Statenvertaling.nl

sample header image

1 Kronieken 29 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

1 Kronieken 29

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Gaven voor den tempelbouw
1 VERDER zeide de koning David tot de ganse gemeente: God heeft mijn zoon Sálomo alleen verkoren, een jongeling en teder; dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor een mens, maar voor God den HEERE.
2 Ik nu heb uit al mijn kracht bereid tot het huis mijns Gods, goud tot gouden en zilver tot zilveren en koper tot koperen, ijzer tot ijzeren en hout tot houten werken; sardonyxstenen en vervullende stenen, versierstenen en borduursel, en allerlei kostelijke stenen en marmerstenen in menigte.
3 En daartoe, uit mijn welgevallen tot het huis mijns Gods, het bijzonder goud en zilver dat ik heb, geef ik tot het huis mijns Gods daarenboven, behalve al wat ik ten huize des heiligdoms bereid heb:
4 Drieduizend talenten goud, van het goud van Ofir, en zevenduizend talenten gelouterd zilver, om de wanden der huizen te overtrekken;
5 Goud tot de gouden en zilver tot de zilveren vaten, en tot alle werk, door de hand der werkmeesters te maken. En wie is er willig, heden zijn hand den HEERE te vullen?
6 Toen gaven vrijwillig de oversten der vaderen en de oversten der stammen Israëls en de oversten der duizenden en der honderden en de oversten van het werk des konings;
7 En zij gaven tot den dienst van het huis Gods vijfduizend talenten goud en tienduizend drachmen en tienduizend talenten zilver en achttienduizend talenten koper, en honderdduizend talenten ijzer.
8 En bij wien stenen gevonden werden, die gaven zij in den schat van het huis des HEEREN, onder de hand van Jehíël, den Gersoniet.
9 En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven, want zij gaven met een volkomen hart den HEERE vrijwillig; en de koning David verblijdde zich ook met grote blijdschap.
 
Dankgebed van David
10 Daarom loofde David den HEERE voor de ogen der ganse gemeente; en David zeide: Geloofd zijt Gij, HEERE, God van onzen vader Israël, van eeuwigheid tot in eeuwigheid.
11 aUwe, o HEERE, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want alles wat in den hemel en op de aarde is, is Uwe; Uwe, o HEERE, is het Koninkrijk, en Gij hebt U verhoogd tot een Hoofd boven alles. a Matth. 6:13. 1 Tim. 1:17. Openb. 5:13. verwijsteksten
12 En rijkdom en eer zijn voor Uw aangezicht, en Gij heerst over alles, en in Uw hand is kracht en macht; ook staat het in Uw hand alles groot te maken en sterk te maken.
13 Nu dan, onze God, wij danken U, en loven den Naam Uwer heerlijkheid.
14 Want wie ben ik en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben om vrijwillig te geven als dit is? Want het is alles van U en wij geven het U uit Uw hand.
15 Want wij zijn vreemdelingen en bijwoners voor Uw aangezicht, gelijk al onze vaders; onze dagen op aarde zijn bals een schaduw, en er is geen verwachting. b Ps. 90:9; 102:12. verwijsteksten
16 HEERE onze God, al deze menigte die wij bereid hebben om U een huis te bouwen, den Naam Uwer heiligheid, dat is van Uw hand en het is alles Uwe.
17 En ik weet, mijn God, dat Gij chet hart proeft en dat Gij een welgevallen hebt aan oprechtheden. Ik heb in oprechtheid mijns harten al deze dingen vrijwillig gegeven en ik heb nu met vreugde Uw volk dat hier bevonden wordt, gezien, dat het zich jegens U vrijwillig gedragen heeft. c 1 Kron. 28:9. verwijsteksten
18 O HEERE, Gij God van onze vaderen Abraham, Izak en Israël, bewaar dit in der eeuwigheid in den zin der gedachten van het hart Uws volks, en richt hun hart tot U.
19 En geef mijn zoon Sálomo een volkomen hart, om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw inzettingen; en om alles te doen en om dit paleis te bouwen, hetwelk ik bereid heb.
20 Daarna zeide David tot de ganse gemeente: Looft nu den HEERE uw God. Toen loofde de ganse gemeente den HEERE, den God hunner vaderen, en zij neigden het hoofd en zij bogen zich neder voor den HEERE en voor den koning.
 
Sálomo en Zadok gezalfd
21 En zij offerden den HEERE slachtoffers; ook offerden zij den HEERE brandoffers, des anderen morgens van dien dag, duizend varren, duizend rammen, duizend lammeren, met hun drankoffers; en slachtoffers in menigte, voor gans Israël.
22 En zij aten en dronken deszelven daags voor het aangezicht des HEEREN met grote vreugde; en zij maakten Sálomo, den zoon van David, ten anderen male koning en zij zalfden hem den HEERE tot voorganger en Zadok tot priester.
23 Alzo zat Sálomo op den troon des HEEREN als koning in de plaats van zijn vader David, en hij was voorspoedig, en gans Israël hoorde naar hem.
24 En al de vorsten en helden, ja, ook al de zonen van den koning David, gaven de hand, dat zij onder den koning Sálomo zijn zouden.
25 En de HEERE maakte Sálomo groot ten hoogste voor de ogen van gans Israël; en Hij gaf aan hem een koninklijke majesteit, zodanige aan geen koning van Israël vóór hem geweest is.
 
David sterft
26 Zo heeft dan David, de zoon van Isaï, geregeerd over gans Israël.
27 De dagen nu die hij geregeerd heeft over Israël, zijn dveertig jaar: te eHebron regeerde hij zeven jaren en te Jeruzalem regeerde hij drie en dertig. d 1 Kon. 2:11. e 2 Sam. 5:5. verwijsteksten
28 En hij stierf in goeden ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eer; en zijn zoon Sálomo regeerde in zijn plaats.
29 De geschiedenissen nu van den koning David, de eerste en de laatste, zie, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Samuël, den ziener, en in de geschiedenissen van den profeet Nathan en in de geschiedenissen van Gad, den ziener;
30 Met al zijn koninkrijk en zijn macht, en de tijden die over hem verlopen zijn, en over Israël en over al de koninkrijken der landen.

Einde 1 Kronieken 29