Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).
Op het voorlezen van Gods wet wordt alle vermenging der vreemde volken van Israël afgescheiden, vs. 1, enz. Terwijl Nehemia weder vertrokken was tot den koning, waren verscheidene grove misbruiken in Gods kerk ingekropen, waarvan hij dezelve, na zijn wederkomst, zuivert, reinigende de kamers aan Gods huis die Eljasib had verontreinigd, 4. Herstellende de priesters en Levieten in hun ambt en onderhoud, waarover hij thesauriers stelt, 10, 30. Afschaffende alle ontheiliging van den sabbat, 15. Mitsgaders alle huwelijken met de heidense volken gemaakt, 23. |
Tobía’s huisraad buitengeworpen |
1 TE1 dien dage werd er gelezen in het boek van Mozes voor de oren des volks; en daarin werd ageschreven gevonden, dat de 2Ammonieten en Moabieten niet zouden komen in de 3gemeente Gods tot in eeuwigheid; |
| 1 Dit verstaan sommigen geschied te zijn, nadat Nehemia ten tweeden male van den koning Artaxerxes weder te Jeruzalem gekomen was. Zie vss. 4, 6. |
| vers 4 Eljasib nu, de priester, die gesteld was over de kamer van het huis onzes Gods, was voordezen nabestaande van Tobía geworden; vers 6 Doch in dit alles was ik niet te Jeruzalem; want in het twee en dertigste jaar van Arthahsasta, koning van Babel, kwam ik tot den koning, maar ten einde van sommige dagen verkreeg ik weder verlof van den koning. |
| a Deut. 23:3, 4, 5. |
| Deut. 23:3 Geen Ammoniet noch Moabiet zal in de vergadering des HEEREN komen; zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering des HEEREN niet komen tot in eeuwigheid; Deut. 23:4 Ter oorzake dat zij ulieden op den weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als gij uit Egypte uittoogt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bíleam, den zoon van Beor, van Pethor uit Mesopotámië, om u te vloeken. Deut. 23:5 Doch de HEERE uw God heeft naar Bíleam niet willen horen, maar de HEERE uw God heeft u den vloek in een zegen veranderd, omdat de HEERE uw God u liefhad. |
| 2 Hebr. Ammoniet en Moabiet. |
| 3 Zie Deut. 23 op vers 1. |
| Deut. 23:1 (kt.) DIE door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid, zal in de vergadering des HEEREN niet komen. |
|
2 Omdat zij den kinderen Israëls niet waren tegengekomen met 4brood en met water, bja, Bíleam tegen 5hem gehuurd hadden om hem te vloeken, hoewel onze God den vloek omkeerde in een zegen. |
| 4 Dat is, spijze en drank. |
| b Num. 22:5. Joz. 24:9. |
| Num. 22:5 Die zond boden aan Bíleam, den zoon van Beor, te Pethor, hetwelk aan de rivier is, in het land der kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht des lands bedekt en het blijft liggen recht tegenover mij. Joz. 24:9 Ook maakte zich Balak op, de zoon van Zippor, de koning der Moabieten, en hij streed tegen Israël; en hij zond heen en deed Bíleam, den zoon van Beor, roepen, opdat hij u vervloeken zou. |
| 5 Versta Israël, dat is, het volk van Israël. |
|
3 Zo geschiedde het als zij deze wet hoorden, dat zij alle 6vermengeling van Israël afscheidden. |
| 6 Dat is, allen die van vreemde, afgodische, heidense volken waren, en niet van Israël. Vgl. Neh. 9:2. |
| Neh. 9:2 En het zaad Israëls scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden en deden belijdenis van hun zonden en hunner vaderen ongerechtigheden. |
|
4 Eljasib nu, de priester, die gesteld was over de 7kamer van het huis onzes Gods, was voordezen 8nabestaande van Tobía geworden; |
| 7 Dat is, kamers. Zie vers 9. Ezra 8:29. |
| vers 9 Voorts gaf ik bevel, en zij reinigden de kamers; en ik bracht daar weder in de vaten van Gods huis, met het spijsoffer en den wierook. Ezra 8:29 Waakt en bewaart het, totdat gij het opweegt in tegenwoordigheid van de oversten der priesters en Levieten en der vorsten der vaderen van Israël, te Jeruzalem in de kamers van des HEEREN huis. |
