Statenvertaling.nl

sample header image

2 Kronieken 36 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Kronieken 36

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Joahaz wordt koning in zijns vaders plaats, vss. 1, 2. Wordt afgezet door den koning van Egypte, en daarheen weggevoerd, 3. Die in zijn plaats stelt zijn broeder Eljakim, en noemt hem Jojakim, 4. Dezelve is goddeloos, en wordt van Nebukadnezar gevankelijk naar Babel gevoerd, 5. Zijn zoon Jojachin volgt hem in zijn rijk, goddeloosheid en gevangenis, 9. Zedekia, die hem opvolgt, is hun gelijk, 11. Om dezer en des volks zonden wordt Jeruzalem van de Chaldeeën verstoord, en worden de Joden gevankelijk weggevoerd naar Babel, 14. Alwaar zij blijven tot op de regering van Cyrus, die hun verlossing en vrijheid geeft, 22.
 
De laatste vier koningen
1 TOENa nam het volk des lands 1Jóahaz, den zoon van Josía, en zij 2maakten hem koning in zijns vaders plaats te Jeruzalem.a 2 Kon. 23:30. verwijsteksten
1 Ook genaamd, naar eniger gevoelen, Johanan, 1 Kron. 3:15, en Sallum, Jer. 22:11, en Joahaz, hier en in het volgende vers. verwijsteksten
2 Tot welk einde zij hem ook zalfden, 2 Kon. 23:30. Van de reden hiervan zie aldaar in de aant. Zie ook 2 Kon. 11 op vers 12. verwijsteksten
2 3Drie en twintig jaar was Jóahaz oud als hij koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem.3 Hebr. Een zoon van drie en twintig jaar.
3 Want de koning van Egypte 4zette hem af te Jeruzalem; 5en hij legde het land een boete op van honderd talenten zilver en een talent goud.4 En voerde hem gevankelijk weg naar Ribla. Zie 2 Kon. 23:33, en de aant. daarop. verwijsteksten
5 Zie van deze schatting ook 2 Kon. 23 op vers 33. verwijsteksten
4 En de koning van Egypte maakte 6zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem, en 7veranderde zijn naam in Jehójakim; maar zijn broeder Jóahaz nam Necho en bracht hem 8in Egypte.6 Den broeder van Joahaz; gelijk straks in dit vers volgt.
7 Hebr. hij wendde, of: keerde om. Hij toonde daarmede de macht en het gebied, dat hij over hem verklaarde te hebben. Zie 2 Kon. 23 op vers 34. verwijsteksten
8 En is ook daar gestorven, 2 Kon. 23:34, gelijk van Jeremia was voorzegd geweest, Jer. 22:12; alwaar hij, naar sommiger gevoelen, Sallum geheten wordt. verwijsteksten
5 9Vijf en twintig jaar was Jehójakim oud als hij koning werd, en regeerde elf jaar te Jeruzalem; en hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN zijns Gods.9 Hebr. Een zoon van vijf en twintig jaar. Zie de verklaring van dit vers 2 Kon. 23 op vers 36. verwijsteksten
6 bNebukadnézar, de koning van Babel, toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen 10om hem te voeren naar Babel.b 2 Kon. 24:1. verwijsteksten
10 Doch naar sommiger gevoelen zou hij te Babel niet gekomen zijn, maar onderweg gestorven, volgens de profetie van Jeremia, Jer. 22:18, 19. verwijsteksten
7 Nebukadnézar bracht ook van de vaten van het huis des HEEREN naar Babel, en stelde ze in zijn tempel te Babel.
8 Het overige nu van de geschiedenissen van Jehójakim, en zijn gruwelen die hij deed, en 11wat aan hem gevonden werd, zie, dat is geschreven in het boek der koningen van Israël en Juda; en 12Jehójachin, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.11 Versta zijn andere gruwelijke, zo openbare als heimelijke zonden; of versta zijn afval en rebellie tegen den koning Nebukadnezar, die hij heimelijk voorgenomen had, en om welker wil Nebukadnezar zijn krijgsvolk tegen hem gezonden had, 2 Kon. 24:1, 2. verwijsteksten
12 Anders genaamd: Jechonia, 1 Kron. 3:16, en uit verachting Chonia, Jer. 22:24. verwijsteksten
9 c13Acht jaar was Jehójachin oud als hij koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN.c 2 Kon. 24:8. verwijsteksten
13 Hebr. Een zoon van acht jaren. Er staat 2 Kon. 24:8, dat hij achttien jaar oud was, toen hij koning werd. Hetwelk te verstaan is van den tijd in denwelken hij alleen en met volle macht geregeerd heeft. Maar wat hier staat, is te verstaan van den tijd in denwelken hij met en onder zijn vader in de regering geweest is. Zie van deze vergelijking ook 2 Kon. 24 op vers 8. verwijsteksten
10 dEn met de wederkomst 14des jaars zond de koning Nebukadnézar heen en liet hem naar Babel halen, met 15de kostelijkste vaten van het huis des HEEREN; en ehij maakte 16zijn broeder 17Zedekía koning over Juda en Jeruzalem.d Dan. 1:1, 2. verwijsteksten
14 Niet van zijn regering, want hij heeft geen jaar geregeerd, dan alleen drie winterse maanden en tien dagen; maar van het lopende jaar, hetwelk nu om was, als de lente begon met de gelijkheid der dagen en nachten. Vgl. 2 Sam. 11:1, en de aant. verwijsteksten
15 Hebr. vaten der begeerlijkheid. Want de kostelijke dingen worden zeer begeerd; alzo vers 19. 2 Kron. 32:27. verwijsteksten
e 2 Kon. 24:17. Jer. 37:1. verwijsteksten
16 Dat is, zijn bloedverwant; te weten zijn oom, zijns vaders broeder, zoon van Josia, 2 Kon. 24:17. 1 Kron. 3:15. Jer. 1:3. Vgl. Gen. 13:8, en de aant. verwijsteksten
17 Hebr. Tsidkia, ook genaamd Mattanja, 2 Kon. 24:17. verwijsteksten
11 18Een en twintig jaar was Zedekía oud als hij koning werd, en regeerde elf jaar te Jeruzalem.18 Hebr. Een zoon van een en twintig jaar.
12 fEn hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN zijns Gods; hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van den profeet Jeremía, sprekende 19uit den mond des HEEREN.f Jer. 52:2, 3. verwijsteksten
19 Dat is, uit het bevel dat hij van God ontvangen had, Jer. 1:7, enz. verwijsteksten
13 Daartoe werd hij ook afvallig tegen den koning Nebukadnézar, die 20hem beëdigd had bij God, en verhardde zijn nek en 21verstokte zijn hart, dat hij zich niet bekeerde tot den HEERE, den God Israëls.20 Dat is, een eed der opgelegde en beloofde trouw hem afgenomen.
21 Zie van dit woord Deut. 2:30. verwijsteksten
14 Ook 22maakten alle oversten der priesters, en het volk, der overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der heidenen; en zij verontreinigden het huis des HEEREN, dat Hij 23geheiligd had te Jeruzalem.22 Hebr. vermenigvuldigden overtreding te overtreden, of: door overtreding te overtreden; dat is hier, gans zeer te overtreden. Alzo dienst dienen is met grote zorg en arbeid dienen, Gen. 30:26. Zo ook lust lusten, of met lust belust of bevangen te zijn, is zeer belust te zijn, Num. 11:4; insgelijks ijver ijveren, of met ijver ijveren, is zeer ijveren, Num. 25:11; met begeerte begeren, zeer begeren, Luk. 22:15, enz. verwijsteksten
23 Dat is, bescheiden en verordend had, opdat daarin het teken Zijner heilige tegenwoordigheid en de oefening van Zijn heiligen godsdienst plaats zou hebben. Vgl. Lev. 8:10, en de aant. verwijsteksten
 
