Statenvertaling.nl

sample header image

2 Koningen 3 – Statenvertaling

Op deze pagina kunt u de Statenvertaling met kanttekeningen online raadplegen in de editie van de GBS (Gereformeerde Bijbelstichting).

Bijbelboek:    

Hoofdstuk: 1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22 23 24 25
Inleiding Bijbelboek
Weergave: Met kanttekeningenParallelZonder kanttekeningenAlleen Bijbeltekst

2 Koningen 3

Dit hoofdstuk voorgelezen (m):

 

Joram regeert, en volgt de zonde van Jerobeam, vs. 1, enz. Trekt in den strijd tegen de Moabieten, met Josafat, en met den koning van Edom, 4. Alzo zij gebrek van water krijgen, wordt God om raad gevraagd door den profeet Elisa, 10. God belooft water en overwinning der vijanden, 16. En volbrengt Zijn belofte, 20.
 
Joram strijdt tegen Moab
1 JORAM nu, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samaría in het 1achttiende jaar van Jósafat, den koning van Juda, en hij regeerde twaalf jaar.1 Hetwelk het tweede jaar was van Ahazia’s regering. Vgl. hiermede 2 Kon. 1:17, en de aant. verwijsteksten
2 En hij deed wat kwaad was in de ogen des HEEREN, doch niet gelijk zijn vader en gelijk zijn moeder; awant hij deed 2het opgerichte beeld van Baäl weg, hetwelk zijn vader gemaakt had.a 1 Kon. 16:32. verwijsteksten
2 Versta het opgerichte beeld van den afgod der Sidoniërs, door Achab te Samaria opgericht. Zie 1 Kon. 16:32. verwijsteksten
3 Evenwel hing hij 3de zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, aan, die Israël deed zondigen; hij week daarvan niet af.3 Want hij diende de gulden kalveren die Jerobeam had laten maken, 1 Kon. 12:28, 29, enz. verwijsteksten
4 Mesa nu, de koning der Moabieten, was een 4veehandelaar, en bracht op aan den koning van Israël honderdduizend lammeren en honderdduizend rammen, met de wol.4 Dat is, hij had groten handel en rijkdom in vee en beesten waarvan hij moest schatting geven, van dien tijd af dat David hem onder zijn geweld gebracht had, 2 Sam. 8:12. Nu, na de scheiding der tien stammen van het huis van Juda, hebben de koningen van Israël dit gebied over de Moabieten aan zich getrokken, gelijk de koningen van Juda ter andere zijde het gebied over de Edomieten behouden hebben, die onder Joram, den zoon van Josafat, zijn afvallig geworden, 2 Kon. 8:20, gelijk de Moabieten van Israël onder Joram, den zoon van Achab, in het volgende vers en 2 Kon. 1:1. verwijsteksten
5 Maar het geschiedde als Achab gestorven was, bdat de koning der Moabieten 5van den koning van Israël afviel.b 2 Kon. 1:1. verwijsteksten
5 Hebr. tegen den koning van Israël overtrad; alzo in het volgende. Deze afval was geschied onder de regering van zijn broeder Ahazia, na den dood van zijn vader Achab, 2 Kon. 1:1. verwijsteksten
6 Zo toog de koning Joram terzelfder tijd uit Samaría, en monsterde gans Israël.
7 En hij ging heen en zond tot Jósafat, den koning van Juda, zeggende: De koning der Moabieten is van 6mij afgevallen; zult gij met mij trekken in den oorlog tegen de Moabieten? En hij zeide: Ik zal opkomen; czo 7zal ik zijn gelijk gij zijt, zo mijn volk als uw volk, zo mijn paarden als uw paarden.6 Die de wettige opvolger ben in het koninkrijk mijns vaders, en daarom zulken afval mij moet aantrekken, hoewel hij hiertevoren geschied is. Zie 2 Kon. 1:1. verwijsteksten
c 1 Kon. 22:4. verwijsteksten
7 Vgl. 1 Kon. 22:4 en zie de aant. verwijsteksten