| 8 Dat is, hij had zich met hem bevriend of aan hem verzwagerd, niettegenstaande dat hij een bittere vijand van Gods volk was. Zie Neh. 6:1, 14, 17, 19, en vgl. onder, vers 28. |
| Neh. 6:1 VOORTS is het geschied, als van Sanballat en Tobía en van Gesem, den Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik den muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten (ook had ik tot dezen tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten); Neh. 6:14 Gedenk, mijn God, aan Tobía en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en ook aan de profetes Noádja en aan de andere profeten die mij gezocht hebben vreesachtig te maken. Neh. 6:17 Ook schreven in die dagen edelen van Juda vele brieven, die naar Tobía gingen; en die van Tobía kwamen tot hen. Neh. 6:19 Ook verhaalden zij zijn goeddadigheden voor mijn aangezicht, en mijn woorden brachten zij uit tot hem. Tobía dan zond brieven om mij vreesachtig te maken. vers 28 Ook was er een van de kinderen van Jójada, den zoon van Eljasib, den hogepriester, schoonzoon geworden van Sanballat, den Horoniet; daarom joeg ik hem van mij weg. |
|
5 En hij had 9hem een 10grote kamer gemaakt, alwaar zij tevoren heenlegden het spijsoffer, den wierook en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, 11die bevolen waren voor de Levieten en de zangers en de portiers, mitsgaders 12het hefoffer der priesters. |
| 9 Tobia. |
| 10 De wanden van enige kamers doorbrekende, had hij voor Tobia een grote ruime kamer daarvan gemaakt, om zijn huisraad daarin te stellen. Zie vers 8. |
| vers 8 En het mishaagde mij zeer; zo wierp ik al het huisraad van Tobía buiten, uit de kamer. |
| 11 Hebr. het bevel of gebod der Levieten, enz., dat is, waarvan God bevolen had dat men ze den Levieten, enz., geven zou; of: het bevolen of verordineerde deel der Levieten, enz. Zie Num. 18:24. |
| Num. 18:24 Want de tienden der kinderen Israëls, die zij den HEERE tot een hefoffer zullen offeren, heb Ik aan de Levieten ter erfenis gegeven; daarom heb Ik tot hen gezegd: Zij zullen in het midden der kinderen Israëls geen erfenis erven. |
| 12 Dat is, hetgeen zij den priesters moesten geven, te weten de tienden van de tienden der Levieten, enz. Zie Num. 18:8, 26. |
| Num. 18:8 Voorts sprak de HEERE tot Aäron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht Mijner hefoffers; met alle heilige dingen van de kinderen Israëls heb Ik ze u gegeven om der zalving wil, en uw zonen, tot een eeuwige inzetting. Num. 18:26 Gij zult ook tot de Levieten spreken en tot hen zeggen: Wanneer gij van de kinderen Israëls de tienden zult ontvangen hebben, die Ik u voor uw erfenis van henlieden gegeven heb, zo zult gij daarvan een hefoffer des HEEREN offeren, de tienden van die tienden; |
|
6 Doch in 13dit alles was ik niet te Jeruzalem; want in het 14twee en dertigste jaar van 15Arthahsasta, koning van 16Babel, kwam ik tot den koning, maar ten 17einde van sommige dagen 18verkreeg ik weder verlof van den koning. |
| 13 Nehemia wil zeggen, dat alles in zijn afwezen binnen korten tijd weder vervallen was. |
| 14 Als ik twaalf jaren met des konings consent te Jeruzalem geweest was. |
| 15 Zie Ezra 6 op vers 14. |
| Ezra 6:14 (kt.) En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door de profetie van den profeet Haggaï en Zacharía, den zoon van Iddo; en zij bouwden en voltrokken het, naar het bevel van den God Israëls, en naar het bevel van Kores en Daríus en Arthahsasta, koning van Perzië. |
| 16 Hetwelk nu was onder de Perzische monarchie. |
| 17 Dat is, na enigen tijd, of (als anderen) na een vol jaar, hetwelk door dagen somtijds wordt verstaan. |
