Statenvertaling.nl

sample header image

2 Koningen 8 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Koningen 8

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

De Sunamitische vrouw, om zekere duurte het land door Elisa’s raad geruimd hebbende, keert weder, vs. 1, enz. En krijgt al haar goed weder, door last des konings, 4. Elisa voorzegt den dood van Benhadad, 7. En de regering van Hazaël over Syrië, 12. Joram wordt koning na Josafat, 16. Verlaat den Heere, 18. Dies vallen de Edomieten van hem af, en die van Libna, 20. Hij sterft, en Ahazia wordt koning in zijn plaats, 24. Hij houdt vriendschap met Joram, den koning van Israël, 28.
 
Joram helpt de Sunamitische
1 ELÍSA nu had gesproken tot die vrouw welker azoon hij levend gemaakt had, zeggende: Maak u op en ga heen, gij en uw 1huisgezin, en verkeer als vreemdeling waar gij verkeren kunt; want de HEERE 2heeft een honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal.
a 2 Kon. 4:34. verwijsteksten
1 Hebr. huis. Zie Gen. 7 op vers 1. verwijsteksten
2 Dat is, heeft naar Zijn gerechtigheid een duren tijd over het land gezonden, als Zijn dienaar en scherprechter om Zijn straffen uit te voeren. Zie mede Ps. 105:16. Zo wordt God ook gezegd andere plagen te roepen, even alsof zij levende en redelijke schepselen waren, bekwaam om te verstaan en willig om te gehoorzamen, Jer. 25:29. Hagg. 1:11. verwijsteksten
 
2 En de vrouw had zich opgemaakt en had gedaan naar het woord van den man Gods; want zij was gegaan met haar huisgezin en had als vreemdeling verkeerd in het land der Filistijnen, zeven jaren.
3 En het geschiedde met het einde der zeven jaren, dat de vrouw uit het land der Filistijnen wederkeerde; en zij ging uit, dat zij tot den koning 3riep om haar huis en om haar akker.
3 Dat is, ernstiglijk en met aanhouding verzocht, om haar huis en land, dat enigen in haar afwezen bezeten hadden, weder te krijgen. Vgl. het volgende zesde vers.
 
4 De koning nu sprak tot 4Gehazi, den jongen van den man Gods, zeggende: Vertel mij toch al 5de grote dingen die Elísa gedaan heeft.
4 Het schijnt dat dit geschied is vóór de historie van Naäman, den Syriër, en de melaatsheid van Gehazi, waarvan men zien kan 2 Koningen 5, omdat niemand lichtelijk sprak met de melaatsen, die van het gezelschap der mensen door Gods wet afgezonderd waren, Lev. 13:46. Anderen menen dat deze wet de samenwoning alleen verbood, en niet de aanspraak, die de Israëlieten, 2 Kon. 7:10, zowel als de heidenen, 2 Kon. 5:4, 5, toegelaten hebben. verwijsteksten
5 Dat is, wonderen en wonderwerken, die deze afgodische koning niet uit waar geloof, maar uit ijdele nieuwsgierigheid zocht te horen.
 
5 En het geschiedde als hij den koning vertelde, hoe hij een dode had levend gemaakt, zie, zo riep de vrouw welker zoon hij levend gemaakt had, tot den koning om haar huis en om haar akker. Toen zeide Gehazi: Mijn heer koning, dit is de vrouw en dit is haar zoon, dien Elísa heeft levend gemaakt.
6 En de koning 6ondervraagde de vrouw en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar een 7kamerling, zeggende: Doe haar wederhebben alles wat hare was, daartoe alle inkomsten des akkers, van den dag af dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe.
6 Te weten, of haar zoon van Elisa was van den dood opgewekt geweest.
7 Zie Gen. 37 op vers 36. verwijsteksten
 
