Statenvertaling.nl

sample header image

Ezra 4 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

Ezra 4

Dit hoofdstuk voorgelezen (v):

 

De wederpartijders van Gods volk begeren listiglijk den tempel mede te bouwen en gemeenschappelijken godsdienst te hebben, vs. 1, enz. Hetwelk hun afgeslagen zijnde, brengen zij door geld en valse schriftelijke aanklachten in het hof zoveel teweeg, dat het bouwen van tempel, stad en muren verboden en verhinderd wordt, tot in het tweede jaar van het koninkrijk van Darius, 4, enz.
 
Tegenslag bij den herbouw
1 TOEN nu de 1wederpartijders van Juda en Benjamin hoorden, dat de kinderen der 2gevangenis den HEERE, den God Israëls, den tempel bouwden,
1 Zie van dezen vss. 7, 8, 9. verwijsteksten
2 Hebr. vervaring of vervoering, wegvoering, ballingschap, dat is, die weggevoerd en gevangen geweest waren in Babel; alzo dikwijls in het volgende.
 
2 Zo kwamen zij aan tot Zerubbábel en tot de hoofden der vaderen, en zeiden tot hen: 3Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uw God zoeken gelijk gijlieden; ook hebben wij 4Hem geofferd sinds de dagen van a5Esar-Haddon, den koning van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken.
3 Veinzende vriendschap en gemeenschap der religie, maar zoekende onder dien dekmantel het goede werk te beletten, of hun afgoderij in den tempel in te voeren of met den reinen godsdienst te vermengen. Zie 2 Kon. 17:29, 30, 31, 32, 33, 34. Daarom is dit huichelachtig verzoek hun afgeslagen. verwijsteksten
4 Anders: wij hebben niet geofferd.
a 2 Kon. 17:29, enz. verwijsteksten
5 Die Sanheribs zoon was en na hem geregeerd had, 2 Kon. 19:37. verwijsteksten
 
3 Maar Zerubbábel en Jésua en de overige hoofden der vaderen van Israël zeiden tot hen: Het 6betaamt niet dat gijlieden en wij onzen God een huis bouwen; maar wij 7alleen zullen het den HEERE, den God Israëls, bouwen, bgelijk als de koning Kores, koning van Perzië, ons geboden heeft.
6 Hebr. ulieden en ons niet; of: gijlieden en wij hebben niet, te weten met elkander te doen in deze zaak.
7 Aldus kan het Hebreeuwse woordje jachad (dat dikwijls tezamen, tegelijk, met elkander, bijeen, ineen betekent) hier bekwamelijk genomen worden; gelijk jachid ook een enigen, eenlijken, eenzamen betekent. Zie insgelijks Job 34:29. Hos. 11:7. Insgelijks Ps. 33:15. Anders: wij die hier tezamen zijn, zullen, enz. Of: wij alleen zullen tezamen, enz. verwijsteksten
b Ezra 1:1, 2, 3. verwijsteksten
 
4 Evenwel 8maakte het 9volk des lands de handen des volks van Juda slap, en verstoorde hen in het bouwen;
8 Dat is, braken den lust en ijver van Gods volk, en maakten hen flauw en trager in het bouwen.
9 Als Ezra 3:3. verwijsteksten
 
5 En zij huurden tegen hen raadslieden, om 10hun raad te vernietigen, al de dagen van Kores, koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van 11Daríus, den koning van Perzië.
10 Te weten het goede voornemen der Joden.
11 Hebr. Darjavesch. Zie op vers 24. verwijsteksten
 
6 En onder het koninkrijk van 12Ahasvéros, in het begin zijns koninkrijks, schreven zij een aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.
12 Hebr. Achaschverosch, anders genoemd Assuerus. Wie deze geweest is, daarvan is verscheiden gevoelen. Sommigen verstaan Cambyses, den zoon van Cyrus, anderen den vermaarden Xerxes.
 