| 18 Of: mij werd verlof verkregen. Het Hebreeuwse woord zou eigenlijk betekenen: ik werd geëist, verzocht of ontboden. Het kan zijn dat Nehemia, zich ontziende om zelf weder verlof te begeren, hetzelve door anderen heeft laten verzoeken, en dat de koning hem daarop ontboden en verlof gegeven heeft. Zonder twijfel hebben ook godvruchtige Joden Nehemia laten weten den vervallen staat van Gods volk, en zijn overkomst ernstiglijk verzocht, enz. |
|
7 En ik kwam te Jeruzalem, en verstond van het kwaad dat Eljasib voor Tobía gedaan had, makende hem een kamer in de 19voorhoven van Gods huis. |
| 19 Als Neh. 8:17. |
| Neh. 8:17 Alzo ging het volk uit en zij haalden ze, en maakten zich loofhutten, een iegelijk op zijn dak en in hun voorhoven en in de voorhoven van Gods huis, en op de straat der Waterpoort en op de straat van Efraïms poort. |
|
8 En het 20mishaagde mij zeer; zo wierp ik 21al het huisraad van Tobía buiten, uit de kamer. |
| 20 Hebr. het was mij zeer kwaad; dat is (als de Schrift elders spreekt), het was zeer kwaad in mijn ogen, dat is, het misviel mij zeer. |
| 21 Hebr. alle vaten of alle gereedschap van het huis van Tobia. |
|
9 Voorts 22gaf ik bevel, en zij reinigden de kamers; en ik bracht daar weder in de vaten van Gods huis, met het spijsoffer en den wierook. |
| 22 Hebr. ik zeide; zie 2 Kron. 29:24, 27. Esth. 9:25. Job 9:7, en vgl. Gen. 1:3. Jona 2:10 met de aantt. Of: ik zeide dat zij de kamers zouden reinigen. Alzo vers 19. |
| 2 Kron. 29:24 En de priesters slachtten ze en ontzondigden met derzelver bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het ganse Israël; want de koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor gans Israël bevolen. 2 Kron. 29:27 En Hizkía beval dat men het brandoffer op het altaar zou offeren; ten tijde nu als dat brandoffer begon, begon het gezang des HEEREN met de trompetten en met de instrumenten van David, den koning Israëls. Esth. 9:25 Maar als zij voor den koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen, dat zijn boze gedachte die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zou wederkeren; en men heeft hem en zijn zonen aan de galg gehangen. Job 9:7 Die de zon gebiedt en zij gaat niet op, en verzegelt de sterren. Gen. 1:3 En God zeide: Daar zij licht. En daar werd licht. Jona 2:10 De HEERE nu sprak tot den vis, en hij spuwde Jona uit op het droge. vers 19 Het geschiedde nu als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, vóór den sabbat, dat ik bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval dat zij ze niet zouden opendoen tot na den sabbat. En ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op den sabbatdag. |
|
10 Ook vernam ik dat der Levieten 23deel hun niet gegeven was; zodat de Levieten en de zangers, die het 24werk deden, gevloden waren, een iegelijk naar zijn akker. |
| 23 Dat is, het onderhoud dat men hun naar Gods wet schuldig was te geven; en waartoe het volk zich met ede verplicht had, Neh. 10:37. |
| Neh. 10:37 En dat wij de eerstelingen onzes deegs en onze hefoffers en de vrucht van alle bomen, most en olie, zouden brengen tot de priesters, in de kamers van het huis onzes Gods, en de tienden onzes lands tot de Levieten; en dat dezelve Levieten de tienden zouden hebben in alle steden onzer landbouwerij; |
| 24 Te weten des Heeren, dat is, den gewoonlijken godsdienst. |
|
11 En ik 25twistte met de overheden en zeide: Waarom is het huis Gods verlaten? Doch ik 26vergaderde hen en herstelde hen 27in hun stand. |
| 25 Dat is, ik bestrafte hen, bekeef hen scherpelijk; alzo vss. 17, 25. |
| vers 17 Zo twistte ik met de edelen van Juda, en zeide tot hen: Wat voor een boos ding is dit, dat gijlieden doet, en ontheiligt den sabbatdag? vers 25 Zo twistte ik met hen en vloekte hen, en sloeg sommige mannen van hen en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God: Indien gij uw dochters aan hun zonen zult geven en indien gij van hun dochters voor uw zonen of voor u zult nemen! |
| 26 Uit de plaatsen waarheen zij gevlucht en verstrooid waren. |
