Statenvertaling.nl

sample header image

1 Kronieken 8 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

1 Kronieken 8

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Geslachtsregister van den stam van Benjamin, vs. 1, enz. En in het bijzonder de voorouders van Saul, die uit dezen stam was, en zijn nakomelingen, 33.
 
De kinderen van Benjamin
1 BENJAMIN 1nu gewon Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, den tweede, en Ahrah, den derde,
1 Gen. 46:21. Num. 26:38. 1 Kron. 7:6 wordt dit geslachtsregister ook verhaald, maar daar is groot onderscheid in verscheidene namen, hetzij dat verscheidenen van dezelve twee namen hebben gehad, gelijk in de voorgaande hoofdstukken van dit boek, en elders meer, is aangewezen; of hetzij dat hier enige nakomelingen beschreven worden, die in de bovenverhaalde plaatsen niet staan. verwijsteksten
 
2 Noha, den vierde, en Rafa, den vijfde.
3 Bela nu had deze kinderen: Addar en Gera en Abíhud,
4 En Abisúa en Naäman en Ahóah,
5 En Gera en Sefúfan en Huram.
6 Dezen nu zijn de kinderen van Ehud; dezen waren hoofden der 2vaderen van de inwoners te 3Geba, en 4hij voerde hen over naar Manáhath.
2 Dat is, der vaderlijke huizen.
3 Anders: Gibea Sauls, 1 Sam. 11:4. verwijsteksten
4 Versta dat hij alleen sommigen van dezen, of alleen dezen die hier genoemd worden, heeft weggevoerd, dewijl hunner zoveel is geworden, dat zij niet allen te Geba konden wonen. Wanneer en door wien dit geschied is, lezen wij nergens in de Heilige Schrift.
 
7 En Naäman en Ahía en Gera, dezen voerde 5hij weg; en hij gewon Uzza en Achíhud.6
5 Te weten Ehud.
6 Versta hierbij: en Saharaïm, uit het volgende vers.
 
8 En 7Saharáïm gewon kinderen in het land van Moab (nadat 8hij 9dezelve weggezonden had) uit Husim en Báära, zijn vrouwen.
7 Deze historie wordt nergens meer in de Heilige Schrift verhaald dan hier alleen; daarom is dit verhaal hier wat duister.
8 Te weten Ehud.
9 Te weten de nakomelingen van Naäman en Ahia en Gera, die vers 7 genoemd staan. verwijsteksten
 
9 En uit 10Hodes, zijn huisvrouw, gewon hij Jobab en Zibja en Mesa en Malcam,
10 Vers 8 wordt zij Baära genoemd.
 
10 En Jeüz en Sochja en Mirma; dezen zijn zijn zonen, hoofden der vaderen.
11 En uit Husim gewon hij Abítub en Elpáäl.
12 De kinderen van Elpáäl nu waren Eber en Misam en Samed; deze heeft 11Ono gebouwd, en 11Lod en haar 12onderhorige plaatsen.
11 . 11 Neh. 11:35 worden deze steden ook den stam van Benjamin toegeschreven. verwijsteksten
12 Hebr. dochteren.
 
13 En Bería en Sema; dezen waren hoofden 13der vaderen van de inwoners 14te Ajálon; dezen hebben 15de inwoners van Gath verdreven.
13 Dat is, der vaderlijke huizen, als vers 6 en elders meer. verwijsteksten
14 Versta dit van het land omtrent Ajalon gelegen, want de stad Ajalon behoorde tot den stam van Dan, Joz. 19:42; tenzij dat men zeggen wil, dat na de Babylonische gevangenis (als Ezra dit geschreven heeft) de Benjaminieten hun woning zo uitgebreid hebben, dat zij ook in de steden van Dan gewoond hebben. verwijsteksten
15 Dat is, die in het land der Filistijnen bij Gath woonden.
 
