Statenvertaling.nl

sample header image

1 Kronieken 14 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

1 Kronieken 14

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De koning Hiram zendt boden aan David, met timmerlieden en cederhout, vs. 1. David neemt toe in macht, 2. Hij neemt meer vrouwen, en krijgt vele kinderen, 3. Hun namen, 4. De Filistijnen trekken op ten strijde tegen David, en David tegen hen, 8. David vraagt God wat hij doen zal; Die beveelt hem op te trekken, met belofte van victorie, 10. David slaat hen, en noemt die plaats Baäl-Perazim, 11. David laat hun afgoden verbranden, 12. De Filistijnen hervatten den krijg, 13. David vraagt wederom den Heere, Die hem zegt wat hij doen zou, 14. Hem tegelijk Zijn hulp toezeggende, 15. David slaat de Filistijnen ten tweeden male, 16. Waarvan hij een groten naam krijgt, en wordt overal gevreesd, 17.
 
Davids macht en gezin
1 TOEN azond Hiram, de koning van Tyrus, boden tot David, en cederhout en metselaars en timmerlieden, dat zij hem een huis bouwden.
a 2 Sam. 5:11. verwijsteksten
 
2 En David merkte dat hem de HEERE tot koning bevestigd had over Israël; want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven om Zijns volks Israëls wil.
3 En David nam meer vrouwen te Jeruzalem, en David gewon meer zonen en dochters.
4 Dit bnu zijn de namen 1der kinderen die hij te Jeruzalem had: 2Sammúa en Sobab, Nathan en Sálomo,
b 1 Kron. 3:5. verwijsteksten
1 Anders: dergenen die hem geboren zijn te Jeruzalem.
2 1 Kronieken 3 is enige verandering in deze namen. verwijsteksten
 
5 En Jibchar en Elisúa en Elpélet,
6 En Noga en Nefeg en Jafía,
7 En Elisáma en 3Beëljada en Elifélet.
3 Eljada, 2 Sam. 5:16. verwijsteksten
 
David verslaat de Filistijnen
8 Toen de Filistijnen hoorden dat David ten koning gezalfd was over het ganse Israël, 4zo togen al de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, 5zo toog hij uit tegen hen.
4 Te weten met heirkracht, om hem den krijg aan te doen.
5 Dat is, hij wachtte niet dat zij hem den oorlog in zijn eigen land zouden komen aandoen, maar last van God gekregen hebbende, trok hun zelf tegemoet. Vgl. 2 Sam. 5:17, 19. verwijsteksten
 
9 Toen de Filistijnen kwamen, zo spreidden zij zich uit 6in de laagte van Refaïm.
6 Zie Joz. 15:8. 2 Sam. 5:18. Zij lag in den stam van Juda. verwijsteksten
 
10 Toen 7vraagde David God, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen en zult Gij hen in mijn hand geven? En de HEERE zeide tot hem: Trek op, want Ik zal hen in uw hand geven.
7 Te weten door den hogepriester Abjathar, die den lijfrok aandeed, enz. Zie 1 Sam. 23:9; 30:7. verwijsteksten
 
11 Toen 8zij nu optogen naar 9Baäl-Perázim, zo sloeg hen David daar, en David zeide: 10God heeft mijn vijanden door mijn hand gescheurd als een scheur der wateren. Daarom noemden zij den naam derzelver plaats Baäl-Perázim.
8 Te weten de Israëlieten.
9 Dat is, scheurplaatsen, of retenpleinen, of: den Heere der scheuringen, of der reten.
10 Zie 2 Sam. 5 op vers 20. verwijsteksten
 
12 En daar lieten zij hun 11goden; en David 12gebood en zij werden met vuur verbrand.
11 2 Sam. 5:21 worden zij afgoden genoemd. verwijsteksten
12 Hebr. zeide.
 
13 Doch de Filistijnen voeren nog voort en zij verspreidden zich 13in dat dal.
13 Versta het dal Refaïm, waar zij vijandelijk ingevallen waren, vers 9. verwijsteksten
 
14 En David vraagde God nog eens, en God zeide tot hem: Gij zult niet optrekken achter hen heen; maar 14omsingel hen van boven en kom tot hen tegenover de moerbeziebomen.
14 Of: trek om van hen af. Vgl. 2 Sam. 5:23. verwijsteksten
 
15 En het zal geschieden als gij hoort 15het geruis van een gang in 16de toppen der moerbeziebomen, kom dan uit ten strijde; want God zal voor uw aangezicht uitgegaan zijn om het leger der Filistijnen te slaan.
15 Dat is, een geruis alsof iemand op de toppen der bomen wandelde. Zie 2 Sam. 5:24. Sommigen verstaan dit van de gang der engelen, die voor de Israëlieten strijden zouden. verwijsteksten
16 Hebr. in de hoofden.
 
16 David nu deed gelijk als hem God geboden had; en zij sloegen het heir der Filistijnen van Gíbeon af tot aan Gezer.
17 Alzo ging Davids naam uit in al de landen; en 17de HEERE 18gaf zijn verschrikking over al de heidenen.
17 Dat is, God maakte dat vele heidense natiën een schrik en vrees voor David hadden.
18 Anders: bracht.

Einde 1 Kronieken 14