Jeruzalem verwoest; de ballingschap
15 En de HEERE, de God hunner vaderen, zond tot hen door de hand Zijner 24boden, 25vroeg op zijnde om die te zenden; want 26Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.24 Dat is, Zijner profeten, die in den tijd van de historie van dit boek geleefd hebben, van welke de voornaamste waren: Ahia de Siloniet, Semaja, Iddo, anders Oded, Azaria, Jehu, Elia, Micha, Elisa, Jona, Hosea, Amos, Jesaja, Micha de Morastiet, Joël, Nahum, Habakuk, Jeremia, de profetes Hulda, Zefanja, Obadja, Ezechiël.
25 Hebr. vroeg opstaande en zendende; dat is, met grote zorgvuldigheid, naarstigheid en aanhouding zendende, ja, zo spoedig mogelijk, zo haast als zij begonnen tot afgoderij te vervallen.
26 Dat is, Hij wilde Zijn straf niet verhaasten, zijnde lankmoedig en traag tot toorn, en daarom Zijn profeten steeds tot hen zendende, opdat zij zich bekeren en alzo de gedreigde straf ontgaan mochten.
16 Maar zij spotten met de boden Gods en verachtten Zijn woorden, zij verleidden zichzelven 27tegen Zijn profeten; totdat de grimmigheid des HEEREN tegen Zijn volk opging, dat er geen 28helen aan was.27 Dat is, alzo dat zij zich tegen de profeten stelden en die vervolgden; of: tegen de profeten, dat is, tegen de vermaning en waarschuwing der profeten. Anders: zij hielden zich verleid door de profeten; dat is, zij maakten zichzelven wijs en gaven voor, dat de profeten met bedrog en valsheid omgingen. Of: zij wilden verleid worden door Zijn profeten; dat is, zij wilden niet dat de profeten hen dreigen of straffen zouden, maar dat zij hun alle goeds toezeggen zouden, gelijk hierover de profeten dikwijls klagen. Of: zij sprongen met de profeten om; dat is, zij beschimpten hen, en bespotten hen, en lieten hen lopen, en vraagden naar hun zeggen niet, dat zij daarop zouden acht genomen hebben.
28 Dat is, geen helpen, en dat, omdat het volk zich ter ene zijde niet beterde, en ter andere zijde Gods rechtvaardigheid vereiste dat hun onbekeerlijkheid gestraft zou worden. Het is een gelijkenis genomen van de kranke lichamen, die niet geneeslijk zijn. Vgl. 2 Kron. 21:18. verwijsteksten
17 Want Hij deed tegen hen opkomen 29den koning der 30Chaldeeën, die hun jongelingen met het zwaard in het huis huns 31heiligdoms doodde, en 32hij verschoonde de 33jongelingen niet, noch de maagden, de ouden noch de stokouden; 34Hij gaf hen allen in 35zijn hand.29 Namelijk Nebukadnezar.
30 Zie 2 Kon. 24 op vers 2. verwijsteksten
31 Versta den tempel, dien zij ontreinigd hadden, vers 14. verwijsteksten
32 Te weten de koning van Babel, of ook wel: de Heere verschoonde niet, gelijk Hij gedreigd had in Zijn wet. Zie een samenvatting hiervan Deut. 32:22, 23, 24. verwijsteksten
33 In het Hebreeuws staan deze woorden in het enkelvoud, jongeling, maagd, enz.
34 Namelijk God de Heere.
35 Namelijk van den koning van Babel.
18 En alle vaten van het huis Gods, de grote en de kleine, en de schatten van het huis des HEEREN en de schatten des konings en zijner vorsten, dit alles voerde 36hij naar Babel.36 Namelijk de koning Nebukadnezar.
19 En 37zij verbrandden het huis Gods, en zij braken den muur van Jeruzalem af, en al de paleizen 38daarvan verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle 39kostelijke vaten derzelve.37 Namelijk de Chaldeeën.
38 Te weten van de stad Jeruzalem.
39 Of: kostelijk gereedschap. Hebr. vaten der begeerte; gelijk vers 10. verwijsteksten
20 En 40wie overgebleven was van het zwaard, voerde hij weg naar Babel, en zij werden hem en 41zijn zonen tot knechten, 42tot het regeren des koninkrijks van Perzië;40 Hebr. het overgeblevene of overblijfsel van het zwaard; dat is, die in den oorlog door het geweer niet omgekomen waren.
41 Namelijk Nebukadnezars zonen; versta zijn zoon Evil-Merodach, en dezes nakomeling Belsazar, Jer. 27:7. verwijsteksten
42 Dat is, totdat Cyrus Babel ingenomen en alzo de monarchie van de Chaldeeën tot de Perzen gebracht had; hetwelk geschied is, naar sommiger rekening, omtrent het jaar der schepping 3434.
21 Opdat het woord des HEEREN vervuld werd, 43door den mond van Jeremía, totdat het land aan zijn sabbatten 44een welgevallen had; het rustte 45al de dagen der verwoesting, totdat de gzeventig jaren vervuld waren.43 Zie hfdst. 25:11, enz., in zijn profetie.
44 Zie Lev. 26:34, 35, en de aant. verwijsteksten
45 Dat is, den gansen tijd dien de Joden in Babel gevangen werden gehouden, namelijk zeventig jaren, gelijk Jeremia voorzegd had, Jer. 25:11, 12; 29:10. verwijsteksten
g Jer. 25:12; 29:10. verwijsteksten
 