Házaël koning van Syrië
7 Daarna kwam Elísa te 8Damascus, als Benhadad, de koning van Syrië, krank was; en men boodschapte hem, zeggende: De man Gods is herwaarts gekomen.
8 Zie Gen. 14 op vers 15. verwijsteksten
 
8 Toen zeide de koning tot Házaël: 9Neem een geschenk 10in uw hand ben ga den man Gods tegemoet; en vraag door hem den HEERE, zeggende: Zal ik van deze krankheid 11genezen?
9 Zie 1 Kon. 14 op vers 3. verwijsteksten
10 Dat is, met u. Zie 2 Kon. 5 op vers 5. Alzo in het volgende vers. verwijsteksten
b 1 Kon. 14:2, 3. 2 Kon. 1:2. verwijsteksten
11 Hebr. leven. Alzo vss. 9, 10, 14. Num. 21:8. Joz. 5:8. Joh. 4:50. verwijsteksten
 
9 Zo ging Házaël hem tegemoet en nam een geschenk in zijn hand, te weten 12alle goed van Damascus, een last van veertig kemels; en hij kwam en stond voor zijn aangezicht en zeide: 13Uw zoon Benhadad, de koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden om te zeggen: Zal ik van deze krankheid genezen?
12 Dat is, allerlei.
13 Dat is, die u eert als zijn vader. Alzo heeft de koning Joram dezen profeet zijn vader genoemd, 2 Kon. 6:21. verwijsteksten
 
10 En Elísa zeide tot hem: Ga, zeg: 14Gij zult ganselijk niet genezen. Want de HEERE heeft mij getoond, dat hij 15den dood sterven zal.
14 Hebr. Gij zult levend niet leven. Anders aldus: Zeg hem: Gij zult levend leven. Verstaande dit spottenderwijze gesproken. Vgl. 1 Kon. 22:15. De woorden worden ook vertaald aldus: Gij zoudt kunnen zekerlijk genezen. En de zin is dan, dat de ziekte van Benhadad wel uit haar natuur niet was ter dood, zodat hij daarvan zou hebben kunnen opstaan, maar dat hij evenwel sterven zou door een andere manier, eer de ziekte een einde zou nemen. Zie vers 15. verwijsteksten
15 Hebr. stervende sterven.
 
11 En 16hij hield zijn gezicht staande en zette het vast, 17tot schamens toe; en de man Gods 18weende.
16 Te weten de profeet, die zijn ogen op Hazaël geslagen hebbende, dezelve zo lang op hem hield, totdat hij zich schaamde langer op hem te zien, of totdat Hazaël beschaamd werd zo lang bezien te worden. Anderen verstaan dit aldus, dat de profeet zijn aangezicht niet op Hazaël, maar op iets anders vastgehouden heeft, zijnde in de aanmerking der wreedheid, die Hazaël tegen Israël bedrijven zou, totdat hem, ofschoon hij zich poogde in te houden, daarover de tranen ontgaan zijn. Naar de andere overzetting nemen het sommigen van Hazaël, als dat hij zijn aangezicht op den profeet gesteld zou hebben, verwonderd zijnde waarom hij hem scheen strijdende dingen te belasten, om die zijn heer Benhadad aan te dienen.
17 Zie van deze manier van spreken ook Richt. 3:25. 2 Kon. 2:17. Anders: langen tijd, of: tot vertraging. verwijsteksten
18 Uit oorzaak van het kwaad, dat hij door Gods openbaring voorzag den kinderen Israëls door middel van Hazaël te zullen overkomen. Vgl. Jer. 14:17. Luk. 19:41. verwijsteksten
 
12 Toen zeide Házaël: Waarom weent mijn heer? En hij zeide: cOmdat ik weet wat kwaad gij den kinderen Israëls doen zult; gij zult hun sterkten in het vuur zetten en hun jongemanschap met het zwaard doden en hun jonge kinderen verpletteren en hun zwangere vrouwen opensnijden.
c 2 Kon. 10:32; 12:17; 13:7. verwijsteksten
 
