Statenvertaling.nl

sample header image

2 Kronieken 7 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Kronieken 7

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Het vuur valt uit den hemel, verteert de offeranden, en de heerlijkheid des Heeren vervult den tempel, vs. 1, enz. Beschrijving der ceremoniën waarmede Salomo den tempel inwijdt, 4. Het feest der loofhutten wordt gehouden, 8. De Heere verschijnt Salomo, 12. Belooft hem Zijn gunst, met conditie van gehoorzaamheid, 17. Anders dreigt Hij zware straffen, 19.
 
De heerlijkheid des HEEREN vervult den tempel
1 ALS nu Sálomo voleind had te bidden, 1zo daalde het vuur van den hemel en verteerde het brandoffer en de slachtoffers; aen de 2heerlijkheid des HEEREN vervulde het huis.
1 Tot een openbaar bewijs dat God Salomo’s gebed verhoord had. Zie gelijke voorbeelden van het vallen des vuurs uit den hemel Lev. 9:24. Richt. 6:21. 1 Kon. 18:38. 1 Kron. 21:26. verwijsteksten
a 1 Kon. 8:10, 11. 2 Kron. 5:13, 14. verwijsteksten
2 Versta dit van de wolk, die een teken was van de bijzondere tegenwoordigheid Gods. Zie 2 Kron. 5:13, 14. Num. 14 op vers 10. verwijsteksten
 
2 En de priesters konden niet ingaan in het huis des HEEREN, want de heerlijkheid des HEEREN had het huis des HEEREN vervuld.
3 En als al de kinderen Israëls dat vuur zagen afdalen, en de heerlijkheid des HEEREN over het huis, zo bukten zij met hun aangezichten ter aarde op den vloer, en aanbaden en loofden den HEERE, 3dat Hij goed is, dat Zijn weldadigheid is tot in eeuwigheid.
3 Zie 2 Kron. 5 op vers 13, en vgl. onder, vers 6. verwijsteksten
 
4 De koning nu en al het volk offerden slachtoffers voor het aangezicht des HEEREN.
5 En de koning Sálomo offerde 4slachtoffers van runderen, twee en twintig duizend, en van 5schapen, honderd en twintig duizend. Alzo hebben de koning en het ganse volk het huis Gods ingewijd.
4 Namelijk ten dankoffer, gelijk verklaard wordt 1 Kon. 8:63. Van welk offer zie Lev. 3 op vers 1. verwijsteksten
5 Het Hebreeuwse woord betekent ook geiten, hoewel het meest van schapen gebruikt wordt. Zie Gen. 12 op vers 16. Lev. 1 op vers 2. verwijsteksten
 
6 Ook stonden de priesters in 6hun wachten, en de Levieten met de muzikale instrumenten 7des HEEREN, die de koning David gemaakt had om den HEERE te loven, dat Zijn weldadigheid is in eeuwigheid, 8als David door 9hun dienst Hem prees; en de priesters trompetten tegen hen over, en gans Israël 10stond.
6 Te weten naar de deling hunner beurten, die zij tevoren in de inwijding des tempels niet hadden kunnen onderhouden, 2 Kron. 5:11. verwijsteksten
7 Dat is, die ter ere Gods gemaakt waren, om Hem daarmede naar de wijze die onder de wet van God verordend en in gebruik was, te loven en te danken.
8 Anders: door de lofzangen Davids in hun hand. Of: als David Hem prees door dezelve, te weten de muzikale instrumenten.
9 Hebr. hun hand.
10 Te weten in het grote of uiterste voorhof, genaamd het voorhof des volks, afgezonderd van het binnenste voorhof, waarin de priesters stonden.
 
7 En 11Sálomo heiligde het middelste des voorhofs hetwelk voor het huis des HEEREN was, dewijl hij daar de brandoffers en het vette der dankoffers bereid had; want het koperen altaar dat Sálomo gemaakt had, kon het brandoffer en het spijsoffer en het 12vette niet vatten.
11 Zie de verklaring van dit vers 1 Kon. 8:64 in de aant. verwijsteksten
12 Versta der dankoffers. Zie 1 Kon. 8:64. verwijsteksten
 
8 Sálomo hield ook terzelfder tijd het 13feest zeven dagen, en gans Israël met hem, een zeer grote gemeente, 14van den ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte.
13 Te weten der looftenten. Zie 1 Kon. 8 op vers 65. verwijsteksten
14 Dat is, van de noordpale tot de zuidpalen des lands van Kanaän. Vgl. Gen. 15:18. Joz. 13:3, 4, 5. Van de stad Hamath zie Num. 13 op vers 21, en van de rivier van Egypte, genaamd de Sichor, Joz. 13:3. verwijsteksten
 
9 En ten 15achtsten dage hielden zij een 16verbodsdag; bwant zij hielden de 17inwijding des altaars 18zeven dagen en het feest zeven dagen.
15 Te weten van het feest, hetwelk zeven dagen geduurd had.
16 Dat is, een vierdag, op denwelken alle dagelijks werk verboden was. Zie Lev. 23 op vers 36. Deze dag wordt genaamd de grote dag van het feest Joh. 7:37. verwijsteksten
b 1 Kon. 8:65. verwijsteksten
17 Zie de betekenis van dit woord Num. 7 op vers 10. verwijsteksten
18 Die de dagen van het feest voorgegaan waren.
 
