Statenvertaling.nl

sample header image

1 Kronieken 4 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

1 Kronieken 4

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De zonen en nakomelingen van Juda, van Kaleb, den zoon van Hur, vs. 1, enz. Van Assur, 5. Van Jabez; en van zijn gebed, 9. De nakomelingen van Sela, 21. De nakomelingen, steden en dorpen van Simeon, 24. Insgelijks, hoe zij Gedor en de weidelanden daaromheen innamen, 39. En de overige Amalekieten sloegen, en het gebergte van Seïr innamen, 42.
 
Nog meer kinderen van Juda
1 DE akinderen van Juda waren 1Perez, Hezron en 2Charmi en 3Hur en Sobal.
a Gen. 38:29; 46:12. 1 Kron. 2:4. verwijsteksten
1 Perez is, eigenlijk te spreken, de zoon van Juda geweest, maar die na hem hier genoemd zijn, zijn uit Perez gesproten.
2 Hij wordt Chelubai genoemd 1 Kron. 2:9, en ook Kaleb 1 Kron. 2:18. verwijsteksten
3 Hur is Sobals grootvader geweest, 1 Kron. 2:50, zodat Kaleb, de zoon van Hur, hier wordt uitgelaten. verwijsteksten
 
2 En 4Reája, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahúmai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der 5Zorathieten.
4 Hij wordt Haroë genaamd, een zoon van Sobal, 1 Kron. 2:52. verwijsteksten
5 Dezen hebben gewoond te Zora, gelegen in den stam van Juda, Joz. 15:33. verwijsteksten
 
3 En dezen zijn van den vader 6Etam: Jizreël en Jisma en Jidbas, en de naam hunner zuster was Hazelelpóni.
6 Dat is, die te Etam gewoond heeft. Zie 2 Kron. 11:6. verwijsteksten
 
4 En 7Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van 8Husah. Dit zijn de kinderen van 9Hur, den eerstgeborene van 10Efratha, den vader van Bethlehem.
7 1 Kron. 2:51 wordt hij Haref genoemd. verwijsteksten
8 Hij wordt vers 11, door een verzetting der letters, Suha genoemd. verwijsteksten
9 Is te weten, dat deze Hur maar ten dele vader van de Bethlehemieten geweest is, want dit wordt ook aan Salma toegeschreven, 1 Kron. 2:51, 54. Zie de aant. aldaar. verwijsteksten
10 Zie 1 Kron. 2:19. verwijsteksten
 
5 11Asschur nu, de vader van Tekóa, had twee vrouwen, Hela en Náära.
11 Hij is geboren na den dood van Hezron, zijn vader. Zie 1 Kron. 2:24. verwijsteksten
 
6 En Náära baarde hem Ahuzzam en Hefer en Témeni en Haähástari; dit zijn de kinderen van Náära.
7 En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezóhar en Ethnan.12
12 Versta hierbij: en Koz (uit het volgende vers), die een zoon van Hela was. Of men kan het begin van vers 8 aldus overzetten: En Koz, die gewon Anub. Zie gelijke verzetting 1 Kron. 2:47, en hieronder, vers 14. verwijsteksten
 
8 En Koz gewon Anub en Hazobéba, en de huisgezinnen van Aharhel, den zoon van Harum.
9 13Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want 14ik heb hem met smarten gebaard.
13 Hij is een van de voornaamsten, van welke de geslachten van Aharhel gekomen zijn, waar vers 8 van staat. verwijsteksten
14 Jabez, omgekeerd uit Jazeb, wordt overgezet met een smartenmaker.
 
10 15Want Jabez riep den God Israëls aan, zeggende: Indien Gij mij 16rijkelijk zegenen en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte. En God liet komen wat hij begeerde.
15 Dit wordt hierbij gevoegd om te kennen te geven, waarom Jabez heerlijker en treffelijker was geworden dan zijn broeders, namelijk omdat hij door het gebed tot God den zegen Gods overvloediger over zijn huis gekregen had.
16 Hebr. zegenende mij zegent. Dit is een afgekorte en onvolmaakte manier van spreken, waarin de belofte verzwegen wordt, die deze man Gode gedaan heeft, zo hij de zegening verwierf waar hij God om bad. Gelijk de Hebreeën in het eedzweren de straf verzwijgen, die zij zichzelven toewensen zo zij valselijk zweren, alzo verzwijgen zij somtijds de belofte in hun wensen. Gen. 28:20, 21, 22 staat het voluit. verwijsteksten
 
11 En Chelub, de broeder van 17Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.
17 Vers 4 Husah.
 
12 Eston nu gewon Bethrafa en Paséah en Tehínna, 18den vader van Ir-Nahas; dit zijn de mannen van Recha.
18 Anders: den vader van de stad Nahas.
 
13 En de bkinderen van 19Kenaz waren Othniël en Serája; en de kinderen van Othniël, Hathath;20
b Joz. 15:17. verwijsteksten
19 Hij was de vader van Jefunne, wiens zoon was Kaleb, die daarom ook een Keniziet genoemd wordt, Num. 32:12. verwijsteksten
20 Versta hierbij: en Meonothai (uit het volgende vers), welke naam in het Hebreeuws niet staat, maar hij moet er noodzakelijk bij verstaan worden.
 