8 En 8hij zeide: Door welken weg zullen wij optrekken? Hij dan zeide: 9Door den weg der woestijn van Edom.8 Namelijk Josafat, die dit vraagde omdat hij den koning van Edom wilde medenemen. Men kan het ook verstaan van Joram, als zich willende beraden met Josafat.
9 Te weten om de Moabieten van achteren te bespringen.
9 Alzo toog de koning van Israël heen en de koning van Juda en de 10koning van Edom; en als zij zeven dagreizen omgetogen waren, zo had het leger en het vee 11dat hen navolgde, geen water.10 Die te dezen tijde nog de stadhouder was van den koning van Juda, 1 Kon. 22:48. Vgl. hiermede de aant. op vers 4. Hij wordt hier een koning genoemd omdat hij de plaats van een koning bewaarde; gelijk dit woord elders ook voor een gouverneur of regeerder genomen wordt. Zie Richt. 17 op vers 6. verwijsteksten
11 Hebr. dat in, of aan hun voeten was. Zie Richt. 4 op vers 10. verwijsteksten
10 Toen zeide de koning van Israël: Ach, dat de HEERE deze drie koningen geroepen heeft om die in der Moabieten hand te geven!
11 En Jósafat zeide: dIs hier geen profeet des HEEREN, dat wij door hem den HEERE mochten vragen? Toen antwoordde een van de knechten des konings van Israël en zeide: Hier is Elísa, de zoon van Safat, 12die water op Elía’s handen goot.d 1 Kon. 22:7. verwijsteksten
12 Dat is, die Elia diende. Want dit is een van de diensten die de knechten of dienaren hun heren plegen te doen.
12 En Jósafat zeide: 13Des HEEREN woord is bij hem. Zo togen 14tot hem af de koning van Israël en Jósafat en de koning van Edom.13 Hij wil zeggen dat hij een trouw profeet van den waren God was, en dienvolgens vanwege den Heere hun goeden raad zou kunnen geven.
14 Namelijk tot Elisa, denwelken men meent door Gods drijving het leger gevolgd en niet ver vandaar buiten het leger geweest te zijn.
13 Maar Elísa zeide tot den koning van Israël: 15Wat heb ik met u te doen? eGa heen tot de 16profeten uws vaders en tot de profeten uwer moeder. Doch de koning van Israël zeide tot hem: 17Neen, 18want de HEERE heeft deze drie koningen geroepen om die in der Moabieten hand te geven.15 Hebr. Wat mij en u? Alzo 2 Sam. 16:10. Mark. 1:24. Luk. 4:34. Joh. 2:4. verwijsteksten
e 1 Kon. 18:19. verwijsteksten
16 Versta, tot de overige profeten van Baäl, van het afgodische woud, en van de kalveren Jerobeams. Van zodanigen zie 1 Kon. 18:19. verwijsteksten
17 Dat is, roer die dingen niet aan, of rep daar niet van.
18 Hij wil zeggen, dat de reden om dewelke zij zijn raad verzochten, zeer gewichtig was, zijnde door den tegenwoordigen nood niet alleen zijn leven, maar ook der twee andere koningen in het uiterste gevaar gebracht.
14 En Elísa zeide: Zo waarachtig als de HEERE der heirscharen leeft, 19voor fWiens aangezicht ik sta, 20zo ik niet het aangezicht van Jósafat, den koning van Juda, opnam, 21ik zou u niet aanschouwen, noch u aanzien.19 Dat is, Dien ik dien. Zie Deut. 10 op vers 8. verwijsteksten
f 1 Kon. 17:1. verwijsteksten
20 Dat is, zo ik zijn persoon, om zijner godzaligheid en vroomheid wil, met toegenegenheid en eerbied niet aanzag, enz. Zie Gen. 32 op vers 20. verwijsteksten
21 Hebr. zo ik u zou aanschouwen, of zo ik u zou aanzien!
15 Nu dan, 22brengt mij een 23speelman. En het geschiedde als de speelman op de snaren speelde, dat 24de hand des HEEREN op hem 25kwam.22 Hebr. neemt mij; alzo 2 Kon. 2:20. verwijsteksten