13 En Házaël zeide: Maar wat is uw knecht, die 19een hond is, dat hij deze grote zaak doen zou? En Elísa zeide: 20De HEERE heeft mij getoond, dat gij koning zijn zult over Syrië.
19 Dat is, gans onwaardig, veracht en onvermogende. Vgl. 1 Sam. 24:15. 2 Sam. 3:8; 9:8. Job 30:1. Anders: wat is uw knecht? een hond? Dat is, zo wreed, fel, moorddadig en onbarmhartig als een hond. Zo worden de wreden en bloeddorstigen bij honden vergeleken Ps. 22:17, 21; 59:7. verwijsteksten
20 Vgl. 1 Kon. 19:15. verwijsteksten
 
14 Zo ging hij weg van Elísa en kwam tot zijn 21heer, die tot hem zeide: Wat heeft Elísa tot u gezegd? En hij zeide: Hij heeft tot mij gezegd: 22Gij zult zekerlijk genezen.
21 Den koning van Syrië.
22 Hebr. Levend zijnde zult gij leven, dat is, zekerlijk genezen. Hij verhaalt het tegendeel van hetgeen Elisa hem gezegd had, volgens de overzetting van vers 10. verwijsteksten
 
15 En het geschiedde des anderen daags, dat hij een deken nam en in het water doopte en over 23zijn aangezicht uitspreidde, dat hij stierf; en Házaël werd koning in zijn plaats.
23 Namelijk van den koning Benhadad. Dit heeft Hazaël gedaan met voorbedachten rade, om hem den dood aan te brengen.
 
Jehóram koning van Juda
16 dIn het 24vijfde jaar nu van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, 25toen Jósafat koning was van Juda, begon Jehóram, de zoon van Jósafat, den koning van Juda, te regeren.
d 2 Kron. 21:4, 5. verwijsteksten
24 Hetwelk was het twee en twintigste jaar van het koninkrijk van Josafat. Vgl. 2 Kon. 3:1. verwijsteksten
25 Want nog in het leven zijnde en het recht van den koninklijken stoel behoudende, had hij zijn zoon zijn stadhouder gemaakt en met hem enige jaren geregeerd. Vgl. hiermede de aant. 1 Kon. 22:42 en 2 Kon. 1:17. verwijsteksten
 
17 Hij was twee en dertig jaren oud toen hij koning werd; en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.
18 En hij wandelde op den weg der koningen van Israël, gelijk als het huis van Achab deed; want de 26dochter van Achab was hem ter vrouw geworden; en 27hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN.
26 Genaamd Athalia vers 26, alwaar zij wordt gezegd de dochter van Omri, omdat deze Achabs vader was, en dienvolgens haar grootvader. verwijsteksten
27 Zie 1 Kon. 11 op vers 6. verwijsteksten
 
19 Doch de HEERE wilde Juda niet verderven, 28om Davids, Zijns knechts wil; egelijk als Hij hem gezegd had, dat Hij hem 29te allen tijde voor zijn zonen een 30lamp zou geven.
28 Zie 1 Kon. 11 op vers 12. verwijsteksten
e 2 Sam. 7:13. 1 Kon. 11:36; 15:4. Ps. 132:17. verwijsteksten
29 Hebr. alle dagen. Zie 1 Kon. 11 op vers 36. verwijsteksten
30 Zie 1 Kon. 11 op vers 36. verwijsteksten
 
20 fIn zijn dagen 31vielen de Edomieten van onder 32het gebied van Juda af, en maakten een 33koning over zich.
f Gen. 27:40. 2 Kron. 21:8. verwijsteksten
31 Aldus werd vervuld de voorzegging van Izak, Gen. 27:40. verwijsteksten
32 Hebr. hand, dat is, macht en gebied. Alzo vers 22. Zie Gen. 16 op vers 6. verwijsteksten
33 Want van den tijd van David af was er geen koning onder hen geweest, maar een koningsstadhouder, ingezet van den koning van Juda. Zie 1 Kon. 22:48 en de aant. daarop. verwijsteksten
 
21 Daarom toog Joram over naar 34Zaïr en al de wagens met hem; en hij maakte zich des nachts op en sloeg de Edomieten, die rondom hem waren, daartoe de oversten der wagens; en het volk vlood in zijn hutten.
34 Hebr. Tsair. De naam van een stad of plaats in Idumea gelegen.
 