| 27 Om den godsdienst, als tevoren, weder waar te nemen. |
|
12 Toen bracht gans Juda de tienden van het koren en van den most en van de olie in de 28schatten. |
| 28 Dat is, schatkamers. Zie vers 5. |
| vers 5 En hij had hem een grote kamer gemaakt, alwaar zij tevoren heenlegden het spijsoffer, den wierook en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, die bevolen waren voor de Levieten en de zangers en de portiers, mitsgaders het hefoffer der priesters. |
|
13 En ik stelde tot schatmeesters 29over de schatten Selémja, den priester, en Zadok, den schrijver, en Pedája uit de Levieten; en 30aan hun hand Hanan, den zoon van Zakkur, den zoon van Mattánja. Want zij werden 31getrouw geacht, en 32hun werd opgelegd aan hun broederen uit te delen. |
| 29 Als Neh. 12:44. 1 Kron. 26:20, enz. 2 Kron. 31:12, enz. |
| Neh. 12:44 Ook werden ten zelven dage mannen gesteld over de kamers, tot de schatten, tot de hefoffers, tot de eerstelingen en tot de tienden, om daarin uit de akkers der steden te verzamelen de delen der wet, voor de priesters en voor de Levieten; want Juda was vrolijk over de priesters en over de Levieten, die daar stonden, 1 Kron. 26:20 Ook was van de Levieten Ahía over de schatten van het huis Gods en over de schatten der geheiligde dingen. 2 Kron. 31:12 Daarin brachten zij die heffing en de tienden en de geheiligde dingen in getrouwigheid; en daarover was Chonánja, de Leviet, overste, en Simeï, zijn broeder, de tweede. |
| 30 Dat is, tot hun dienst of hulp. |
| 31 Vgl. Neh. 7:2. |
| Neh. 7:2 En ik gaf bevel aan mijn broeder Hanáni en aan Hanánja, den overste van den burcht te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid en godvrezende boven velen. |
| 32 Hebr. het was op hen; dat is, het was hun plicht, hun last. |
|
14 33Gedenk mijner, mijn God, 34in dezen; en delg mijn 35weldadigheden niet uit, die ik aan het huis mijns Gods en aan zijn 36wachten gedaan heb. |
| 33 Vgl. Gen. 8 op vers 1. Hebr. 6:10. Onder, vss. 22, 31, en zie Neh. 5 op vers 19. |
| Gen. 8:1 (kt.) EN God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte en aan al het vee dat met hem in de ark was; en God deed een wind over de aarde doorgaan en de wateren werden stil. Hebr. 6:10 Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en den arbeid der liefde, die gij aan Zijn Naam bewezen hebt, als die de heiligen gediend hebt en nog dient. vers 22 Voorts zeide ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen en de poorten komen wachten om den sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God, en verschoon mij naar de veelheid Uwer goedertierenheid. vers 31 Ook tot het offer des houts, op bestemde tijden, en tot de eerstelingen. Gedenk mijner, mijn God, ten goede. Neh. 5:19 (kt.) Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles wat ik aan dit volk gedaan heb. |
| 34 Of: dezen aangaande. |
| 35 Als 2 Kron. 32 op vers 32. 2 Kron. 35 op vers 26. |
| 2 Kron. 32:32 (kt.) Het overige nu der geschiedenissen van Jehizkía, en zijn goeddadigheden, zie, die zijn geschreven in het gezicht van den profeet Jesaja, den zoon van Amoz, en in het boek der koningen van Juda en Israël. 2 Kron. 35:26 (kt.) Het overige nu der geschiedenissen van Josía, en zijn goeddadigheden, naar dat geschreven is in de wet des HEEREN, |
| 36 Bezorgende dat de godsdienst in Uw tempel van eenieder, volgens zijn ambt, wel mocht worden waargenomen. Zie Num. 3 op vers 7. |
| Num. 3:7 (kt.) En dat zij waarnemen zijn wacht en de wacht der gehele vergadering, vóór de tent der samenkomst, om den dienst des tabernakels te bedienen; |
De heiliging van den sabbat |
15 In dezelve dagen zag ik in Juda, die 37persen traden op den sabbat en die garven inbrachten, die zij op ezels laadden, alsook wijn, druiven en vijgen, en 38allen last, dien zij te Jeruzalem inbrachten op den sabbatdag; en ik 39betuigde 40tegen hen ten dage als zij eetwaar verkochten. |