23 Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk een die op muzikale instrumenten speelt als harp, citer, luit, enz. Zodanig spel schijnt de profeet begeerd te hebben om zijn hart eensdeels te stillen over het ongenoegen dat hij tegen den koning Joram had, anderdeels door lofzangen en gebeden die men speelde, tot God op te heffen, en alzo zich te bereiden om hetgeen hem God openbaren zou, in een welbereid hart te ontvangen. Vgl. 1 Sam. 10:5. verwijsteksten
24 Versta door deze de kracht van profeteren, om dezen koningen raad te geven, en te voorzeggen wat er geschieden zou. Zulke krachten hadden de profeten niet te allen tijde, maar als het den Heere beliefde die hun te verlenen. Zie 2 Kon. 4:27. Ez. 1 op vers 3. Hoewel zij met vasten, zingen, bidden en lezen van de Heilige Schrift zich bereiden moesten om die te ontvangen, Dan. 2:17, 18. verwijsteksten
25 Hebr. was, of werd.
16 En hij zeide: Zo zegt de HEERE: Maakt in dit dal vele 26grachten.26 Hebr. grachten, grachten, dat is, vele grachten, hier en daar. Zie van deze verdubbeling van een woord Gen. 14 op vers 10. verwijsteksten
17 Want zo zegt de HEERE: Gijlieden zult geen wind zien en gij zult geen regen zien; nochtans zal dit dal met water vervuld worden, zodat gij zult drinken, gij en 27uw vee en uw beesten.27 Zie Gen. 36 op vers 6. verwijsteksten
18 Daartoe is dat 28slecht in de ogen des HEEREN; Hij zal ook de Moabieten in ulieder hand geven.28 Hebr. licht, dat is, boven de weldaad die gij begeerd hebt, te weten overvloed van water, zal u de Heere nog geven wat gij niet begeerd hebt: victorie over uw vijanden.
19 29En gij zult alle vaste steden en alle uitgelezen steden slaan en zult alle 30goede bomen vellen en zult alle waterfonteinen stoppen; en alle goede stukken land zult gij 31met stenen 32verderven.29 Dit is niet alleen een bevel van hetgeen dat zij doen moesten, maar ook een belofte van hetgeen zij daarmede uitrichten zouden tot hun profijt en afbreuk der vijanden.
30 Dat is een speciaal bevel, uitgenomen van den gemenen regel, Deut. 20:19, of deze regel is te verstaan alleen van de langdurige belegering van enige stad, en niet van de haastige verwoesting van een land. verwijsteksten
31 Dat is, met stenen daarop te werpen onvruchtbaar en onbruikbaar maken, zodat het door deze verwoesting daarmede zal zijn als met een mens die van allen beschadigd en verlaten zijnde, treurt en kweelt.
32 Hebr. doen treuren, of wee doen.
20 En het geschiedde des morgens 33als men het spijsoffer offert, dat er, zie, water door den weg van Edom kwam, en het land met water vervuld werd.33 Zie 1 Kon. 18 op vers 29. verwijsteksten
21 Toen nu al de Moabieten hoorden, dat de koningen opgetogen waren om tegen hen te strijden, zo werden zij samengeroepen, van al degenen af die 34den gordel aangordden en daarboven, en zij stonden aan 35de landpale.34 Te weten een krijgsgordel met het geweer, en dat voor hun eerste reize, dat is, die nu eerst bekwaam bevonden werden om de wapenen te gebruiken en in den krijg te trekken.
35 Versta van hun land, te weten om hun vijanden daaruit te houden.
22 En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten en de zon over dat water oprees, zagen de Moabieten dat water tegenover, 36rood gelijk bloed.36 Deze roodheid was veroorzaakt door de stralen der zon, die nu eerst begon zich aan den aardbodem te vertonen.