22 De Edomieten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af 35tot op dezen dag; toen viel 36Libna af in denzelven tijd.
35 Dat is, welke afval duurt tot op dezen dag, in denwelken dit boek is geschreven geweest.
36 Een stad gelegen in den stam van Juda, Joz. 15:42, en den priesters te bewonen gegeven, Joz. 21:13. De oorzaak van haar afval was, omdat Joram den Heere, den God zijner vaderen, verlaten had, 2 Kron. 21:10. Door dezen afval werd Joram verhinderd zijn victorie tegen de Edomieten te vervolgen, waardoor zij in hun afval gebleven zijn. verwijsteksten
 
23 Het overige nu der geschiedenissen van Joram, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven 37in het boek der kronieken der koningen van Juda?
37 Zie 1 Kon. 14 op vers 29. verwijsteksten
 
24 En gJoram 38ontsliep met zijn vaderen en werd 39begraven bij zijn vaderen in de stad Davids; en Aházia, zijn zoon, werd koning in zijn plaats.
g 2 Kron. 21:19. verwijsteksten
38 Zie Deut. 31 op vers 16. 1 Kon. 1 op vers 21. verwijsteksten
39 Doch niet in de graven der koningen, maar in een eigen graf, afgezonderd van de andere en zonder de gewoonlijke verering. Zie 2 Kron. 21:19, 20. verwijsteksten
 
Aházia koning van Juda
25 In het twaalfde jaar van Joram, den zoon van Achab, den koning van Israël, hbegon Aházia, de zoon van Jehóram, den koning van Juda, 40te regeren.
h 2 Kron. 22:1. verwijsteksten
40 Hebr. regeerde.
 
26 Twee en twintig jaar was Aházia 41oud als hij koning werd, ien regeerde één jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athália, de 42dochter van Omri, den koning van Israël.
41 Hebr. een zoon van twee en twintig jaar.
i 2 Kron. 22:2. verwijsteksten
42 Versta zijns zoons dochter. Want deze Athalia was de dochter van Achab, vers 18, en Achab de zoon van Omri, 1 Kon. 16:28, 29. verwijsteksten
 
27 En hij 43wandelde in den weg van het huis van Achab en deed 44wat kwaad was in de ogen des HEEREN, gelijk het huis van Achab; want hij was een 45schoonzoon van het huis van Achab.
43 Zie 1 Kon. 15 op vers 26. verwijsteksten
44 Zie 1 Kon. 11 op vers 6. verwijsteksten
45 Te weten door het huwelijk van Athalia, de dochter van Achab, met Joram, den zoon van Josafat, den koning van Juda.
 
28 En hij toog met Joram, den zoon van Achab, naar den strijd te Ramoth in Gilead, tegen Házaël, den koning van Syrië; en de Syriërs 46sloegen Joram.
46 Dat is, wondden, of kwetsten.
 
29 Toen kkeerde Joram, de koning, weder, opdat hij zich te Jizreël helen liet van de slagen die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als hij streed tegen Házaël, den koning van Syrië; en lAházia, de zoon van Jehóram, de koning van Juda, kwam af om Joram, den zoon van Achab, te Jizreël te bezien, want hij was krank.
k 2 Kon. 9:15. verwijsteksten
l 2 Kron. 22:6, 7. verwijsteksten

Einde 2 Koningen 8