| 37 Wijnpersen en oliepersen. |
| 38 Dat is, allerlei last. |
| 39 Verklarende bij den Heere, dat ik het niet meer zou lijden. |
| 40 Als vers 21. |
| vers 21 Zo betuigde ik tegen hen en zeide tot hen: Waarom vernacht gijlieden tegenover den muur? Zo gij het weder doet, zal ik de hand aan u slaan. Van dien tijd aan kwamen zij niet op den sabbat. |
|
16 Daar woonden ook 41Tyriërs 42binnen, die vis aanbrachten en 43alle koopwaar, die zij op den sabbat verkochten aan de kinderen van Juda en te Jeruzalem. |
| 41 Geboortig uit de vermaarde stad Tyrus. Zie Joz. 19 op vers 29. |
| Joz. 19:29 (kt.) En deze landpale wendt zich naar Rama en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib; |
| 42 Binnen Jeruzalem. |
| 43 Dat is, allerlei. |
|
17 Zo twistte ik met de 44edelen van Juda, en zeide tot hen: Wat voor een boos ding is dit, dat gijlieden doet, en contheiligt den sabbatdag? |
| 44 Hebr. witten. Zie Neh. 2 op vers 16. |
| Neh. 2:16 (kt.) En de overheden wisten niet waar ik heen gegaan was en wat ik deed; want ik had tot nog toe den Joden en den priesters en den edelen en overheden en den anderen die het werk deden, niets te kennen gegeven. |
| c Ex. 20:8. Lev. 19:30. |
| Ex. 20:8 Gedenk den sabbatdag, dat gij dien heiligt. Lev. 19:30 Gij zult Mijn sabbatten houden en Mijn heiligdom zult gij vrezen; Ik ben de HEERE. |
|
18 Deden niet uw vaders alzo, en onze God bracht al dit 45kwaad over ons en over deze stad? En gijlieden 46maakt der hittige 47gramschap nog meer over Israël, ontheiligende den sabbat. |
| 45 Al deze plagen en straffen. |
| 46 Hebr. doet hittige gramschap toe. |
| 47 Des Heeren. |
|
19 Het geschiedde nu als de poorten van Jeruzalem 48schaduw gaven, vóór den sabbat, dat ik 49bevel gaf, en de deuren werden gesloten; en ik beval dat zij ze niet zouden opendoen tot na den sabbat. En ik stelde van mijn jongens aan de poorten, opdat er geen last zou inkomen op den sabbatdag. |
| 48 Of: overschaduwd waren; dat is, tegen den avond, als de zon begon onder te gaan. |
| 49 Hebr. zeide; als vers 9. |
| vers 9 Voorts gaf ik bevel, en zij reinigden de kamers; en ik bracht daar weder in de vaten van Gods huis, met het spijsoffer en den wierook. |
|
20 Toen vernachtten de kramers en de verkopers van 50alle koopwaar buiten voor Jeruzalem, eenmaal of twee. |
| 50 Dat is, allerlei. |
|
21 Zo betuigde ik tegen hen en zeide tot hen: Waarom vernacht gijlieden tegenover den muur? Zo gij het weder doet, zal ik de hand aan u slaan. Van dien tijd aan kwamen zij niet op den sabbat. |
22 Voorts zeide ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen en de 51poorten komen wachten om den sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God, en verschoon mij naar de 52veelheid Uwer 53goedertierenheid. |
| 51 Versta van den tempel, passende op alles wat tot de heiliging van den sabbat diende, zonder iets anders op den sabbat te doen, en in het bijzonder toeziende dat er geen onreinen mochten inkomen. Zie Num. 3:7. 2 Kron. 23:19. |
| Num. 3:7 En dat zij waarnemen zijn wacht en de wacht der gehele vergadering, vóór de tent der samenkomst, om den dienst des tabernakels te bedienen; 2 Kron. 23:19 En hij stelde de portiers aan de poorten van het huis des HEEREN, opdat niemand in enig ding onrein zijnde, inkwame. |
| 52 Of: grootheid. |
| 53 Of: weldadigheid. |
De gemengde huwelijken |
23 Ook zag ik in die dagen Joden, die 54Asdodische, Ammonitische en Moabitische vrouwen bij zich hadden 55doen wonen. |
| 54 Dat is, heidense vrouwen van allerlei vreemde volken. Asdod was een stad en contreie der Filistijnen. Zie 1 Sam. 5:1, 2, enz. |
| 1 Sam. 5:1 DE Filistijnen nu namen de ark Gods, en zij brachten ze van Eben-Haëzer tot Asdod. 1 Sam. 5:2 En de Filistijnen namen de ark Gods en zij brachten ze in het huis van Dagon, en stelden ze bij Dagon. |