10 Doch op den drie en twintigsten 19dag der zevende maand cliet hij het volk gaan tot hun hutten, blijde en 20goedsmoeds over het goede dat de HEERE aan David en Sálomo en Zijn volk Israël gedaan had.
19 De dag na den verbodsdag. Want dit feest begon met den vijftienden dag der zevende maand, en eindigde met den twee en twintigste derzelver maand, Lev. 23:34. verwijsteksten
c 1 Kon. 8:66. verwijsteksten
20 Hebr. goed van hart.
 
11 dAlzo volbracht Sálomo het huis des HEEREN en het huis des konings; en al wat in Sálomo’s hart gekomen was om in het huis des HEEREN en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoediglijk uit.
d 1 Kon. 9:1. verwijsteksten
 
God verschijnt wederom aan Sálomo
12 En de HEERE 21verscheen Sálomo 22des nachts; en Hij zeide tot hem: Ik heb uw gebed verhoord en heb Mij deze plaats verkoren tot een offerhuis.
21 Te weten terstond na de volbouwing en inwijding des tempels, en na het gebed dat Salomo dan uitgesproken heeft; waarop dan gevolgd is de bouwing van het koninklijke huis. Zie 1 Kon. 9 op vers 2. verwijsteksten
22 Te weten in den droom. Vgl. 1 Kon. 3:5; 9:2. Zie van zulke Goddelijke verschijning Gen. 20:3; 28:12, mitsgaders de aantt. verwijsteksten
 
13 Zo Ik den hemel toesluite, dat er geen regen zij, of zo Ik den sprinkhanen 23gebiede 24het land te verteren, of zo Ik pest onder Mijn volk zende,
23 God wordt gezegd de onredelijke dieren te gebieden, omdat Hij dezelve verordent, voortbrengt en gebruikt om de mensen óf te straffen, als hier, Amos 9:3, óf te helpen en goed te doen, als 1 Kon. 17:4. verwijsteksten
24 Dat is, zijn gewas en vruchten.
 
14 En Mijn volk, 25over dewelke Mijn Naam genoemd wordt, zich verootmoedigen en bidden, en 26Mijn aangezicht zoeken en zich bekeren van hun boze wegen, zo zal Ik uit den hemel horen en hun zonden vergeven en hun land 27genezen.
25 Dat is, die van Mij hun naam hebben, of naar Mij genaamd worden; want de vromen worden Gods kinderen, des Heeren erfdeel en Zijn eigendom genaamd. Dezelfde manier van spreken is Deut. 28:10. Amos 9:12. verwijsteksten
26 Het aangezicht des Heeren te zoeken is Hem te leren kennen, zoals Hij Zich geopenbaard heeft in Zijn Woord, Zijn werken en tekenen Zijner genade, onder dewelke in het Oude Testament ook geweest is de ark des verbonds. Zie Ps. 24:6; 27:8. verwijsteksten
27 Dat is, vrijmaken van alle ongedierte, van onvruchtbaarheid, van pest, enz.
 
15 Nu zullen eMijn ogen open zijn en Mijn oren opmerkende, op het gebed 28dezer plaats.
e 2 Kron. 6:40. verwijsteksten
28 Zie 2 Kron. 6 op vers 40. verwijsteksten
 
16 Want 29Ik heb nu dit huis verkoren en geheiligd, opdat Mijn Naam daar zij tot in eeuwigheid. En Mijn ogen en Mijn hart zullen daar te alle dagen zijn.
29 Zie de aantt., dienende tot verklaring hiervan en van het volgende, op 1 Kon. 9:3, enz. verwijsteksten
 
17 En u aangaande, zo gij voor Mijn aangezicht wandelen zult, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, en doen naar alles wat Ik u geboden heb, en Mijn inzettingen en Mijn rechten houden zult,
18 Zo zal Ik den troon uws koninkrijks bevestigen, gelijk als Ik een verbond met uw vader David gemaakt heb, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden, die in Israël heerse.
19 Maar zo gijlieden u afkeren zult, en Mijn inzettingen en Mijn geboden, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en heengaan en andere goden dienen en u voor die nederbuigen zult,
20 Zo zal Ik hen uitrukken uit Mijn land dat Ik hun gegeven heb, en dit huis dat Ik Mijn Naam geheiligd heb, zal Ik van Mijn aangezicht wegwerpen, en zal het tot een spreekwoord en spotrede onder alle volken maken.
21 En dit huis, dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich een ieder die voorbijgaat, ontzetten, dat hij zal zeggen: Waarom heeft de HEERE aan dit land en aan dit huis alzo gedaan?
22 En men zal zeggen: Omdat zij den HEERE, hunner vaderen God, verlaten hebben, Die hen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden en zich voor dezelve nedergebogen en die gediend; daarom heeft Hij al dat kwaad over hen gebracht.

Einde 2 Kronieken 7