14 En Meónothai gewon Ofra; en Serája gewon Joab, den 21vader van het dal der 22werkmeesters, want 23zij 24waren werkmeesters.
21 Dat is, overste dergenen die in het dal der werkmeesters woonden. Zie 1 Kron. 2 op vers 21. Dit dal is gelegen aan de landpalen van Juda en Benjamin, zodat het onder twee heerschappijen was, Neh. 11:35. verwijsteksten
22 Of: der smeden. Enigen zetten het over: ambachtslieden, of: handwerkslieden, als Neh. 11:35. verwijsteksten
23 Te weten de nakomelingen van Joab.
24 De zin dezer woorden is: Daarom is dit dal genoemd geworden het dal der timmerlieden, omdat diegenen die dat bewoonden, timmerlieden waren.
 
15 De 25kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naäm; en de kinderen van Ela, te 26weten Kenaz.
25 Zie Num. 32:12. verwijsteksten
26 Anders: Ukenaz.
 
16 En de kinderen van Jehallelel waren Zif en Zifa, Thírea en Asáreël.
17 En de kinderen van Ezra waren Jether en Mered en Efer en Jalon. En 27zij baarde Mirjam en Sammai en Jisbah, den vader van Estemóa.
27 Te weten Bitja, Farao’s dochter, Mereds vrouw. Zie vers 18. verwijsteksten
 
18 En zijn 28Joodse huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jekúthiël, den vader van Zanóah; en 29die zijn kinderen van Bitja, de dochter van Farao, die Mered genomen had.
28 Deze wordt aldus onderscheiden van Mereds andere huisvrouw, namelijk van Bitja, die vreemd was, zijnde een dochter van Farao uit Egypte. Enigen menen dat dit, te weten Jehudijah, dat is, Joodse of Jodin, haar eigen naam geweest is; of immers Hodia, gelijk zij vers 19 genoemd wordt, hetwelk ook een Jodin betekent. Anderen menen dat Hodia een derde vrouw van Mered is geweest, en dat hij alzo drieërlei kinderen heeft gehad. verwijsteksten
29 Te weten die vers 17 genoemd staan. verwijsteksten
 
19 En de kinderen van de 30huisvrouw Hodía, de zuster van Naham, waren Abi-Kehíla, de Garmiet, en Estemóa, de Maächatiet.
30 Anders: de Joodse.
 
20 De kinderen van Simon nu waren Amnon en Rinna, Ben-Hanan en 31Tilon; en de kinderen van Jiseï waren Zoheth en Ben-Zoheth.
31 Anders: Tulon.
 
21 cDe kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Marésa; en de huisgezinnen van het huis der 32linnenwerkers in het huis van Asbéa.
c Gen. 38:5. verwijsteksten
32 Dat is, dergenen die daar arbeiden in kostelijk fijn lijnwaad, dat men van fijn Egyptisch vlas maakte. Dit vlas was zo fijn als zijde, en daarom vertalen enigen hier: handwerkers in zijde, of: zijdewerkers.
 
22 Daartoe Jokim en de mannen van 33Chozéba en Joas en Saraf 34(die over de Moabieten geheerst hebben) en Jasúbi-Léhem; 35doch deze dingen zijn oud.
33 Deze stad wordt Chezib genoemd Gen. 38:5. Zie de aant. aldaar. verwijsteksten
34 Dat is, die in des konings plaats over de Moabieten geheerst hebben.
35 Alsof hij zeide: Het is onnodig veel van deze dingen te zeggen of te schrijven, want ofschoon velen van dezen in hun tijd treffelijke mannen geweest zijn, zo zijn hun nakomelingen zulke slechte en kleinhartige personen geweest, dat zij liever pottenbakkers, hoveniers, enz., geworden zijn, dan dat zij in hun land wederkerende, hun vaderlijke vrijheid zouden behouden hebben, gelijk vers 23 verhaald wordt. verwijsteksten
 
23 Dezen waren pottenbakkers, wonende bij plantages en 36tuinen; zij zijn daar gebleven 37bij den koning 38in zijn werk.
36 Of: heggen, heiningen.
37 Sommigen verstaan hier den koning der Moabieten, uit vers 22; anderen den koning van Babylonië, met dien verstande, dat de nakomelingen van Sela liever in Babylonië zijn gebleven dienende, dan dat zij te huis komende hun vrijheid zouden genoten hebben; en daaruit besluiten die, dat dit boek door Ezra geschreven is, na de Babylonische gevangenis. Anderen verstaan hier door het woord koning den koning van Juda, denwelken de nakomelingen van Sela dien dienst zouden gedaan hebben, dat zij de hoven der koningen van Juda en hun plantage hebben waargenomen en verzorgd. verwijsteksten
38 Te weten in het beplanten zijner hoven.
 