Kores geeft verlof tot terugkeer
22 46Maar in het 47eerste jaar van Kores, koning van Perzië, opdat volbracht werd het hwoord des HEEREN, door den mond van Jeremía, verwekte de HEERE den 48geest van Kores, koning van Perzië, dat hij een 49stem liet doorgaan door zijn ganse koninkrijk, zelfs ook in geschrifte, zeggende:46 Dit vers en het navolgende worden nagenoeg van woord tot woord herhaald in het begin van het boek Ezra. Waaruit sommigen besluiten dat het Ezra is geweest, die, door ingeving des Heiligen Geestes, deze twee boeken der Kronieken zou geschreven hebben.
47 Te weten van zijn monarchie. Zie Ezra 1 op vers 1. verwijsteksten
h Ezra 1:1. Jer. 25:12; 29:10. verwijsteksten
48 Zie 2 Kon. 19 op vers 7. verwijsteksten
49 Dat is, uitroeping; alzo Ex. 36:6. Ezra 1:1. verwijsteksten
23 Zo zegt Kores, koning van Perzië: De HEERE, de God des hemels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven; en Hij heeft mij 50bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem, hetwelk in Juda is. Wie is onder ulieden van al Zijn volk? De HEERE zijn God zij met hem, en hij trekke op.50 Zie Ezra 1 op vers 2. verwijsteksten

Einde 2 Kronieken 36