7 En in de dagen van 13Arthahsasta schreef 14Bislam, Mithredath, Tábeël en de 15overigen van 16zijn gezelschap aan Arthahsasta, koning van Perzië; en het schrift van den brief was in het Syrisch geschreven en in het Syrisch 17uitgelegd.
13 Hebr. Artachschaschtha, anders genoemd Artaxerxes, dien sommigen menen geweest te zijn Artaxerxes Longimanus, dat is, Langhand.
14 Anders: in vrede, dat is, in tijd van vrede, stilzwijgende, als de Joden daarop niet dachten. Of: vredelijk, dat is, met toewensing van vrede aan den koning.
15 Chald. het overige, en zo in het volgende, dat is, de anderen, de rest.
16 Versta de andere leden van den raad, dien de koningen van Perzië in deze contreien, over de rivier Eufraat gelegen, gesteld hadden.
17 Dat is, geschreven niet alleen met Syrische letters, maar ook met Syrische woorden, zoals enigen dat verklaren. Syrisch, dat is, Chaldeeuws, welke spraak de Joden in Babylonië mede geleerd hebben.
 
8 Rehum, de 18kanselier, en Simsai, de 19schrijver, schreven een brief tegen Jeruzalem, aan den koning Arthahsasta, 20op deze manier:
18 Chald. heer of meester van den raad; dat is, president van den raad, of kanselier.
19 Of secretaris.
20 Of: aldus, als volgt, gelijk wij zullen zeggen, enz.
 
9 21Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap: de 22Dinaïeten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniërs, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten,
21 Te weten, is dit geschreven.
22 Dit zijn alle namen van verscheidene heidense volken, die de koning van Assyrië overgezonden had, om in de plaats der tien stammen Israëls te gaan wonen, uit welke alle een raad des konings tot zijn dienst in deze streken was opgericht.
 
10 En de overige volken die de grote en vermaarde 23Asnappar heeft vervoerd en doen wonen in de 24stad van Samaría, ook de overigen aan deze zijde der 25rivier, en 26op zulken tijd.
23 Vers 2 genoemd Esar-Haddon.
24 Anders: steden der Samaritanen.
25 Eufraat.
26 Of: op dienzelven tijd. Chald. Cheheneth. Dit schijnt te wezen de datering van den brief, voor- of bovenaan gesteld zijnde; gelijk heden ten dage nog velen gewoon zijn te doen. Alzo vers 11, vers 17 in des konings antwoord, en Ezra 7:12. Uit welke plaatsen afgeleid wordt, dat Cheheneth geen naam is van een zeker volk, als sommigen menen. verwijsteksten
 
11 Dit is een afschrift van den brief dien zij aan hem, aan den koning Arthahsasta, zonden: Uw knechten, de 27mannen aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.
27 Chald. de man, of: de mens, dat is, een ieder.
 
12 Den koning zij bekend, dat de Joden die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem, bouwende die rebelle en die boze stad, waarvan zij de muren voltrekken en de fundamenten 28samenvoegen.
28 Chald. eigenlijk: aan elkander naaien of lappen.
 
13 Zo zij nu den koning bekend, indien dezelve stad zal worden opgebouwd en de muren voltrokken, dat zij den 29cijns, 30ouden impost en 31tol niet zullen geven, en 32gij zult de 33inkomst der koningen schade aanbrengen.
29 Het Chaldeeuwse woord betekent eigenlijk maat, en zo voorts cijns, tribuut, schatting, of schot; dien een ieder naar de mate zijner goederen den koning moest geven, Neh. 5:4. Zie ook vers 20 en Ezra 7:24. verwijsteksten
30 Impost, die men vanouds gewoon was op allerlei koophandel te stellen. Anders: hoofdschatting.
31 Op de havens en in het passeren der heerwegen, rivieren, enz. Sommigen maken van deze drie soorten maar twee, en zetten het aldus over: zij zullen den ouden schot en tol niet geven.
32 Zo gij (koning) hun voornemen niet belet. Anders: zij zal, te weten Jeruzalem.
33 Of: de schatkamer.
 