De kinderen van Simeon
24 De kinderen van Simeon waren 39Nemuël en Jamin, 40Jarib, 41Zerah, Saul.
39 Anders: Jemuël.
40 Anders: Jachin.
41 Anders: Zohar. Zie van deze drie Gen. 46:10. verwijsteksten
 
25 Sallum was zijn zoon; 42Mibsam was zijn zoon; Misma was zijn zoon.
42 Zie Gen. 25:13. verwijsteksten
 
26 De kinderen van Misma waren dezen: Hámmuël zijn zoon, Zakkur zijn zoon, Simeï zijn zoon.
27 Simeï nu had zestien zonen en zes dochters, maar zijn broeders hadden niet vele kinderen; en hun ganse huisgezin werd 43zozeer niet vermenigvuldigd als van de kinderen van Juda.
43 Hebr. niet vermenigvuldigd tot de kinderen van Juda toe.
 
28 En 44zij woonden te Berséba en te Mólada en te Hazar-Sual,
44 Zie Joz. 19:2, waar deze steden ook genoemd staan, alhoewel in de namen derzelve wat verandering valt. verwijsteksten
 
29 En te Bilha en te Ezem en te Tholad,
30 En te Béthuël en te Horma en te Ziklag,
31 En te Beth-Markabôth en te Hazar-Susim en te Bethbíri en te Saäráïm. Dit waren hun steden, 45totdat David koning werd.
45 Anders: zolang als David regeerde. Versta dit alzo: te weten zolang als David en zijn nakomelingen regeerden, en het koninkrijk van Juda nog stond, namelijk tot de Babylonische wegvoering; maar als dat is verstoord geworden, zo zijn ook de nakomelingen van Simeon (die in den stam van Juda woonden) uit hun woningen verstoord en verdreven.
 
32 En hun dorpen waren Etam en Ain, Rimmon en Tochen en Asan; vijf 46steden,
46 Te weten onbemuurde. Anders kan men het voorgaande dus nemen: En benevens hun dorpen waren Etam en enz., vijf steden.
 
33 En al hun dorpen die in den omloop dezer steden waren, tot Baäl toe. Dit zijn hun woningen en hun geslachtsrekening voor hen.
34 Doch Mesóbab en Jamlech en Josa, de zoon van Amázia,
35 En Joël en Jehu, de zoon van Jesibja, den zoon van Serája, den zoon van Asíël,
36 En Eljóënai en Jaäkóba en Jesohája en Asája en Adíël en Jesímeël en Benája,
37 En Ziza, de zoon van Sifi, den zoon van Allon, den zoon van Jedája, den zoon van Simri, den zoon van Semája;
38 47Dezen 48kwamen tot namen, zijnde vorsten in hun huisgezinnen, en de 49huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte.
47 Te weten, die van het 34ste vers af tot hiertoe genoemd staan.
48 Dat is, zij zijn vermaarde mannen geworden.
49 Dat is, zij werden grotelijks vermenigvuldigd.
 
39 En zij gingen tot aan den ingang van 50Gedor tot het oosten 51des dals, om weide te zoeken voor hun schapen.
50 Anders: Gedera of Gederothaïm, Joz. 15:36. verwijsteksten
51 Versta hier dat dal, hetwelk van Efes Dammim reikte tot Ekron toe, als af te leiden is uit 1 Sam. 17:1, 52. verwijsteksten
 
40 En zij vonden vette en goede weide, en een land, 52wijd van ruimte, en stil en gerust; want 53die van Cham woonden daar tevoren.
52 Hebr. wijd van handen.
53 Dit wordt hier bijgezet om te tonen dat de Israëlieten recht en reden hadden deze steden in te nemen en de oude inwoners daaruit te drijven, te weten, omdat de nakomelingen van den vervloekten Cham die hadden ingenomen. Zie van Cham Gen. 9:25. verwijsteksten
 
41 Dezen nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkía, den koning van Juda, en zij sloegen de tenten en woningen 54dergenen die daar gevonden werden, en zij 55verbanden hen, 56tot op dezen dag, en zij woonden aan hun plaats; want daar was weide voor hun schapen.
54 Te weten de tenten der Chamieten, en versta hier de inwoners der tenten en der woningen.
55 Dat is, zij roeiden hen uit, als hetgeen dat van God verbannen is.
56 Te weten, in welken dit beschreven is; versta: tot de tijden van Ezra, die dit boek beschreven heeft, omtrent welken tijd het rijk van David en zijn nakomelingen een einde genomen heeft. Zie de aant. op vers 31. verwijsteksten
 
42 Ook gingen uit hen, te weten uit de kinderen van Simeon, vijfhonderd mannen tot het gebergte van Seïr; en Pelátja en Neárja en Refája en Uzziël, de zonen van Jiseï, waren hun tot hoofden.
43 En zij sloegen 57de overigen der ontkomenen onder de Amalekieten, en zij woonden aldaar tot op dezen dag.
57 Te weten die die overgebleven en ontslopen waren, als hen Saul uitroeide, 1 Sam. 14:48. En die daarna ook Davids handen ontkomen waren, 2 Sam. 8:12. verwijsteksten

Einde 1 Kronieken 4