| 55 Dat is, getrouwd (zie Ezra 10 op vers 2), niettegenstaande de reformatie tevoren bij Ezra gedaan, Ezra 9; 10, en hun eigen belofte (Neh. 10:30), met ede verzegeld. Alzo vers 27. |
| Ezra 10:2 (kt.) Toen antwoordde Sechánja, de zoon van Jehíël, een van de zonen van Elam, en zeide tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onzen God en wij hebben vreemde vrouwen van de volken des lands bij ons
doen wonen; maar nu, er is hoop voor Israël dezen aangaande. Ezra 9 ALS nu deze dingen voleind waren, traden de vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk van Israël en de priesters en de Levieten zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hun gruwelen, namelijk van de Kanaänieten, van de Hethieten, van de Ferezieten, van de Jebusieten, van de Ammonieten, van de Moabieten, van de Egyptenaars en van de Amorieten. Ezra 10 ALS Ezra alzo bad en als hij deze
belijdenis deed, wenende en zich voor Gods huis nederwerpende, verzamelde zich tot hem uit Israël een zeer grote gemeente van mannen en vrouwen en kinderen, want het volk weende met groot geween. Neh. 10:30 En dat wij onze dochters niet zouden geven aan de volken des lands, noch hun dochters nemen voor onze zonen. vers 27 Zouden wij dan naar ulieden horen, dat gij al dit grote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onzen God, doende vreemde vrouwen bij u wonen? |
|
24 En hun kinderen spraken 56half Asdodisch, en zij 57konden geen Joods spreken, maar naar de taal 58eens iegelijken volks. |
| 56 Anders: de helft hunner kinderen, of: een deel. |
| 57 Hebr. zij onderkenden niet, of onderscheidden niet. |
| 58 Hebr. van volk en volk; dat is, van het ene en het andere volk, elk zo hij van zijn moeder geleerd had, hebbende alzo een verbasterde taal met een verbasterde religie. |
|
25 Zo twistte ik met hen en 59vloekte hen, en 60sloeg sommige mannen van hen en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God: 61Indien gij uw dochters aan hun zonen zult geven en indien gij van hun dochters voor uw zonen of voor u zult nemen!62 |
| 59 Uit ijver van justitie verklarende dat zij als meinedige verbondsbrekers den vloek op zich geladen hadden, en waardig waren verbannen of van Gods volk afgesneden te worden. |
| 60 Tot een openbare straf en versmaadheid. Vgl. Deut. 25:2. 2 Sam. 10:4. |
| Deut. 25:2 En het zal geschieden, indien de onrechtvaardige slagen verdiend heeft, dat de rechter hem zal doen nedervallen en hem doen slaan in zijn tegenwoordigheid, naar dat het voor zijn onrechtvaardigheid genoeg zal zijn in getal. 2 Sam. 10:4 Toen nam Hanun Davids knechten en schoor hun baard half af en sneed hun klederen half af, tot aan hun billen; en hij liet hen gaan. |
| 61 Dezen eed, dien hij hun voorzegt, moesten zij op zich nemen, opdat zij, door deze middelen opgewekt zijnde, hierna in zulken gruwel niet weder mochten vervallen. |
| 62 Een afgebroken rede in het eedzweren gebruikelijk, waarop men verstaan kan: zo zult gij vervloekt zijn, of: zo straffe u God. Zie Gen. 14 op vers 23. |
| Gen. 14:23 (kt.) Zo ik van een draad af tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles wat uwe is, iets neme; opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt. |
|
26 dHeeft niet Sálomo, de koning Israëls, daarin gezondigd, ehoewel er onder vele heidenen geen koning was gelijk hij, en hij zijn God lief was en God hem ten koning over gans Israël gesteld had? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen. |
| d 1 Kon. 11:4. |
| 1 Kon. 11:4 Want het geschiedde in den tijd van Sálomo’s ouderdom, dat zijn vrouwen zijn hart achter andere goden neigden; dat zijn hart niet volkomen met den HEERE zijn God was, gelijk het hart van zijn vader David. |
| e 1 Kon. 3:13. 2 Kron. 1:12. |