23 En zij zeiden: Dit is bloed; de koningen 37hebben voorzeker zich met het zwaard verdorven en hebben de een den ander verslagen. Nu dan, aan den buit, gij Moabieten.37 Hebr. verdervende zich verdorven, dat is, zekerlijk of ganselijk verdorven, verdaan, of vernield. Het Hebreeuwse woord betekent eigenlijk verwoesten, waarvan het woord zwaard bij de Hebreeën zijn benaming heeft, omdat het verwoesting maakt. De zin dan is, dat zij zich door onderlinge moorderij verdaan en alzo het leger verwoest hebben.
24 Maar als zij aan het leger Israëls kwamen, maakten zich de Israëlieten op en sloegen de Moabieten; en zij vloden van hun aangezicht; ja, 38zij kwamen 39in het land, slaande ook de Moabieten.38 Namelijk de Israëlieten, die hun victorie vervolgende, de Moabieten tot in hun land verjaagd en daar ook verslagen en gedempt hebben.
39 Hebr. in haar. Versta het land der Moabieten, uit hetwelk dezen meenden de Israëlieten uit te keren, vers 21. Anders worden deze woorden aldus vertaald: en zij sloegen hen in haar land, slaande ook het land van de Moabieten. De zin is enerlei. verwijsteksten
25 De steden nu braken zij af, en een iegelijk wierp zijn steen op alle goede stukken land en zij vulden ze, en stopten alle waterfonteinen en velden alle goede bomen, totdat zij in 40Kir-Haréseth alleen 41de stenen daarvan lieten overblijven; en de 42slingeraars omsingelden en sloegen haar.40 Een van de voornaamste en sterkste steden der Moabieten, hebbende een stenen muur, waarvan zij schijnt haar naam gekregen te hebben. Zie van dezelve ook Jes. 16:7. verwijsteksten
41 Versta den stenen muur der genoemde stad, denwelken de Israëlieten onverbroken gelaten hebben, nadat zij alle andere steden afgebroken en het platteland afgelopen en verwoest hadden.
42 Dat is, met hun slingers en ander krijgsgereedschap bedreven zij zoveel geweld, dat de burgers hun stadsmuren niet beschermen konden en velen van dezelve verslagen werden.
26 Doch als de koning der Moabieten zag dat hem de strijd te sterk was, nam hij tot zich zevenhonderd mannen die het 43zwaard uittogen, om door te breken 44tegen den koning van Edom, maar zij konden niet.43 Zie de betekenis van deze manier van spreken Richt. 8 op vers 10. verwijsteksten
44 Of tot, of door het leger des konings.
27 Toen nam 45hij zijn eerstgeboren zoon, die in zijn plaats koning zou worden, en offerde hem ten brandoffer op den muur. 46Daaruit werd een zeer grote toorn 47in Israël; daarom trokken zij van hem af en keerden weder in hun land.45 Namelijk de koning der Moabieten, die om de hulp van zijn afgod Kamos in dezen nood te verkrijgen, zijn eerstgeboren zoon op den stadsmuur ten aanschouwen van de belegeraars ten brandoffer heeft geofferd. Want door zodanige offerande meenden de afgodendienaren hun afgoden den allermeesten dienst en eer te bewijzen, zich ijdellijk wijsmakende dat zij hierin Abrahams navolgers waren. Anderen menen dat hij geofferd heeft niet zijn zoon, maar den zoon van den koning van Edom, dien hij (gelijk zij zeggen) zou gevangen hebben in den uitval, als hij met zevenhonderd mannen poogde door het leger van den koning van Edom door te breken; in het voorgaande vers. Tot bewijs van dit gevoelen wordt voorgebracht Amos 2:1. Zie voorbeelden dergenen die hun kinderen den afgoden geofferd hebben, Ps. 106:37. Ez. 20:31, hetwelk God op lijfstraf verboden had, Lev. 20:2. verwijsteksten
46 Te weten, omdat zij door deze harde belegering en onverzoenlijken oorlog den koning der Moabieten tot deze desperate en wrede daad gebracht hadden.
47 Anders: tegen, verstaande dezen toorn specialijk van den koning van Edom en zijn leger, om den gruwelijken moord zijns zoons.

Einde 2 Koningen 3