Statenvertaling.nl

sample header image

2 Koningen 6 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Koningen 6

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

1 EN de kinderen der profeten zeiden tot Elísa: Zie nu, de plaats waar wij wonen voor uw aangezicht, is voor ons te eng.
2 Laat ons toch tot aan de Jordaan gaan en elk vandaar een timmerhout halen, dat wij ons daar een plaats maken om er te wonen. En hij zeide: Gaat heen.
3 En er zeide een: Het believe u toch te gaan met uw knechten. En hij zeide: Ik zal gaan.
4 Zo ging hij met hen. Als zij nu aan de Jordaan gekomen waren, hieuwen zij hout af.
5 En het geschiedde als een het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep en zeide: Ach, mijn heer; want het was geleend.
6 En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af en wierp het daarheen en deed het ijzer bovenzwemmen.
7 En hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijn hand uit en nam het.
8 En de koning van Syrië voerde krijg tegen Israël, en beraadslaagde zich met zijn knechten, zeggende: Mijn legering zal zijn in de plaats van zulk een.
9 Maar de man Gods zond heen tot den koning van Israël, zeggende: Wacht u dat gij door die plaats niet trekt, want de Syriërs zijn daarheen afgekomen.
10 Daarom zond de koning van Israël heen aan die plaats waarvan hem de man Gods gezegd en hem gewaarschuwd had, en wachtte zich aldaar, niet eenmaal noch tweemaal.
11 Toen werd het hart des konings van Syrië onstuimig over dezen handel; en hij riep zijn knechten en zeide tot hen: Zult gij mij dan niet te kennen geven, wie van de onzen zij voor den koning van Israël?
12 En een van zijn knechten zeide: Neen, mijn heer koning; maar Elísa, de profeet die in Israël is, geeft den koning van Israël te kennen de woorden die gij in uw binnenste slaapkamer spreekt.
13 En hij zeide: Gaat heen en ziet waar hij is, dat ik zende en hem halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zie, hij is te Dothan.
14 Toen zond hij daarheen paarden en wagens en een zwaar heir, welke des nachts kwamen en omsingelden de stad.
15 En de dienaar van den man Gods stond zeer vroeg op en ging uit; en zie, een heir omringde de stad met paarden en wagens. Toen zeide zijn jongen tot hem: Ach, mijn heer! Hoe zullen wij doen?
16 En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn.
17 En Elísa bad en zeide: HEERE, open toch zijn ogen, dat hij zie. En de HEERE opende de ogen van den jongen, dat hij zag; en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elísa.
18 Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elísa tot den HEERE en zeide: Sla toch dit volk met verblindheden. En Hij sloeg hen met verblindheden, naar het woord van Elísa.
19 Toen zeide Elísa tot hen: Dit is de weg niet en dit is de stad niet; volgt mij na, en ik zal u leiden tot den man dien gij zoekt. En hij leidde hen naar Samaría.
20 En het geschiedde als zij te Samaría gekomen waren, dat Elísa zeide: HEERE, open de ogen van dezen, dat zij zien. En de HEERE opende hun ogen, dat zij zagen; en zie, zij waren in het midden van Samaría.
21 En de koning van Israël zeide tot Elísa, als hij hen zag: Zal ik hen slaan? Zal ik hen slaan, mijn vader?
22 Doch hij zeide: Gij zult hen niet slaan; zoudt gij ook slaan, die gij met uw zwaard en met uw boog gevangen hadt? Zet hun brood en water voor, dat zij eten en drinken en tot hun heer trekken.
23 En hij bereidde hun een groten maaltijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij hen gaan en zij trokken tot hun heer. Zo kwamen de benden der Syriërs niet meer in het land Israëls.
24 En het geschiedde daarna, dat Benhadad, de koning van Syrië, zijn gehele leger verzamelde, en optoog en Samaría belegerde.
25 En er werd grote honger in Samaría; want zie, zij belegerden haar, totdat een ezelskop voor tachtig zilverlingen was verkocht en een vierendeel van een kab duivenmest voor vijf zilverlingen.
26 En het geschiedde als de koning op den muur voorbijging, dat een vrouw tot hem riep, zeggende: Help mij, heer koning.
27 En hij zeide: De HEERE helpt u niet; waarvan zou ik u helpen? Van den dorsvloer of van de wijnpers?
28 Voorts zeide de koning tot haar: Wat is u? En zij zeide: Deze vrouw heeft tot mij gezegd: Geef uw zoon, dat wij hem heden eten, en morgen zullen wij mijn zoon eten.
29 Zo hebben wij mijn zoon gezoden en hebben hem gegeten; maar als ik des anderen daags tot haar zeide: Geef uw zoon, dat wij hem eten, zo heeft zij haar zoon verstoken.
30 En het geschiedde als de koning de woorden dezer vrouw gehoord had, dat hij zijn klederen scheurde, alzo hij op den muur voortging; en het volk zag, dat, zie, een zak van binnen over zijn vlees was.
31 En hij zeide: Zo doe mij God en doe zo daartoe, indien het hoofd van Elísa, den zoon van Safat, heden op hem zal blijven staan!
32 (Elísa nu zat in zijn huis en de oudsten zaten bij hem.) En hij zond een man van voor zijn aangezicht; maar eer de bode tot hem gekomen was, had hij gezegd tot de oudsten: Hebt gijlieden gezien, hoe die zoon des moordenaars gezonden heeft om mijn hoofd af te nemen? Ziet toe, als die bode komt, sluit de deur toe, en dringt hem uit met de deur; is niet het geruis der voeten zijns heren achter hem?
33 Als hij nog met hen sprak, zie, zo kwam de bode tot hem af; en hij zeide: Zie, dat kwaad is van den HEERE; wat zou ik verder op den HEERE wachten?

Einde 2 Koningen 6