14 En Ahío, Sasak en Jerémoth,
15 En Zebádja en Arad en Ader,
16 En Michaël en Jispa en Joha waren kinderen van Bería.
17 En Zebádja en Mesullam en Hizki en Heber,
18 En Jismerai en Jizlía en Jobab, de kinderen van Elpáäl.
19 En Jakim en Zichri en Zabdi,
20 En Eljóënai en Zillethai en Elíël,
21 En Adája en Berája en Simrath waren kinderen van 16Simeï.
16 Hij wordt vers 13 Sema genoemd. verwijsteksten
 
22 En Jispan en Eber en Elíël,
23 En Abdon en Zichri en Hanan,
24 En Hananja en Elam en Antóthia,
25 En Jífdeja en Pnuël waren zonen van Sasak.
26 En Sámserai en Seharja en Athalja,
27 En Jaäresja en Elía en Zichri waren zonen van Jeróham.
28 17Dezen waren de 18hoofden der vaderen, hoofden naar hun geslachten; dezen woonden te Jeruzalem.
17 Te weten, van dewelke gesproken is van vers 14 tot hiertoe. verwijsteksten
18 Dat is, hoofden der vaderlijke huizen of geslachten, als vers 6 en elders meer. verwijsteksten
 
Het geslacht van Saul
29 En te Gíbeon woonde 19de vader van Gíbeon; en de naam zijner huisvrouw was Máächa.
19 Dat is, de eerste inwoner van de stad Gibeon onder de Israëlieten. Gibeon wordt Jeiël genoemd 1 Kron. 9:35. verwijsteksten
 
30 En zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur en Kis en Baäl en Nadab,
31 En Gedor en Ahío en Zecher.
32 En Mikloth gewon Símea; en 20dezen woonden ook tegenover hun broederen te Jeruzalem, met hun broederen.
20 Te weten, enige hoofden dezer geslachten woonden te Jeruzalem met andere Benjaminieten, tegenover die Benjaminieten die in de landpale Gibeons woonden.
 
33 21Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jónathan en Malchi-Sua en 22Abinádab en 23Esbáäl.
21 Anders: Abiël, 1 Sam. 9:1. verwijsteksten
22 Anders: Jisvi, 1 Sam. 14:49. verwijsteksten
23 Anders: Isboseth, 2 Sam. 2:8. verwijsteksten
 
34 En Jónathans zoon was 24Merib-baäl, en aMerib-baäl gewon Micha.
24 Anders: Mefiboseth, 2 Sam. 9:6, 10. Hieruit blijkt dat de namen Baäl en Boseth verwisseld worden. Baäl betekent heer of meester, en is een bekende naam van afgoden. Boscheth betekent schaamte, schande. Vgl. Jer. 3:24. verwijsteksten
a 2 Sam. 9:12. verwijsteksten
 
35 De kinderen van Micha nu waren Pithon en Melech en Thaäréa en Achaz.
36 En Achaz gewon Jehóadda, en Jehóadda gewon Alémeth en Azmáveth en Zimri; Zimri nu gewon Moza;
37 En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rafa; zijn zoon was Elása; zijn zoon was Azel.
38 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hun namen: Azríkam, Bochru en Ismaël en Searja en Obadja en Hanan. Al dezen waren zonen van Azel.
39 En de zonen van Esek, zijn broeder, waren Ulam, zijn eerstgeborene, Jeüs, de tweede, en Elifélet, de derde.
40 En de zonen van Ulam waren mannen, kloeke helden, 25den boog spannende, en 26zij hadden vele zonen en zoonszonen, honderd en vijftig. Al dezen waren van de kinderen van Benjamin.
25 Hebr. den boog tredende; dat is, die den boog konden spannen en wel daarmede schieten. De stalen bogen moet men met kracht en alle geweld spannen. Daarom treden de schutters met de voeten op denzelven, en trekken de pees opwaarts met kracht. Daarom noemen wij dien den voetboog, tot onderscheid van den handboog. Zij worden in de hoven der koningen archiërs genoemd die daarmede omgaan.
26 Hebr. zij vermenigvuldigden zonen en zoonszonen.

Einde 1 Kronieken 8