14 Nu, omdat wij 34salaris uit het paleis trekken en het ons niet betaamt des konings 35oneer te zien, daarom hebben wij gezonden en dit den koning bekendgemaakt,
34 Chald. het zout van het paleis hebben gezouten, of: met het zout, enz. Dat is, omdat wij in des konings paleis zijn opgevoed en onze traktementen vandaar hebben; of: met soldij bezoldigd worden. Alzo worden salaris (dat van zout komt), insgelijks sold, maand zout, en meer andere manieren van spreken heden ten dage gebruikt, omdat het zout nodig is tot des mensen onderhoud; gelijk het woord brood ook voor des mensen onderhoud in het gemeen genomen wordt.
35 Chald. eigenlijk: naaktheid, blootheid, ontbloting, hetwelk sommigen verstaan van de beroving zijner middelen, uit het voorgaande vers.
 
15 Opdat men zoeke in het boek der 36kronieken uwer vaderen; zo zult gij vinden in het boek der kronieken en 37weten dat dezelve stad een rebelle stad geweest is, en den koningen en landschappen schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval 38gesticht hebben 39van oude tijden af; daarom is dezelve stad verwoest.
36 Chald. der gedachtenissen.
37 Dat is, bevinden.
38 Chald. gemaakt. Alzo vers 19. verwijsteksten
39 Chald. van de dagen der eeuwigheid. Alzo vers 19. verwijsteksten
 
16 Wij maken dan den koning bekend dat, zo dezelve stad zal worden opgebouwd en haar muren voltrokken, 40gij daardoor geen deel zult hebben aan deze zijde der rivier.
40 Dat is, zij zullen u alles wat gij aan deze zijde van den Eufraat bezit, ontwenden en afvallig maken.
 
17 De koning zond antwoord aan Rehum, den kanselier, en Simsai, den schrijver, en de overigen van hun 41gezelschappen, die te Samaría woonden, mitsgaders aan de overigen aan deze zijde der rivier aldus: 42Vrede, en op zulken tijd.
41 Dat is, colleges, of metgezellen.
42 Chald. Schelam en Chehet. Vgl. vers 10. Anderen nemen beide voor namen der plaatsen waar Rehum en Simsai woonden. verwijsteksten
 
18 De brief die gij aan ons geschikt hebt, is duidelijk voor mij gelezen.
19 En als van mij bevel 43gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden dat diezelve stad zich 44van oude tijden af tegen de koningen heeft verheven, en rebellie en afval daarin gesticht is.
43 Chald. gesteld. En alzo dikwijls in het volgende.
44 Als vers 15. verwijsteksten
 
20 Ook zijn er machtige koningen geweest over Jeruzalem, die geheerst hebben overal aan gene zijde der rivier; en hun is cijns, oude impost en tol gegeven.
21 Geeft dan nu bevel om 45dienzelven mannen te beletten, dat diezelve stad niet opgebouwd worde, totdat van mij bevel zal worden gegeven.
45 De Joden.
 
22 Weest gewaarschuwd van feil in dezen te begaan; waarom zou het verderf tot schade der koningen aanwassen?
23 Toen, van dat het afschrift van den brief van den koning Arthahsasta voor Rehum en Simsai, den schrijver, en hun gezelschappen gelezen was, togen zij in haast naar Jeruzalem tot de Joden, en beletten hun met 46arm en geweld.
46 Dat is, gewapenderhand.
 
24 Toen hield het werk op van het huis Gods, Die te Jeruzalem woont, ja, het hield op tot in het tweede jaar van het koninkrijk van 47Daríus, den koning van Perzië.
47 Door dezen verstaan enigen Darius den zoon van Hystaspes, die na Cambyses heeft geregeerd. Anderen menen, het is Darius Nothus geweest, die geregeerd heeft na Artaxerxes Longimanus en vóór Artaxerxes Mnemon. De aandachtige lezer zal van dezen zelf kunnen oordelen.

Einde Ezra 4