| 1 Kon. 3:13 Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt, heb Ik u gegeven, beide rijkdom en eer, dat uws gelijke niemand onder de koningen al uw dagen zijn zal. 2 Kron. 1:12 De wijsheid en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom en goederen en eer geven, dergelijke geen koningen die vóór u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn. |
|
27 63Zouden wij dan naar ulieden horen, dat gij al dit grote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onzen God, doende vreemde vrouwen 64bij u wonen? |
| 63 Dat is, zouden wij dan u zulks toelaten, die veel meer de verleiding onderworpen zijt dan die grote, wijze en van God beminde koning Salomo? |
| 64 Zie op vers 23. |
| vers 23 (kt.) Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdodische, Ammonitische en Moabitische vrouwen bij zich hadden doen wonen. |
|
28 Ook was er 65een van de kinderen van Jójada, den zoon van Eljasib, den hogepriester, schoonzoon geworden van 66Sanballat, den Horoniet; daarom joeg ik hem van mij weg. |
| 65 Josephus schrijft dat dit geweest is Manasse, de broeder van den hogepriester Jaddua of Jaddus, van welken zie Neh. 12 op vers 11. |
| Neh. 12:11 (kt.) En Jójada gewon Jónathan, en Jónathan gewon Jaddúa. |
| 66 Zie Neh. 2 op vers 10; 4:1; 6:1, enz. |
| Neh. 2:10 (kt.) Toen nu Sanballat, de Horoniet, en Tobía, de Ammonitische knecht, dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mens gekomen was om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israëls. Neh. 4:1 MAAR het geschiedde als Sanballat gehoord had dat wij den muur bouwden, zo ontstak hij en werd zeer toornig; en hij bespotte de Joden, Neh. 6:1 VOORTS is het geschied, als van Sanballat en Tobía en van Gesem, den Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was, dat ik den muur gebouwd had, en dat geen scheur daarin was overgelaten (ook had ik tot dezen tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten); |
|
29 67Gedenk aan hen, mijn God, omdat zij het priesterdom hebben 68verontreinigd, ja, het 69verbond des priesterdoms en der Levieten. |
| 67 Als Neh. 6:14. |
| Neh. 6:14 Gedenk, mijn God, aan Tobía en aan Sanballat, naar deze zijn werken; en ook aan de profetes Noádja en aan de andere profeten die mij gezocht hebben vreesachtig te maken. |
| 68 Begaande zulke gruwelen als boven verhaald is. |
| 69 Versta het bijzonder en nader verbond dat God met Aäron en zijn zaad, mitsgaders de Levieten, aangaande hun heilige ambten gemaakt had. |
|
30 Alzo reinigde ik hen van 70alle vreemden; en ik bestelde de 71wachten der priesters en der Levieten, elk op zijn werk; |
| 70 Hebr. allen vreemde; in het enkelvoud. Versta de heidense vrouwen, kinderen, met de aanklevende onreinheid van het heidendom. |
| 71 Als vers 14. |
| vers 14 Gedenk mijner, mijn God, in dezen; en delg mijn weldadigheden niet uit, die ik aan het huis mijns Gods en aan zijn wachten gedaan heb. |
|
31 Ook tot het 72offer des houts, op bestemde tijden, en tot de eerstelingen. 73Gedenk mijner, mijn God, ten goede. |
| 72 Zie Neh. 10:34. |
| Neh. 10:34 Ook wierpen wij de loten onder de priesters, de Levieten en het volk, over het offer des houts, dat men brengen zou ten huize onzes Gods, naar het huis onzer vaderen, op bestemde tijden, jaar op jaar, om te branden op het altaar des HEEREN onzes Gods, gelijk het in de wet geschreven is; |
| 73 Vgl. vss. 14, 22. Neh. 5 op vers 19. |
| vers 14 Gedenk mijner, mijn God, in dezen; en delg mijn weldadigheden niet uit, die ik aan het huis mijns Gods en aan zijn wachten gedaan heb. vers 22 Voorts zeide ik tot de Levieten, dat zij zich zouden reinigen en de poorten komen wachten om den sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God, en verschoon mij naar de veelheid Uwer goedertierenheid. Neh. 5:19 (kt.) Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles wat ik aan dit volk gedaan heb. |