Statenvertaling.nl

sample header image

2 Kronieken 25 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29 30 31 32 33 34 35 36
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Kronieken 25

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 AMÁZIA, vijf en twintig jaar oud zijnde, werd koning en regeerde negen en twintig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jóaddan, van Jeruzalem.
2 En hij deed wat recht was in de ogen des HEEREN, doch niet met een volkomen hart.
3 Het geschiedde nu als het koninkrijk aan hem gesterkt was, dat hij zijn knechten die den koning, zijn vader, geslagen hadden, doodde.
4 Doch hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed gelijk in de wet, in het boek van Mozes geschreven is, waar de HEERE geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen en de kinderen zullen niet sterven om de vaders, maar een ieder zal om zijn zonde sterven.
5 En Amázia vergaderde Juda, en stelde hen naar de huizen der vaderen, tot oversten van duizenden en tot oversten van honderden, door gans Juda en Benjamin; en hij monsterde hen, van twintig jaar oud en daarboven, en vond hen driehonderdduizend uitgelezenen, uittrekkende ten heire, handelende spies en rondas.
6 Daartoe huurde hij uit Israël honderdduizend kloeke helden voor honderd talenten zilver.
7 Maar er kwam een man Gods tot hem, zeggende: O koning, laat het heir van Israël met u niet gaan; want de HEERE is niet met Israël, met alle kinderen van Efraïm.
8 Maar zo gij gaat, doe het, wees sterk ten strijde; God zal u doen vallen voor den vijand, want in God is kracht om te helpen en om te doen vallen.
9 En Amázia zeide tot den man Gods: Maar wat zal men doen met de honderd talenten die ik aan de benden van Israël gegeven heb? En de man Gods zeide: De HEERE heeft meer dan dit om u te geven.
10 Toen scheidde Amázia die af, te weten de benden die uit Efraïm tot hem gekomen waren, dat zij naar hun plaats gingen; daarom ontstak hun toorn zeer tegen Juda en zij keerden weder tot hun plaats in hittigheid des toorns.
11 Amázia nu sterkte zich en leidde zijn volk uit, en toog in het Zoutdal, en sloeg van de kinderen van Seïr tienduizend.
12 Daartoe vingen de kinderen van Juda tienduizend levend, en brachten hen op de hoogte der steenrots, en stieten hen van de spits der steenrots af, dat zij allen berstten.
13 Maar de mannen der benden, die Amázia had doen wederkeren, dat zij met hem in den strijd niet zouden trekken, die deden een inval in de steden van Juda, van Samaría af tot Beth-Hóron toe, en sloegen van hen drieduizend en roofden veel roof.
14 Het geschiedde nu nadat Amázia van het slaan der Edomieten gekomen was en dat hij de goden der kinderen van Seïr medegebracht had, dat hij die zich tot goden stelde en zich voor dezelve nederboog en dien rookte.
15 Toen ontstak de toorn des HEEREN tegen Amázia, en Hij zond tot hem een profeet; die zeide tot hem: Waarom hebt gij de goden van dat volk gezocht, die hun volk niet gered hebben uit uw hand?
16 En het geschiedde als hij tot hem sprak, dat hij hem zeide: Heeft men u tot des konings raadgever gesteld? Houd gij op; waarom zouden zij u slaan? Toen hield de profeet op en zeide: Ik merk dat God besloten heeft u te verderven, dewijl gij dit gedaan en naar mijn raad niet gehoord hebt.
17 En Amázia, de koning van Juda, hield raad, dat hij zond tot Joas, den zoon van Jóahaz, den zoon van Jehu, den koning van Israël, om te zeggen: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.
18 Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amázia, den koning van Juda, om te zeggen: De distel die op den Libanon is, zond tot den ceder die op den Libanon is, om te zeggen: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw. Maar het gedierte des velds, dat op den Libanon is, ging voorbij en vertrad den distel.
19 Gij zegt: Zie, gij hebt de Edomieten geslagen; daarom heeft uw hart u verheven om te roemen. Nu, blijf in uw huis; waarom zoudt gij u in het kwade mengen, dat gij vallen zoudt, gij en Juda met u?
20 Doch Amázia hoorde niet, want het was van God, opdat Hij hen in hun hand gave, overmits zij de goden der Edomieten gezocht hadden.
21 Zo toog Joas, de koning van Israël, op, en hij en Amázia, de koning van Juda, zagen elkanders aangezichten, te Beth-Sémes dat in Juda is.
22 En Juda werd geslagen voor het aangezicht van Israël, en zij vloden een iegelijk in zijn tenten.
23 En Joas, de koning van Israël, greep Amázia, den koning van Juda, den zoon van Joas, den zoon van Jóahaz, te Beth-Sémes; en hij bracht hem te Jeruzalem en hij brak aan den muur van Jeruzalem, van de poort van Efraïm tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen.
24 Daartoe nam hij al het goud en het zilver en al de vaten die in het huis Gods gevonden werden bij Obed-Edom, en de schatten van het huis des konings, mitsgaders gijzelaars; en hij keerde weder naar Samaría.
25 Amázia nu, de zoon van Joas, de koning van Juda, leefde na den dood van Joas, den zoon van Jóahaz, den koning van Israël, vijftien jaar.
26 Het overige nu der geschiedenissen van Amázia, de eerste en de laatste, zie, zijn die niet geschreven in het boek der koningen van Juda en Israël?
27 Van den tijd nu aan dat Amázia afgeweken was van achter den HEERE, zo maakten zij in Jeruzalem een verbintenis tegen hem; doch hij vluchtte naar Lachis. Toen zonden zij hem na tot Lachis en doodden hem aldaar.
28 En zij brachten hem op paarden, en begroeven hem bij zijn vaderen in de stad van Juda.

Einde 2 Kronieken 25