onbeschroomd bij de hand te nemen.
19 Als nu Sanballat, de Horoniet, en Tobía, de Ammonitische knecht, en Gesem, de Arabier, dit hoorden, zo bespotten zij ons en verachtten ons; en zij zeiden: Wat is dit voor een ding, dat gijlieden doet? Wilt gijlieden tegen den koning rebelleren?
20 Toen gaf ik hun tot antwoord en zeide tot hen: God van den hemel, Die zal het ons doen gelukken, en wij, Zijn knechten, zullen ons opmaken en bouwen; maar 45gijlieden hebt geen deel, noch gerechtigheid, noch gedachtenis in Jeruzalem.45 Als ongelovigen en afgodendienaars vanouds af, hebt gij gans geen gemeenschap met Gods kerk, maar zijt vreemd van dezelve, ja, haar vijanden, zodat wij ons aan u niet hebben te keren.

Einde Nehemia 2